terug  begin  verderprepost

Veldekens visie op de vrouw. I

Een paar regels over de levensweg van de dichter ter inleiding.

Men kan ondanks het feit, dat we van Heinric geen doopen overlijdensakte bezitten, aannemen, dat hij ongeveer in 1140 of iets later, geboren is. De plek waar hij ter wereld is gekomen, laat zich afleiden uit aanduidingen van hemzelf en uit dokumenten van nadien. We kunnen zijn ouders beschouwen als eigenaars van de watermolen door de Demer voortbewogen. De plek lag in Spalbeke, luttele kilometers ten westen van de huidige hoofdstad der provincie Limburg, Hasselt. Volgens gepubliceerde charters behoorden de familieleden van Veldeken tot de lagere adel. Uit een oorkonde blijkt het bestaan van een wapenschild, dat bewaard is gebleven op een zegel in gele was, gehecht

[p. 18]

aan een strook perkament. Het schild is driezijdig, geschuind van keel en goud. (Een veel jongere miniatuur, gewijd aan onze poëet in het wereldberoemde handschrift genoemd naar de oorspronkelijke eigenaars in Zurrich, Manesse, is ten dele verbeelding, maar de kunstenaar betitelt hem met Herr.) Bovendien staat er telezen: ‘Henricus miles dictus de Veldeke’; elders: ‘Henricus de Veldeke’, staande tussen getuigen en genoemd ‘dominus’; in 1195 is de familie geboekstaafd als ‘ministeriales’, onderdanen van het grafelijk geslacht te Borgloon. Ook de benamingen ‘comes’ en ‘dapifer’ tonen aan, dat we met edellieden te maken hebben.

Ondanks deze geschiedkundige gegevens ontbreekt ons alles over de ouders van Heinric (wiens roepnaam in het gezin wel ietwat anders zal geklonken hebben), terwijl we ook over de kinder-en jongelingsjaren in het duister tasten. Op grond van onroerend goed als de vermelde molen, alsook van akkers en beemden, neem ik aan, dat vader en moeder Veldeken de kosten van het internaatsverblijf te Sint Truiden konden betalen. De faam van de abdij aldaar, onder meer als onderwijsinstituut, bood een grote mate van zekerheid voor de vorming en opleiding van hun zoon. De afstand tot het cultureel centrum, waar de naam van de abt-historicus Rodolfus onuitwisbaar is, onder andere door zijn Gesta abbatum Trudonensium, geschreven in 1114-1115, bedroeg slechts 15 km. Dat Veldeken enkele decennia later onderricht is door een docentenstafzowel in het beschaafde Middelnederlands als in het Latijn (en oud-Frans?) staat voor mij vast. Aangezien het vak Musica zowel in het Trivium als gedurende het Quadrivium onderwezen werd, is het begrijpelijk, dat dit hem later van dienst is geweest bij het componeren van een aantal minneliederen en het bespelen van zijn snaarinstrument.

Wanneer ik de ‘opera omnia’ van Veldeken een triptiek noem, bedoel ik achtereenvolgens zijn Servaaslegende, de 25 overgebleven minneliederen en het heldendicht Eneide. In de legende komen Maria, de Moeder van Jezus, de vrouw die haar gebaard heeft, Anna, alsook vrouwelijke familieleden voor. Geen van allen ziet men handelend optreden. Zulks is evenmin het geval met zijn opdrachtgeefster, gravin Agnes van Loon die het bijvoegelijk naamwoord ‘lieve’ meekrijgt, zowel in de eerste epiloog, als aan het eind van het tweede deel. Aktief treden in dit deel twee dames voor het voetlicht. In zeer ongunstige zin gebeurt dat door de hertogin Gerberga, prinses uit het Saksisch koningshuis en oudste dochter van Hendrik I. Zij is geboren na Otto, die het nadien tot vorst en keizer zal brengen. Haar gemaal is Gijsbrecht van Neder-Lotharingen, residerend in Maastricht, recht tegenover de vroegere kathedraal van bisschop Servatius. Haar staat en stand blijken geen beletsel te vormen voor het plegen van een kerkdiefstal. In een onbewaakt ogenblik maakt zij misbruik van het goed vertrouwen, dat de custos der kerk in haar stelt. Zij maakt zich - bezwijkend voor hebzucht en ijdelheid - meester van een kostbaar kleed, eigendom van de heilige Servaas. Daarmee in het hertogelijk verblijf teruggekeerd, laat zij haar costumière uit het onvergelijkelijk reliek een droom van een sleepjapon ontwerpen. Mede door de talrijke meters gouddraad en edelstenen is het kledingstuk een waar juweel geworden. De hovaardij bereikt een hoogtepunt, wanneer zij op de dertiende mei het patroonfeest mee gaat vieren in het beroemde heiligdom.

Daar wacht haar evenwel een ontstellende bestraffing door de beroofde heilige. Tijdens de plechtige hoogmis slaapt zij in, nadat haar echtgenoot op het priesterkoor zijn gereserveerde plaats heeft ingenomen. Plotseling klinken kreten als van een vrouw in levensgevaar uit de mond der hertogin. Zij gilt om hulp, wat de kerkgangers met ontzetting bevangt. IJlings snelt de hertog naar zijn gemalin toe, diep bezorgd over haar toestand. Berouwvol biecht zij haar ‘crimen’ op en verhaalt, wat haar in de slaap en droom overkomen is. Een baarlijke duivel had haar niet alleen afgeranseld, maar getracht alle kledingstukken van het lijf te rukken, zodat ze welhaast moedernaakt was geweest. Op dat verschrikkelijk ogenblik had zij tot de heilige stadspatroon geroepen en diep berouw getoond. Deswege had Sanctus Servatius haar de reddende hand toegestoken en de satan verjaagd. Gijsbrecht beseft de zwaarte van het mis-dadige, neemt zijn vrouw bij de hand, samen knielen zij boven het graf van de heilige. Daar biedt hij behalve zijn verontschuldiging ook de restitutie plus de zogenaamde verzoening aan. Die bestaat uit tal van offers en geschenken, zoals een aantal mensen die tot het personeel van de Servaasabdij zullen behoren.

 

In schrille tegenstelling tot de zich vergrijpende hertogin staat jonkvrouw Oda, die dankzij haar voorbeeldige handel en wandel te Nijvel tot abdis wordt verkozen. In deze Zuidbrabantse abdij ligt al sinds 17 maart 659 de heilige Gertrudis begraven. Zij was een dochter van Pepijn van Landen. Oda bestuurt met liefde en wijsheid haar medezusters. Van zichzelf vergt zij het uiterste in bidden en boetedoening. Dit geschiedt in verband met haar gestorven broer, een avonturier die zich overgegeven had aan misdadige uitspattingen. Zonder enig teken van spijt over zijn daden is hij door de dood overvallen, wat Oda in de mening doet verkeren, dat zijn ziel haast zeker ter helle is gevaren. Ontelbare tranen heeft ze over hem gestort, zijn onverhoeds sterven dag en nacht betreurend. Wat zij niet heeft durven denken of dromen, geschiedt toch: biddend voor het kost baar reliekschrijn van Sancta Gertrudis krijgt ze een geestverschijning. In een levendige dialoog legt de afgestorvene zijn zuster uit, dat ze niet langer hoeft te schreien noch zich allerlei offers moet getroosten. ‘Wat er dan gebeurd is? Sint Servaas is zijn redder.’ ‘Hoe zo?’ Tijdens zijn tocht naar het helse vuur, waar satanische folteringen zijn deel werden, zodanig dat een aards wezen zich daarvan geen voorstelling kan vormen, kwam een grijze gestalte hem te hulp. ‘Waaraan heeft hij dit legendarisch wonder te danken?’ Heel simpel is het antwoord. Toen hij nog geloofde in God en gebod heeft de ridder, gehuld in een ruwharige pij, barrevoets een pelgrimstocht ondernomen naar het graf van Sint Servaas. Dit is zijn redding geworden uit de eeuwige verdoemenis. Eer hij afscheid neemt van zijn geliefde Oda, draagt hij haar uitdrukkelijk op de cultus van de heilige Servatius krachtig te bevorderen in gesproken en geschreven woord. Tevens voorspelt hij haar haarspoedig levenseinde. Uit dankbaarheid pelgrimeert Oda voor de derde keer naar de laatste rustplaats van Sint Servaas. Spoedig daarna sterft zij in geur van heiligheid.

[p. 19]

Niemand van de mediaevisten kan met zekerheid bepalen in welk jaar Heinric zijn eerste minnelied gedicht en gezongen heeft. Wie echter geloof hecht aan onze romantische Marie Koenen, in 1948 tot doctor honoris causa aan de Universiteit van Nijmegen gepromoveerd, kan wellicht iets van haar fraai verzonnen verhaal aanvaarden. Volgens de visie van de Brabants-Limburgse kunstenares was Veldeken een wees, door gravin Agnes van Loon liefdevol aan het Borg-Loonse hof opgenomen als pleegkind. Samen opgroeiend met haar dochter, ook Agnes geheten, ontstaat er een wederzijdse genegenheid die Heinric in stilte tot uiting brengt via liefdeszangen. Helaas storten zijn luchtkastelen in, wanneer een Beiers protégé van keizer Frederik Barbarossa de schone Agnes als bruid naar Beieren voert.

Hoe ziet Veldeken de vrouw in zijn zangen? Er gold een code, waaraan troubadours zich doorgaans hielden. Het was hun verboden ooit de naam van de aangebedene prijs te geven. Wel mocht hij haar schoonheid van gestalte, wangen, kin en ogen, alsook het blonde haar bezingen; doch verdere onthulling zou hem zwaar zijn aangerekend. Als Heinric de bijbelse koning Salomon noemt, zonder te reppen over de vorstelijke harem met de negenhonderd vrouwen glimlacht hij om de hooggeprezen wijsheid van de man. Tegelijkertijd excuseert hij zich, als hij bekent, door de liefde in haar boeien te zijn geslagen.

Veldeken laat ons weten, dat hij de tragische historie van Tristan(t) en Isolde met-het-goudblonde-haar kent. Deze twee waren gedoemd elkaar tot de dood lief te hebben omdat zij uit dezelfde beker met een onweerstaanbaar mengsel hadden gedronken. De dichter vindt een dergelijke drank voor zichzelf overbodig, ja, onnodig. De dame die hij bemint zal het toejuichen, dat hij zo'n ‘cocktail’ niet op prijs stelt.

Wat kunnen wij geloven van de sentimenten, waarop we als lezers getrakteerd worden? In tegenstelling tot sommige analisten van Veldekens poëzie die menen, dat alles slechts ‘fiction’ is, neem ik aan, dat de ‘kunstzinnige poorter van Maastricht’ wel degelijk door Amors pijlen is getroffen. Wie dat betrof, daarover tast elke onderzoeker in het duister. De visie van Heinric op het schone geslacht getuigt mijns inziens van waarachtige, mannelijke liefde. Nu eens lijkt hij in de zevende hemel vanwege zijn succes bij haar die hij vereert en die zijn courtoisie met dank beloont. Hoever dit precies gaat, kan men slechts gissen. Soms lopen zijn ‘avances’ verkeerd af. Dat is toe te schrijven aan zijn verkeerde interpretatie van haar lieftalligheid, mogelijk gepaard gaande met ietwat platonische kusjes. Helemaal heeft hij het verkorven, als hij aandringt op een zogenaamd ‘ombevaen’, een omhelzing te bedde. Daar is de aangebedene niet van gediend, sterker nog, zij betitelt dit als lompheid, een boerse overtreding van ongeschreven wetten. Wij kunnen met de zilverharige Veldeken meevoelen, als hij de mentaliteit van een jongere generatie der Eva's dochteren hekelt. Meisjes en vrouwen die aan nieuw tin de voorkeur geven boven gedegen, oud goud zijn behept met een ziekelijk brein. Dat zij jongelui verkiezen door hevige liefdesdrang en geen oog hebben voor gerijpte mannen is een kwalijke zaak.

 

Jef Notermans

prepostterug  begin  verder