Openbare musea begonnen eerst schuchter aan het eind van de achttiende eeuw in Holland hun deuren open te zetten. Daarvoor was het kunstminnend publiek (en ook kunstenaars die zich wilden spiegelen aan gerenommeerde voorgangers) aangewezen op privé-collecties, waarvan de eigenaren dikwijls bereid waren belangstellenden toe te laten. Binnen het kunstgebeuren van die tijd speelden dan ook particuliere verzamelaars een belangrijke rol. Hoewel afzonderlijke verzamelaars veelvuldig - en de laatste jaren in toenemende mate - onderwerp van studie zijn geweest, is men aan een meer algemeen beeld nauwelijks nog toegekomen. Een van de zeer weinige publikaties waarin hiernaar is gestreefd, is J.M. Montias' recente boek Artists and Artisans in Delft, Princeton, New Jersey 1982, waarin statistisch materiaal voor Delft voor de periode 1610-1679 is bijeengebracht.
Leiden met zijn eigen schilderschool en tot in de achttiende eeuw nog belangrijke patriciaat, biedt voor een dergelijk onderzoek veel mogelijkheden. Veel verzamelaars woonden op of bij het Rapenburg en in het kader van een grootschalig onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van deze belangrijkste Leidse gracht, is een onderzoek naar de ontwikkelingen van de particuliere kunstverzamelingen in Leiden reeds enige tijd aan de gang, zij het nog niet afgerond.
Het grootste probleem van het beschikbare materiaal is, dat dit in twee onderling vrijwel onvergelijkbare bronnen uiteenvalt, die elk weer hun eigen beperkingen hebben. Voor de zestiende en zeventiende eeuw is de belangrijkste - zelfs, afgezien van enkele reisverslagen, bijna enige - bron de boedelinventarissen, die, meestal na overlijden opgesteld, in toenemende mate vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw in het Leidse Notariele Archief en Weeskamer Archief zijn bewaard. Zo overvloedig zelfs dat met ruim opgezette steekproeven zal moeten worden volstaan. Deze inventarissen tonen ons niet alleen wat in de loop der tijd gemiddeld per gezin aan schilderijen in het huis hing (volgens voorlopige conclusies in de zeventiende eeuw oplopend tot acht à tien schilderijen per inboedel, hetgeen overeenkomt met de door Montias geschetste situatie in Delft), maar ze laten ook de verschuivingen zien binnen de diverse schildergenres. Juist omdat de Leidse bronnen vrijwel gelijktijdig met de alteratie van 1573 aanvangen, zijn met name de veranderingen in religieuze belangstelling, zoals die te constateren vallen bij de keuze van bijbelse onderwerpen, interessant. De grens, wanneer men echt kan gaan spreken van een verzameling is moeilijk te trekken, maar een aantal grote verzamelaars met ver boven de honderd schilderijen treedt in ieder geval duidelijk naar voren. Mensen overigens, uit allerlei beroepsgroepen: een burgemeester, een hoogleraar, een boekverkoper, maar ook een dominee en een ‘tafelhouder’.
De inboedelinventarissen hebben echter als bron ook duidelijk hun gebreken. Opgesteld om dienst te doen bij de afwikkeling van erfenissen, zijn zij summier, vaak te summier, in hun informatie. Afmetingen, noodzakelijk voor

Simon Fokke, veiling van de kunstverzameling van de Leidse burgemeester Johan Aegidiuszoon van der Marck, in het Oudezijds Herenlogement in Amsterdam op 25 augustus 1773, tekening (ook in prent uitgebracht in 1774), Museum Fodor Amsterdam, Foto Historish Topografische Atlas Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam
identificatie van de kunstwerken,ontbreken vrijwel volledig. De onderwerpen zijn slecht en zeker tot en met het eerste kwart van de zeventiende eeuw helemaal niet omschreven. Schildersnamen worden eigenlijk pas vanaf de jaren veertig in toenemende mate vermeld, zodat pas vanaf dat ogenblik kan worden nagegaan in hoeverre men zich beperkte tot het lokale aanbod, waarbij blijkt dat behalve de Leidse kunstenaars zelf, met name een aantal Haarlemse schilders in Leiden een goede afzet hebben gevonden.
Voor de ontwikkeling in de achttiende eeuw zijn de mogelijkheden van onderzoek radicaal verschillend. Niet alleen nemen boedelbeschrijvingen waarin schilderijen goed zijn omschreven eerder af dan toe, maar de opkomst van het kunstveilingwezen in Holland heeft ons een aantal veilingcatalogi opgeleverd, specifiek toegespitst op echte kunstverzamelingen, waarin de gedetailleerdheid van de beschrijvingen veel meer aan onze wensen tegemoet komt.
Hoewel de eerste Hollandse veilingcatalogus, genoemd in Frits Lugts standaardwerk Répertoire des catalogues de
ventes, een Leidse (!) veiling uit 1628 betreft, neemt het veilingwezen eerst in de achttiende eeuw een hoge vlucht, met Amsterdam als onbetwist centrum. Voor Leiden kon Lugt voor die eeuw catalogi van zesenvijftig schilderijenveilingen aanwijzen (en nog zeven van Leidse collecties die buiten Leiden werden geveild), maar hoe representatief is deze bron?
Steekproeven van de advertenties in de toenmalige Leydse Courant (die nog niet systematisch kon worden doorgenomen) roepen een beeld op van een veel levendiger veilingwezen. Voor Leiden valt dit echter ook nog op andere manieren te controleren. Het schildersgilde had namelijk in 1685 van de stad bedongen, dat voor elke sterfhuisvendu waarop schilderijen werden geveild, aan de opzienders van hun gilde - zoals dat ook in Amsterdam gebeurde - drie gulden zou moeten worden afgedragen. Redelijk consciëntieus heeft het gilde sindsdien hiervan aantekening gehouden en met name voor de eerste helft van de achttiende eeuw wijzigt dit het beeld van de werkelijk gehouden schilderijenveilingen in niet geringe mate: waar Lugt slechts negen catalogi kent, noemt het gilde honderdvijf veilingen (en ook dit is bij vergelijking met andere bronnen niet geheel volledig), in de tweede helft van de achttiende eeuw zijn deze aantallen respectievelijk zevenenveertig en honderdzeven! Natuurlijk betrof het hier niet altijd echte collecties van schilderijen, maar een analyse van het bezit aan schilderijen van de bevolking zal met de hier geconstateerde vertekening wel rekening dienen te houden.
Dat de burgers deze gildedwang (die ook bepaald niet altijd strikt zal zijn gevolgd) niet zonder meer aanvaardden, blijkt overigens uit het toenemend aantal veilingen dat niet zoals gebruikelijk òf in het sterfhuis òf in het Herenlogement op de Leidse Burcht werd gehouden, maar plaats vond buiten de jurisdictie van het Leidse stadsbestuur, onder andere in een herberg in het dichtbij gelegen Zoeterwoude, al zal de veiling van de beroemde Leidse verzameling van burgemeester Johan Aegidiuszoon van der Marck, op 25 augustus 1773 en in beeld gebracht door Simon Fokke, zeker niet omwille van het ontlopen van de betaling van drie gulden gehouden zijn in het Oudezijds Herenlogement te Amsterdam.
Hoeveel lacunes de bewaard gebleven catalogi ook vertonen, wel valt uit hen af te leiden het voortzetten van de verschuivende belangstellingen voor bepaalde genres en voor bepaalde periodes. Merkwaardig genoeg neemt, hoewel steeds meer retrospectief werd verzameld, de nadruk op schilders uit de Leidse school nauwelijks af. De markt bleef kennelijk toch, ook al kocht men vaak buiten Leiden en bovendien nauwelijks meer van levende kunstenaars, sterk lokaal bepaald.
Boeiend is het ten slotte de populariteit van individuele kunstenaars te volgen. Waren er in de zeventiende eeuw onder de meest voorkomende namen nog nu relatief onbekende meesters als Hendrik Staets, Coenraet van Schilperoort en Pieter de Neyn, van wie nu nauwelijks werk is aan te wijzen (iets wat overigens ook in het Delftse onderzoek bleek), in de achttiende eeuw treffen we dit verschijnsel niet meer aan. Deels hing de populariteit natuurlijk samen met de prijzen die het werk in de loop der tijden opbracht. Tegenpolen daarbij zijn Jan van Goyen - zowel in de zeventiende als in de achttiende eeuw aan de top, maar lage prijzen halend - en Gerrit Dou, die ondanks zijn grote roem door de hoge prijzen van zijn werk toch niet zo vaak voorkomt als men in Leiden zou verwachten.
Het beeld van de Leidse kunstverzamelingen vanaf het laatste kwart van de zestiende tot en met de achttiende eeuw is nog niet afgerond. Verschuivingen in belangstelling en in smaak vormen daarbij een belangrijk thema, maar de individuele verzamelaars - velen leden van het stedelijke patriciaat maar soms ook mensen met een geheel andere, onverwachte achtergrond - vormen daarbij toch de basis van waaruit een algemeen beeld eerst kan worden opgebouwd en leven ingeblazen.
Dr. C. Willemijn Fock

Johannes Janson (?), portret van de Leidse verzamelaar Paulus van Spijk temidden van zijn collectie, circa 1775, paneel 76,5 x 56 cm, in 1983 verworven door Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden