terug  begin  verderprepost

Cats' Trov-ringh voor Anna Schilders*

[p. 3]



illustratie

[p. 4]



illustratie

[p. 5]
Naerder aen-sprake VAN DEN SCHRYVER tot het jegenwoordich werck.
 
Hoort noch, papiere-kint, hoort noch een corte reden
 
eer datje vorder reijst in onbekende steden.
 
Hoort wat dat u betaemt, en noodich is gedaen
 
eer gij moocht uijtten haech in vreemde landen gaen.
 
eer gij van hier vertreckt, soo groet de beste vrienden
 
die u wel eer tot hulp, of soet geselschap dienden.
 
Spreeckt mij nicht Schilders aen. die, eerse was getrout
 
U dickmael heeft vermaeckt door gunstich onderhout
 
haer stem en soeten aert die heeft u leeren singen
 
en door een vaste wet u losse woorden dwingen.
 
want noijt en wasser liet dat uijt de penne quam
 
dat niet uijt haren mont sijn klanck en wesen nam
 
waer hier een nieu gesangh te lande was gecomen
 
dat had haer wacker oor van stonden aen vernomen.
 
Zij kreech door milde gunst de Geesten aender hant
 
en leerde metter daet al watse geestich vant
 
hier weet u Zuster van: die met haer drouve klachten
 
verweckt de losse Ieucht tot wijse na-gedachten.
 
vint ijemant daer misschien, of hier een aerdich liet
 
het soetste vanden galm en is mijn eijgen niet
 
Zij heeft de maet geset: sij deed' het deuntjen leuen
 
Zij heeft den rechten klanck, Zij heeft de Ziel gegeuen.
 
want geen soo netten stem, in al het naaste lant
 
de Sangh woont in haer keel, de geest in haer verstant
 
Als gij dan affscheijt neemt, soo buijcht u gansche leden
 
begroet de goede Ziel, en segt haer dese reden.
 
segt datter menich veers in u gevonden wert.
 
dat haer betuijgen kan mijn trou en suijver hert.
 
dat is voor haer genouch, gij wilt niet langer spreken
 
want als men affscheijt neemt soo blijft de reden steken
 
gij daerom maecktet cort: doch voor haer soete gunst
 
soo laet haer eenich pant, geboren uijtte kunst
 
een kint gelijck als gij, maer wenst haer menich werven
 
drie kinders, die voor eerst haer deuchden mogen erven.
 
off isse niet vernoucht met soo een cleijn getal
 
soo veel de lieue God haer dienstich10 achten sal.

In het najaar van 1980 kwam de bibliotheek van de Maatschappij in het bezit van een bijzonder exemplaar van Cats' Trov-ringh van 1637.1 Het boek bevat namelijk op fol. [******2]v een opdrachtgedicht in handschrift en we kunnen met vrij grote zekerheid aannemen dat het van Cats' eigen hand is. Zowel het handschrift als de transcriptie ervan worden hierbij weergegeven.

Het bestaan van dit exemplaar van de Trov-ringh was overigens al veel langer bekend. Immers op de elfde vergadering van het Historisch Genootschap te Utrecht op 12 november 1870, deelde jhr. mr. B.J.L. de Geer van Jutfaas mee, dat hij in zijn collectie een Trov-ringh had met een ‘onuitgegeven dichtstuk, met de hand des dichters geschreven [...] op de witte bladzijde tegenover bl. 1’2 en hij veronderstelde dat het boek ooit een geschenk was geweest van Cats aan zijn pas gehuwde nicht Schilders. De Geer liet de tekst van het opdrachtvers afdrukken in de Kroniek van het Genootschap, waarbij hij nogal duidelijk ingreep in spelling en interpunctie.3 Inhoudelijk is die tekst echter dezelfde, als het exemplaar van de Maatschappij bevat, zodat er weinig twijfel over kan bestaan dat het hier om hetzelfde boek gaat.

De veronderstelling van De Geer dat het boek door Cats werd geschonken aan Anna Schilders wordt nog versterkt door het briefje dat Cats op 5 februari 1638 schrijft aan een onbekende dame, waarin hij meedeelt: ‘Ick en hebbe niet willen naelaeten V.E. toe te laten komen een exemplaar van seker werck [...]’,4 iets verder in zijn brief noemt hij dit werk zijn ‘ionxte kint’. Ten Berge gaat ervan uit dat deze dame Anna Schilders is;5 in dat geval is het niet onwaarschijnlijk dat het boek dat Cats haar zond, ons exemplaar is. Dat betekent ook dat we het opdrachtvers op begin 1638 mogen dateren.

Wat is er echter intussen met het opdrachtvers gebeurd? Bleef dat inderdaad onuitgegeven zoals De Geer dacht of heeft Cats de tekst later nog eens gebruikt? Deze vraag is min of meer beantwoord door Smilde in zijn boek Jacob Cats in Dordrecht,6 waar hij meedeelt dat het vers is verwerkt in de voorrede van de Trou-ringh in de editie van Alle de Wercken van 1655. Inderdaad blijkt het gedicht niet voor te komen in de verschillende afzonderlijke edities van de Trov-ringh tot 1655, daarna is het altijd in de voorrede opgenomen. Op zich moet het niet zo moeilijk geweest zijn voor Cats om het opdrachtgedicht in te voegen, want zowel in de voorrede als in ons gedicht spreekt hij het werk aan als ‘papiere-kint’. Als het ‘papiere-kint’ zijn reis door de wereld begint, moet het allereerst naar Holland, lezen we in de druk van 1637:

 
Daer sult ghy zijn onthaelt van menigh gau verstant,
 
En Hollants eerste stadt dat is u vaderlant.7
[p. 6]

Na Holland komen dan de bondgenoten, dat wil zeggen de andere provincies aan de beurt:

 
VVilt ghy nu mijnen raet, (om niet te zijn gestoolen)
 
Soo neemt eerst uvven vvegh door onse bontgenooten:8

In Alle de Wercken 1655 voegt de dichter na ‘En Hollants eerste stadt dat is u vaderlant’ het opdrachtvers voor Anna Schilders in. Daarbij laat hij de eerste vier regels van dit vers vervallen en varieert hij de vijfde. In de plaats van de vervallen regels komen echter een twaalftal nieuwe om het gedicht in te leiden:

 
Doch schoon gy dapper haest naer onbekende steden,
 
Den Hage lijcke-wel wilt die voor eerst betreden;
 
Daer is het deftigh Hof, daer is den hoogen Raet,
 
Daer is van ouden tijt de woonplaets vanden Staet:
 
Daer is de groote Vorst, door wie gestage segen
 
Wort aen het Vaderlant en yder een verkregen;
 
Soo dat sijn hoogh beleyt, en wijt-beroemde naem,
 
Heeft onder zyn gebiet de vleugels van de Faem.
 
Daer is het lustigh bosch en loover-rijcke dreven,
 
Die aen een doffen geest een nieuwen adem geven;
 
Daer is het heel Verhout, het schoonste dat ick ken,
 
Doch boven al vermaert door Huygens soete pen.

Dan volgt de regel die als een variant van regel 5 van het handschrift kan worden beschouwd en daarna het hele gedicht:

 
Staet hier een weynigh stil en souckt de beste vrienden
 
Die u wel eer tot hulp en soet geselschap dienden.9

Deze nieuwe inleidende versregels geven mij het vermoeden dat Cats al veel eerder met de gedachte gespeeld heeft het vers voor Anna Schilders te verwerken in zijn voorrede. Immers de toestand in Den Haag die hij beschrijft, verschilt wel erg veel van de werkelijke toestand in 1655. De ‘groote Vorst’ met zijn ‘hoogh beleyt’ en ‘wijt-beroemde naem’ kan moeilijk iemand anders zijn dan Frederik Hendrik. Deze is echter in 1647 gestorven; daarna is het kortstondige maar rumoerige stadhouderschap van Willem II gevolgd dat geleid heeft tot het eerste stadhouderloze tijdperk waar we anno 1655 middenin zitten. Deze verzen moeten dan ook veel eerder zijn ontstaan, want de dichter beschrijft de Haagse toestand als heden. Het is best mogelijk dat hij deze regels al kort na het uitkomen van de Trov-ringh heeft geschreven en ze verder altijd in portefeuille heeft gehouden omdat allerlei andere besognes hem van zijn literaire werk afhielden. Nu in 1655 is hij echter van dit ‘zware pak’ verlost.

Al met al kunnen we spreken van een belangrijke aanwinst voor de bibliotheek. Misschien dat deze Trov-ringh een impuls kan geven tot verder Cats-onderzoek, bij voorbeeld naar de relatie tussen de dichter en Anna Schilders.

 

H. Duits

*Met dank aan prof. dr. L. Strengholt die al een groot deel van het grondwerk had gedaan, en van wiens bevindingen ik dankbaar gebruik heb gemaakt.
10In Alle de wercken, id. 5e r.v.o.: ‘saligh’.
1's Werelts begin, midden, eynde, besloten in den Trov-ringh, met den Proef-steen van den selven. Door I. Cats. Tot Dordrecht, voor Matthias Havius, gedruckt by Hendrick van Esch, 1637 (sign. 1018 C 28).
2Kroniek van het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, 26 (1870), p. 389.
3id. pp. 389-390.
4Domien ten Berge, De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob Cats. 's-Gravenhage 1979, p. 125. Ten Berge heeft de tekst van de brief gemoderniseerd, zoals hij trouwens met alle zeventiende-eeuwse teksten in zijn boek heeft gedaan. Ik citeer uit: J.G. Frederiks, Jacob Cats en zijne omgeving, naar aanleiding van de handschriften in het Museum Catsianum, in: Oud-Holland 7 (1889), p. 253.
5Ten Berge, p. 125.
6H. Smilde, Jacob Cats in Dordrecht. Leven en werken gedurende de jaren 1623-1636. Groningen/Batavia 1938, p. 207. Smilde interpreteert overigens de ‘Zuster’ waarover Cats spreekt in zijn gedicht (r. 17) niet juist: hij vat haar op als een zuster van Anna Schilders en noemt haar een dichteres van ‘drouve klachten’. Smilde heeft daarbij uit het oog verloren dat de dichter zijn werk aanspreekt als zijn papieren kind. De zuster van het papieren kind is Cats' Klagende Maeghden uit 1633. Daarop zinspeelt het gedicht in r. 17 en 18. Een soortgelijke interpretatiefout maakt Ten Berge in zijn boek (p. 125): hij vat de aangesproken ‘U’ (r. 8) op als de dichter: bedoeld is echter het papieren kind, de Trov-ringh.
7Trov-ringh, Voorreden-Papiere-kint, fol. [****3]v. (De berijmde Voor-reden is ongepagineerd en gaat over in het gedicht Papierekint.)
8id.
9Alle de wercken, so ouden als nieuwe, van . . . Iacob Cats . . . t'Amsterdam, by Ian Iacobsz Schipper, 1655. 's Werelts begin, . . . is daarin een eigen afdeling met [XVIII], 266, [6] pp. De aangehaalde passage staat op fol. [*6]r, tweede kolom.
prepostterug  begin  verder