‘Waarde B - ! die nu aan Afrikaas zuidelijken hoek den pols van drieërlei rassen voelt, en die, naar ik hoor, reeds de bruiloft gevierd hebt van de dochter uwer vrouw, (want gy hadt eene zeer jonge weduwe getrouwd met drie lieve kinderen, en by u te land trouwen de meisjens op haar 14de jaar), nog staat my het geheele tooneel voor oogen van uw afscheid uit Leyden, toen gy voor vier jaren in de maand Juny met den Colombo uit zoudt zeilen.’
Zo begint Hildebrand in zijn schets Verre vrienden de beschrijving van één der ‘duizend zeer uitvoerige tooneeltjens’ die zijn geheugen op ‘het doek der camera obscura des terugdenkens’ tevoorschijn tovert.1 Toch behoefde hij hierbij niet uitsluitend op zijn geheugen af
te gaan. In het afschrift dat hij na 1890 van het Dagboek uit zijn studententijd vervaardigde, treft men op 3 juni 1835 de volgende aantekening aan: ‘In den vroegen morgen afscheid van mijn Kaapschen vriend Dr. Biccard met heel zijn gezin. Zaterdag zeilt hij met het Engelsch schip Colombo Kapit. Mac. Kennel, van London naar Kaapstad.’2 Het oorspronkelijk manuscript van zijn Dagboek is goeddeels verloren gegaan, maar in de Collectie Beets van de Maatschappij worden twee aan elkaar gekleefde pagina's bewaard, waarop dit afscheid uit de eerste hand beschreven wordt. Het is aardig om dit fragment naast de beschrijving uit de Camera obscura te leggen; men ziet dan dat Beets de originele notitie bij de hand moet hebben gehad en hij dus niet alleen op zijn geheugen behoefde te varen.3
François Louis Charles Biccard (1809-1884) studeerde van 1829 tot en met 1834 te Leiden in de medicijnen. Hij was in 1832 gehuwd met Augusta Wilhelmina Magdalena Thalman (1804-1890), weduwe van Johannes Knockers van Oosterzee (1793-1829). Het afscheidstoneel kan gesitueerd worden op het adres Breestraat 25 te Leiden, waar de familie Biccard vanaf 1832 gehuisvest was. Driekwart jaar tevoren, op 22 september 1834, had Beets ook al eens afscheid van het echtpaar genomen. Toen Biccard zijn studie voltooid had, vertrok hij voor enige tijd naar Parijs, zoals in die dagen voor een aankomend medicus niet ongebruikelijk was. Bij die gelegenheid had Nicolaas Beets in het Album amicorum van Biccard een vers geschreven, waaruit blijkt dat hij wel min of meer verwachtte, zijn vriend nog even terug te zien:
Een dag tevoren, op 21 september 1834, had Biccard aan Beets een door hemzelf vervaardigde aquarel geschonken, die hierbij wordt afgebeeld. De diepere zin van dit tafereel, voorstellende een musketierachtige verschijning, die peinzend neerkijkt op een hond, is mij niet duidelijk; misschien moet men daar ook niet naar zoeken. Het onderschrift luidt: ‘Amicissimo N. Beets, in memoriam sui dedit Dr. F.L.C. Biccard. Lugdun. Batav. d. 21. Septembr. 1834.’5 Diezelfde dag had Beets het Album amicorum aan mevrouw Biccard met een vers bedacht, waarvan een afschrift in de Collectie Beets van de Maatschappij berust.6 Voorzover mij bekend is het nimmer in druk verschenen:
Beets was zeer op François en Augusta gesteld. Dat blijkt ook uit het slot van zijn oorspronkelijke Dagboekaantekening, die in de Camera obscura in meer neutrale vorm is overgenomen; het luidt: ‘Doch toen zij allen op de wagen zaten die hen uit mijn oog voeren moest, zij 't op de laatste stonde des afscheids schoot 't gemoed mij vol. Biccard en zijn vrouw waren goede menschen van wie ik meer vriendelijke gastvrijheid genoten heb, dan waarvoor ik ze in dit haastig oogenblik bedanken kon. Doch ik heb ze hartelijk de hand gedrukt en Gode bevolen. Zij waren zichtbaar aangedaan. Biccard verliet dan nu voor altijd zijn geliefd

Leyden! om met zijne vrouw en zijne zeven kinderen na een gevaarvolle en lange reis zijn vaderland weder te zien. Hij kome er gelukkig, en zij er gezegend. Voor mij die er nooit hoop te komen, was 't toen het rijtuig uit mijn oogen verdween, alsof zich een graf over die goede menschen sloot.’7
Peter van Zonneveld