Lone Some
het landschap stond als een kamer op het vlak
de hemel gaf ons onderdak
dronken wij het gras als kroeg
geboomte dat de hemel droeg
regen draalde in de stad
en wij droomden dat huilen samenvat
het interieur van kleine dingen:
voor het gordijn / de ramen die verwaaien
sta jij te zingen. Ik - juist
ik
- verzorg de planten
op de akker.
En wat ontbrak er?
je zegt - staande in de deur naar 't loze blauw:
‘Liefste, er is koffie met
Calva Dansflou
’
lijkt soms alsof ik oogst & taal verbouw -
en vervolgens denk ik:
er is één ding dat ik nog steeds niet kan schrijven
dat dood en sterven oneindig lang beklijven
jongens, jongens, jongens, jongens!
ik kom slechts meisjesjongens tegen
is er waarachtig leed?
of kent de tijd verlegenheid?
Boudewijn Buch