terug  begin  verderprepost

Kopij en druk bij Willem de Vreese

In 1906 verscheen het eerste deel van Lodewijk van Velthem's Voortzetting van den Spiegel historiael (1248-1316), het vervolg op Jacob van Maerlants vertaling en bewerking van het Speculum Historiale van Vincentius van Beauvais.1 Deze uitgave was het werk van de historicus Herman vander Linden en de filoloog Willem de Vreese en moest de oude, gebrekkige editie vervangen die Isaac Le Long in 1727 het licht had doen zien.2 Al in 1894 lag een ambitieus ontwerp voor de nieuwe uitgave op tafel. Omdat het enige handschrift waarin Velthems tekst is overgeleverd (hs. Leiden, UB, BPL 14 E) een groot aantal corrupte lezingen bevat, dienden de editeurs met grote voorzichtigheid te werk te gaan, waar mogelijk de tekst te vergelijken met die van enkele bewaard gebleven fragmenten van andere handschriften en elke wijziging ten opzichte van de tekst in de Leidse codex te verantwoorden. Bovendien zouden de geschiedkundige bronnen waarvan Lodewijk van Velthem gebruik had gemaakt, moeten worden aangegeven en ten slotte moesten aan de tekst worden toegevoegd: ‘des notes explicatives assez nombreuses sur la géographie, la chronologie, l'histoire politique et les institutions du Brabant à l'époque du chroniqueur’.3

In de correspondentie-De Vreese, die in 1981 door de Leidse universiteitsbibliotheek werd verworven, bevindt zich een aantal brieven en briefkaartjes van Vander Linden aan De Vreese uit de jaren 1894-1913 (BPL 2998). Afgezien

[p. 21]

van de nodige voorbereidingen, moeten de beide geleerden in januari 1895 met het eigenlijke werk voor de uitgave begonnen zijn, zo blijkt uit deze fragmentarisch bewaarde correspondentie. Voorts wordt duidelijk dat de vaststelling van Velthems tekst naar het Leidse handschrift niet vorderde zoals met name Vander Linden dat wenste. De Vreese heeft zijn werk aan de uitgave verscheidene malen opgeschort omdat hij ook nog met andere publikaties bezig was. Roemans' Chronologische lijst van geschriften van Willem de Vreese telt over de periode 1895 tot 1906, het jaar waarin deel I van de Velthem-uitgave verscheen, maar liefst 92 nummers!4 Het trage tempo waarin De Vreese zijn aandeel leverde, of de onregelmatigheid waarmee dat gebeurde, moet Vander Linden meer dan eens tot wanhoop hebben gebracht. Ook vanuit de Commission Royale d'Histoire, de ‘opdrachtgever’ te Brussel, werd met tussenpozen sterke aandrang uitgeoefend om de uitgave te versnellen.5 Alles tevergeefs, de jaren verstreken zonder dat het boekdeel verscheen. Een en ander heeft de editeurs in die tijd dan ook een slechte reputatie bezorgd. In 1906 smeekt Vander Linden als hem ter ore komt dat zijn collega het werk opnieuw gestaakt heeft: ‘Laat a.u.b. al uw ander werk steken om de uitgave voort te zetten. 't Is in uw belang zoowel als in het mijne.’6 Veel leed zal vergeten zijn toen het eerste deel in alle opzichten aan de wetenschappelijke eisen van de tijd bleek te voldoen en lovende kritieken kreeg. Enkele citaten (ik beperk me in deze bijdrage tot het aandeel van de filoloog Willem de Vreese): ‘Wij verheugen ons vooral in de uitgave van den tekst, een wonder van geduld en nauwkeurigheid’7, en: ‘Ce premier volume est donc pour la majeure partie oeuvre de philologue, et comme telle il est parfait. La reproduction du manuscrit a été faite avec une exactitude scrupuleuse, poussée presque jusqu'à la minutie, de façon à permettre de se faire une idée exacte de l'etat du manuscrit.’8 Ook Jacob Verdam uitte zijn grote ingenomenheid met het werk en achtte een scherpere tegenstelling dan die tussen de editie-Le Longen de nieuwe uitgave nauwelijks denkbaar.9

Het staat niet vast of De Vreese het Leidse handschrift met Velthems voortzetting van Maerlants wereldkroniek al bestudeerd heeft in de tijd dat hij te Leiden woonde en werkzaam was als redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (van 1891 tot 1895). Blijkens notities voorin de codex, heeft hij het handschrift in elk geval in 1896 en 1899 geraadpleegd. Ongetwijfeld is het handschrift enkele maanden ten behoeve van De Vreese uitgeleend geweest aan de bibliotheek der Rijksuniversiteit te Gent, waar hij inmiddels als docent (Middel-)Nederlands was aangesteld.

In plaats van een geheel nieuw afschrift van de tekst te vervaardigen, koos De Vreese voor een andere, overigens in die tijd ook niet ongewone werkwijze. Hij heeft gebruik gemaakt van de al bestaande edities van de Velthem-tekst, de integrale editie door Le Long (1727) en de uitgave door W.J.A. Jonckbloet (1840).10 Met rode en zwarte inkt heeft De Vreese daarin correcties en aanvullingen aangebracht. Hij voorzag de tekst van een nieuwe vers-telling en van een folium-, kolom- en regelaanduiding. Teksten die in de nieuwe uitgave niet moesten worden overgenomen, zoals de commentaar van Le Long, werden door hem doorgestreept of afgeplakt met behulp van strookjes wit papier; in veel gevallen heeft De Vreese zich daarbij bediend van de randen van postzegelvellen... Zo bevat elke bladzijde van deze gedrukte kopij een zeer groot aantal wijzigingen waarmee de zetters rekening hadden te houden. Bovendien heeft De Vreese op tal van plaatsen ‘uitklapbare’ stukjes papier tussengevoegd waarop hij de tekst van bewaard gebleven fragmenten van andere handschriften met Velthems geschiedwerk heeft neergeschreven, alsmede zijn paleografische commentaar daarbij.11 Behalve deze toevoegingen schreef De Vreese ook nog enkele andere gedeelten van de kopij geheel uit, zoals het Voorbericht, Die ordinancie van der vijfter partien van den Spieghel hystoriaele (naar hs. Gent, UB, 2541, fragment 11) en het begin van boek 3. De editie van Le Long is gedrukt in een voor vele moderne lezers wellicht lastig te lezen lettertype, een tamelijk zware en daardoor compacte gothische letter. Toch zal deze gedrukte kopij met al haar correcties en aanvullingen voor geoefende zetters uit het begin van de twintigste eeuw niet echt problematisch geweest zijn. Niettemin mag de bewondering voor de hoge kwaliteit van dit eerste deel van de Velthem-uitgave12 niet beperkt blijven tot De Vreese (en Vander Linden) alleen. Ook de zetters van de tekst hebben een knap stukje werk verricht. Wanneer De Vreese vandaag met dergelijke kopij de zetterij zou zijn binnengewandeld, dan zou zijn werk stellig geweigerd zijn.

 

Jos A.A.M. Biemans

[p. 22]



illustratie
Enigszins verkleinde reproduktie van een bladzijde uit de Velthem-editie van Isaac Le Long, door De Vreese bewerkt tot kopij voor de nieuwe uitgave(1906).

1Lodewijk van Velthem's Voortzetting van den Spiegel historiael (1248-1316). Opnieuw uitgegeven door H. vander Linden en W. de Vreese. Eerste deel, Brussel 1906.
2Spiegel historiaal, of rym-spiegel; zynde de Nederlandsche rym-chronyk, van Lodewyk van Velthem [...]. Getrouwelyk uytgegeven, volgens het oorspronklyke handtschrift, op perkement geschreeven, en met noodige verklaaringen opgeheldert, door Isaac Le Long. Amsterdam 1727.
3‘Note sur l'édition du Spiegel Historiael de van Velthem proposée à la Commission par M. Pirenne.’ In: Compte rendu des séances de la Commission Royale d'Histoire 5e série, 4 (1894), pp. 321-324. Deze nota was opgesteld door Vander Linden en De Vreese om door Pirenne ingebracht te kunnen worden; het citaat op p. 324.
4R. Roemans, Het werk en de betekenis van prof. dr. Willem de Vreese. Antwerpen 1950, pp. 109-117.
5Brief van G. Kurth voor de Commission Royale d'Histoire te Brussel van 17 juli 1904 aan De Vreese: Leiden, UB, BPL 2998.
6Briefkaart van Vander Linden aan De Vreese van 3 februari 1906: Leiden, UB, BPL 2998.
7L. G[oemans], in Leuvensche bijdragen 8 (1908-1909), p. 354.
8J. Vercoullie, in Revue de l'Instruction publique 50 (1907), p. 112.
9J. Verdam, in Museum 14(1907), kolom 207-210.
10Specimen e litteris neerlandicis, exhibens Ludovici de Velthem Chronici, quod inscribitur Speculum historiale, Librum III. [Uitgegeven door] G.J.A. Jonckbloet. Hagae Comitis 1840.
11De gedrukte kopij van Willem de Vreese voor de tekstuitgave van Velthem's Voortzetting van den Spiegel historiael werd mij in 1978 geschonken door zijn jongste dochter, Mevrouw W. Overdiep-De Vreese. Tot dit materiaal behoren ook de fiches met taal- en letterkundige ophelderingen door De Vreese en de geschied- en aardrijkskundige aantekeningen van Vander Linden bij de boeken 1-3, alsmede de geschiedkundige aantekeningen van de laatste bij boek 4. De paleografische en codicologische annotaties bij de uitgave - van de hand van De Vreese - zijn niet meer aanwezig. Het mij geschonken materiaal stel ik thans ter beschikking van de Universiteitsbibliotheek te Leiden waar sinds 1981 ook de correspondentie van Willem de Vreese berust (BPL 2998-3000). De Velthem-kopij is opgenomen als BPL 3057.
12De delen II en III verschenen resp. in 1931 en 1938. Als gevolg van De Vreese's uitwijken naar Nederland na de Eerste Wereldoorlog kwam er een abrupt einde aan de samenwerking met Vander Linden. Vanaf cap. 22 van boek 3 werd zijn plaats ingenomen door Paul de Keyser, terwijl later voor deel III ook A. van Loey nog werd aangetrokken. Het afhaken van De Vreese bleek een fors verlies. Met name de kwaliteit van de tekstuitgave in deel II ondervond scherpe kritiek. Zo verweet C.G.N. de Vooys zijn collega De Keyser onvoldoende kennis van het Middelnederlands(in Museum 40 (1932), kolom 39-40); Leonard Willems drukte zich nog krachtiger uit: ‘Die uitgave is echt een schandaal: (onder ons gezeid) ik ben tot de conclusie gekomen, dat de Keyser, die te Gent het Middelnederlandsch doceert (!!!!) geen Midnl. verstaat en een uitgave van L. van Velthem bezorgt zonder Verdam's Woordenboek te raadplegen’ (in een brief aan J.W. Muller dd. 29 april 1932, geciteerd naar een afschrift uit het bezit van De Vreese, thans in mijn bezit).
prepostterug  begin  verder