
De voordracht is gewijd aan een tot op heden nooit bestudeerd document in de verzameling handschriften betreffende Hofwijck, namelijk een anoniem ongedateerd dubbelblad met commentaar bij Huygens' Aenden Leser; voor de Bij-schriften. Spreker loopt drie punten langs: de datering van Aenden Leser; het document in kwestie en zijn merkwaardige inhoud; en de vraag wie de auteur is van het commentaar.
In afwijking van wat elders beweerd is, kan Aenden Leser, waarvan geen datum van voltooiing is overgeleverd, vrij nauwkeurig gedateerd worden, met behulp van aan wijzingen ontleend aan een lofdicht van Westerbaen (20 juli 1652), een brief van Cats (5 april 1652) en een notitie in het Engelse journaal van Lodewijck Huygens (29 februari 1652). Zo blijkt de plaatsing van het gedicht in Worps chronologische uitgave aan waarschijnlijkheid te winnen. Spreker dateert het document eveneens op het jaar 1652. De strekking van de aantekeningen bij Huygens' gedicht - voorstellen tot wijziging - brengt mee, dat de tekst nog gedrukt moest worden. De opmerkingen van de anonymus betreffen de zuiverheid van het Nederlands bij Huygens, de stijl, met name de door de anonymus gewraakte duisterheid, de poëtische vorm (rijm, metrum) en de spelling. Voorstellen tot verandering worden ook wel zonder argumentatie gedaan. Opvallend is de behoefte van de criticus aan een begrijpelijke stijl, zonder latinismen, en een strikt alternerend metrum.
De inleider poneert de stelling, dat de commentator niemand anders is dan Jacob Cats. Het schrift vertoont sterke gelijkenis met authentieke Catsiana en staat in elk geval toekenning aan Cats niet in de weg. Externe gegevens openen bepaald de mogelijkheid, aangezien als zeker kan worden beschouwd, dat aan Cats op 29 februari 1652 te Londen een afschrift van Aenden Leser ter hand gesteld is door Huygens' derde zoon Lodewijck, die in Cats' gevolg verkeerde. Bij de overigen van wie we weten dat ze Hofwijck en Aenden Leser voor verschijning onder ogen kregen
(Westerbaen, Boxhorn, misschien ook Bruno) sluit het schrift toekenning vrij zeker uit. Een echt argument meent spreker te kunnen ontlenen aan de (Catsiaanse) stijl van de kritiek en de wijzigingsvoorstellen, die getuigen van een programmatische gerichtheid op een publiek van eenvoudigen.
Een contra-argument lijkt besloten te liggen in een der kanttekeningen, luidende ‘duyten non convenit pronunciationi nostrae, Amstelodamensi’. Maar wellicht is hier op grond van de komma tussen de worden ‘nostrae’ en ‘Amstelodamensi’ een interpretatie mogelijk ‘onze uitspraak, die tevens de Amsterdamse is’. Van de kritiek, door Barlaeus in 1630 uitgebracht op Hoofts toepassing van de annominatio, waarvan de commentator kennis toont te dragen, kan Cats heel wel vernomen hebben, doordat hij in de dertiger jaren met Barlaeus in contact stond.
Dr. L. Strengholt