terug  begin  verderprepost
[p. 27]

Uit de Noordelijke Afdeling



illustratie

Geen revolutie te zien tijdproblemen en tijdsproblemen
naar aanleiding van Simon Vestdijks tweede Anton Wachter-serie

Op woensdagavond 13 november 1918 losten tijdens een linkse demonstratie in een Amsterdamse kazerne gelegerde cavaleristen een salvo op de menigte. Resultaat: vier of vijf doden en een aantal gewonden (volgens sommige bronnen: twintig).1 De wereldgeschiedenis en ook de vaderlandse geschiedenis (wat hetzelfde is) hebben de slachtoffers weinig aandacht waardig gekeurd. Scheffer spreekt van een ‘incident’ en maakt van (drie) doden en (zes) gewonden slechts melding in een citaat uit een dagboek.2 Troelstra, de omstreden held-van-de-maand, noemt het geval in zijn Gedenkschriften zelfs helemaal niet.3 Misschien omdat hij in die revolutiedagen te veel bezig was met zichzelf en zijn revolutionair echec of omdat de doden en gewonden niet behoorden tot zijn kudde, maar tot die van zijn concurrent-in-de-revolutie, David Wijnkoop. Het kan ook zijn dat zo'n handjevol er na de zevenhonderdduizend van Verdun en de miljoenen van de slachting 1914-1918 niet zoveel meer toe deed; meer een bedrijfsongeval. De ‘daders’ zijn bij mijn weten niet vervolgd, waarschijnlijk zelfs niet verhoord; de slachtoffers niet noemenswaard herdacht en met him namen alleen in de linkse pers vermeld; er werden buiten die kringen nauwelijks protesten gehoord. De oorlog was voorbij, de dienstplichtigen mochten naar huis, de broodrantsoenen werden verhoogd. Je vraagt je wel eventjes af, of die paar slachtoffers ook zo stilletjes en anoniem zouden zijn weggemoffeld, als ze bij voorbeeld in oktober 1981 of 1983 onder het oog van ònze media op het Museumplein of het Malieveld zouden zijn neergeknald. Maar dat is, zo terloops, meer een speelse gedachte.

Slechts één literaire weerslag is me van de gemelde gebeurtenis bekend. In de tamelijk onbekend gebleven sociaalhistorische roman De stenen doolhof van David de Jong jr. (1935, bij mijn weten nooit herdrukt) maakt de pas afgestudeerde arts Jerohme Peters van nabij de optocht en de schietpartij mee; hij voelt zich, ondanks zijn burgerlijke afkomst, duidelijk solidair met het beschoten proletariaat. Het is wat we vroeger een tendens-roman noemden.

 

Op een avond omstreeks het midden van diezelfde maand november 1918 moet in dezelfde Amsterdamse buurt rond het Frederiksplein een andere ‘literaire’ gebeurtenis hebben plaatsgehad. In De vrije vogel en zijn kooien, de tweede van S. Vestdijks tweede serie (Amsterdamse) Anton Wachterromans, wordt de met erotische bedoelingen ondernomen wandeling beschreven van de tweedejaarsstudent Anton Wachter met zijn vriend Max Mees. Nòg een speels gedachtetje: gesteld dat Simon Vestdijk, in dat jaar inderdaad tweedejaarsstudent in de medicijnen, als Anton Wachter vermomd, samen met zijn Lahringer (Harlinger) vriend Philip Zwanenburg in de gedaante van Max Mees, ècht op die woensdagavond 13 november op de meidenjacht zijn geweest - dan hadden ze in de buurt van het Frederiksplein de optocht kunnen kruisen waarin niet alleen Vestdijks misschien fictieve studiegenoot Jerohme Peters meeliep, maar aan het hoofd waarvan zich naast David Wijnkoop ook de revolutionaire dichteres Henriette Roland Holst bevond, aan de jonge, zelf dichtende medische student ongetwijfeld van naam bekend. Maar de twee optochten met zulke uiteenlopende doeleinden kruisten elkaar niet. Anton en Max ontmoetten bijna niemand. Geen revolutie te zien. De stad leek uitgestorven. Goed: een speelse speculatie. Maar ze kan ons brengen op het spoor van enkele literaire problemen (als men wil: probleempjes).

 

Twee dingen onmiddellijk toegegeven: a) erstaan in de vier boeken van Vestdijk helemaal geen jaartallen en geen data; b) je mag Anton Wachter en student Simon Vestdijk (en schrijver S. Vestdijk) niet klakkeloos aan elkaar gelijkstellen. Wat het laatste punt betreft voorlopig alleen dit: er is geen aanleiding tot volledige identificatie van schrijver en romanfiguur, maar ze geheel van elkaar loskoppelen is nu ook weer niet nodig. Wat het andere punt betreft: geen jaartallen, geen data. Maar wèl aanwijzingen. Daartoe moeten we de tijdsschikking van de Amsterdamse Anton Wachterromans globaal doorlopen en in verband daarmee de structurele opzet van deze cyclus. Zoals bekend bestaat de serie, evenals de eerste, uit vier delen. De verleiding is groot om hierbij te denken aan een klassieke symfonie, met het eerste en vierde (respectievelijk De beker van de min en De laatste kans) als de turbulente hoekdelen, het tweede (De vrije vogel en zijn kooien) als een dolkomisch scherzo voor twee zusters en een oververhitte minnaar en het derde (De rimpels van Esther Ornstein) als een elegisch liefdesadagio met tragische ondergrond - maar op dat alles valt best wat af te dingen. Vier romans van respectievelijk 286, 312, 315 en 306 bladzijden. Ieder van de vier telt drie delen met aparte betiteling. In totaal dus twaalf delen en die tellen weer allemaal vijf niet-getitelde hoofdstukken. Deze uiterst strenge, klassieke (of in dit geval eerder ‘barok’ te

[p. 28]

noemen?) indeling is het resultaat van een zeer bewuste, planmatige structurering.4

De vier romans nu beslaan Anton Wachters zeven studiejaren; de scharnierpunten zijn steeds de examens. Zo behandelt deel I het eerste studiejaar tot en met het propaedeutisch examen; deel II gaat tot en met het kandidaatsexamen (een tijdbestek van twee jaar); deel III tot en met het doctoraal (ook twee jaar); deel IV beslaat de twee jaar tot en met het artsexamen, waarbij het semi-arts iets voor het midden, omstreeks p. 115, valt. Het examen als roman-technische mijlpaal dus. Op p. 282 van deel III lezen we: ‘Een examen ìs ook een soort dood, want het sluit een levensperiode af...’ (Anton tegen Esther).

Maar er is meer dat deze externe structuur bepaalt: ieder van de examinatoire mijlpalen valt globaal gezien samen met de beëindiging van een liefde, zij het soms iets vertraagd. Het dinertje ten huize van Oom Moos en Tante Bertha, ter gelegenheid van Antons propaedeutisch, is de directe aanleiding tot de iets later door haar verbroken verloving met Tini Houtsma. Onmiddellijk na het kandidaats (einde deel II) zegt Anton zijn kamer bij de beminde zusters Melchior op (‘De kamer was dood’, p. 282) en iets later biecht hij zijn moeder de stormachtige relatie met Fietje op (die met zus Clasina wijselijk of slimmetjes achterwege latend), en dat is dan de voorbode van het einde, al zetten hij en Fietje hun liefdesrelatie als ‘amoureuze sneeuwhazen’ in het Vondelpark, in een scharrelhotel en elders nog enige tijd voort. Boek III eindigt met, in heel directe relatie, het doctoraal-examen en het verbreken van de belofte hem door Esther Ornstein gedaan, dat ze na zijn slagen met hem naar bed zou gaan. Het einde van boek IV ten slotte, de afsluiting van de studie, valt samen met het einde van Antons illusie aangaande Anna Heldering. Deze samenhang tussen studie en erotiek - waarbij als derde factor nog komt de gedurige domicilie-wisseling, nu maar terzijde te laten - is niet louter toeval. Op meer dan een plaats in de serie spreekt Vestdijk over de innerlijke samenhang tussen het kunnen studeren en het hebben van een erotische relatie.5

Dit alles dus - op zichzelf geen nieuws voor wie een beetje gevestdijkt heeft - nauwkeurig gepland, geadministreerd, gearrangeerd, en er kunnen bij nadere detailstudie best nog meer van die arrangementen voor de dag komen. Blijft het feit, dat er in de hele serie geen enkel jaartal voorkomt. Maar wel wordt er gesproken van kerstvakantie, warme meimaand, zomervakantie, lentedag, enzovoort. En uit al die vage, als het ware achteloos neergestrooide aanduidingen valt het chronologisch verloop met enige moeite glashelder af te leiden. Op bepaalde plaatsen staat bij voorbeeld: vier jaar na dat of dat, of twee jaar na die gebeurtenis van toen. Maar dàn vinden we op p. 276 van IV de opmerking: ‘Proust was dood, een jaar ongeveer’. De sterfdatum van Marcel Proust is 18 november 1922. In dat boek zijn we dan dus omstreeks eind 1923. Op p. 205 van hetzelfde boek wordt van een andere, minder bekende schrijver, Peter Altenberg, gezegd: ‘hij is geloof ik al een jaar of vier dood’. Laten we in deze citaten de vervagende aanduidingen (‘ongeveer’, ‘eer jaar of’, ‘geloof ik’) weg, dan komen we op het jaartal 1923, het begin daarvan (Altenberg stierf op 8 januari 1919). De afstudering van Anton Wachter als arts moet dan zomer 1924 zijn geweest. In oktober van zijn derde studiejaar wordt Anton eenentwin tig jaar - dat zou dan oktober 1919 zijn. Zijn studie is dus begonnen, net als die van Simon Vestdijk, in de herfst van 1917. In de maand november van het jaar 1918 waren dus zowel Simon Vestdijk als Anton Wachter tweedejaarsstudent. Misschien het meest ideale jaar voor het scharrelen. Maar in de roman van Anton Wachters tweede studiejaar komt niets voor dat ook maar enigszins verwijst naar de turbulente gebeurtenissen van juist die maand november 1918. De toestand van toen wordt door Scheffer aldus beschreven:

‘Hoewel er tegen het einde van de oorlog een half miljoen man onder de wapenen was, heerste er grote werkloosheid en was er veel armoede. De geallieerde blokkade en de Duitse duikbootoorlog hadden de Nederlandse handel nagenoeg tot stilstand gebracht, met als gevolg een ernstig tekort aan levensmiddelen. Weliswaar had de regering door middel van rantsoenering en distributie gepoogd tot een rechtvaardige verdeling te komen, maar kettinghandel, corruptie en smokkelarij tierden welig en het volk, vooral in de grote steden, leed honger. De gaslevering was ten gevolge van het gebrekaan kolen beperkt en mede door het huurbeleid, dat sociaal gezien verantwoord wasomdat de huurder nu tenminste enigermate werd beschermd, stagneerde de woningbouw en het euvel van de in- en samenwoning had ernstige vormen aangenomen. Het sterftecijfer, in 1913 nog 12,3 promille, was van 13,1 promille in 1917 opgelopen tot 17,1 promille in 1918, een stijging die ook verband hield met de Spaanse griep, die in 1918 in Nederland niet minder dan 17.400 slachtoffers maakte.’

Vestdijk moet van een en ander gehoord en geweten hebben, al zat hij nog zo beschermd in de cocon van zijn burgerlijk studentenbestaan. In zijn boek met herinneringen Gestalten tegenover mij6 vertelt hij dat zijn vader, de martiaal besnorde commandant van de Harlingse Vrijwillige Landstorm, betrokken was bij de gebeurtenissen en zelfs door de minister van Oorlog Bosboom gecomplimenteerd werd voor het ‘verspreiden met het plat van de klewang van opdringend Harlings gepeupel in de Troelstradagen’ (citaat van Vestdijk, niet van de minister7). Het wordt niet helemaal duidelijk of Bosboom de Vrijwillige Landstorm, een volgens Troelstra ‘min of meer fascistische organisatie’,8 als geheel complimenteerde, met inbegrip dus van vader Vestdijk (en indirect ook een beetje van de zoon, want die was in de jaren 1915-1917 eveneens een zij het niet zeer toegewijd en nog minder deskundig Harlinger Landstormer geweest) òf dat die gelukwens expliciet vader Vestdijk gold. Ook is niet duidelijk of Vestdijk met ‘Troelstradagen’ speciaal die roerige maand november op het oog heeft. Zo ja, dan maakt hij een kleine vergissing, want Bosboom was toen al ruim een jaar geen minister meer. In ieder geval moeten deze dingen onderwerp van huiselijk gesprek zijn geweest. Vestdijk senior wàs een maatschappelijk gericht mens. Rechts-geëngageerd, om zo te zeggen. Maar van dit alles niets in de Anton Wachterromans. Geen hongerrantsoen (integendeel: in de diverse pensions waar Anton bivakkeert, is het eten steeds goed tot uitstekend), geen Spaanse griep (maar wel heeft An ton in januari (1919)

[p. 29]

‘een ongecompliceerd, brandschoon griepje’ (II, p. 95)), geen Duitse keizer die ons land binnendringt, geen werklozen, geen muitende Harskampmilitairen, geen vredesklokken, geen rellen en doden in Amsterdam, geen demonstratie om de koningin op het Malieveld. Er worden geen kranten gelezen en geen oorlogs- of vredesbulletins. Het is natuurlijk onjuist ervan uit te gaan, dat het alter ego van de op de november-scharreljacht gaande Anton van dit alles helemaal niets gemerkt heeft. Niemand kon van dat alles helemaal niets merken. Een andere vraag is, of het hem hevig interesseerde, hem echt bezighield. Niet bovenmate, zullen we maar zeggen, zijn gehele oeuvre globaal overziende. In ieder geval: toen hij in de winter van 1944 op 1945 zijn aantekeningen voor de tweede reeks Anton Wachters op papier zette, drong zich wel de herinnering aan allerlei mensen (professoren, assistenten, medestudenten en geliefdes) levendig op, maar niet het sociaal-politieke klimaat dat daar als Umwelt omheen stond. In het arrangement dat hij in de jaren 1956, 1957 en 1958 van die aantekeningen9 maakte, waarbij hij dus materiaal uit zijn leven en uit zijn naaste omgeving tot de jenever van de roman omstookte, was voor die Umwelt geen plaats. Geen aandacht voor wat ik in de ondertitel van dit stuk ‘tijdsproblemen’ heb genoemd. De reden of oorzaak? Du Perron heeft al in zijn essay Over Vestdijk in Groot Nederland van december 1935 over wie toen de coming man van de Nederlandse letterkunde was, opgemerkt, dat hij een ‘mens naast de samenleving’ was, ‘over het algemeen teruggetrokken en bijna mensenschuw, merkbaar gepreokkupeerd met zichzelf of met de werelden waarin dit zelf rondzwierf’. 10 Nu valt op dat beeld, Du Perron geeft het ook zelf toe, wel wat af te dingen. Ik herinner aan de aandacht voor de nazi-barbarij in Else Böhler, Duitsch dienstmeisje (1935), aan het Grafschrift op de vermoorde Marinus van der Lubbe (in Forum, februari 1934),11 aan de (overigens nogal abstract gebleven) lezing Kunstenaar en oorlogspsychologie (1937). En wie bij voorbeeld rondneust in de gedichtencahiers uit de jaren 1930-1933, gedichten waarvan ruwweg de helft niet in de bundels en dus niet in de Verzamelde gedichten is opgenomen, vindt toch hier en daar kleine, bijna terloopse aanduidingen over tijdsproblemen als werkloosheid, crisis, opkomend nazisme. De verleiding is te groot en ik citeer:

De geschiedenis van Ahlstadt.
 
Achthonderd zestien: twee roofridders stichtten
 
Een sterken toren aan den linkerkant
 
Der Ahl; die werd na twee jaar weer verbrand
 
Door 'n Saksenstam. - Om valken af te richten
 
 
 
Bouwde toen Everhard de Bult een stand-
 
Plaats voor de reiger (Naar de berichten
 
Verwaarloosde hij staats- en huw'lijksplichten).
 
In negen honderd is 't weer afgebrand.
 
 
 
In zestienhonderdtwintig; roof en moord;
 
De Zweden knoopten burgers hoog aan 't koord!
 
Zeventienhonderd kwam het aan Hannover.
 
 
 
In achttienhonderd vijf schreef Goethe hier
 
Eén epigram. Bij pullen donker bier
 
Zitten heil Hitlers Zondag's onder 't loover.12

Duitsland in een notedop! Het is dus niet zo, dat Vestdijk in een volslagen maatschappelijk luchtledig leefde vóór Wereldoorlog II hem daaraan met gijzeling en strafgevangenis ontrukte. De verklaring van Du Perron verklaart wel iets, maar niet alles, niet voldoende. Er is ten aanzien van de onderhavige romanserie waarschijnlijk méér aanleiding om de abstrahering van tijdsproblemen te beschouwen als een kwestie van arrangement en van wijze of, als men wil, onterechte zelfbeperking. Zelfbeperking dan in meer dan één zin: het niet te gecompliceerd maken van de romaninhoud, het zich niet al te veel begeven op minder vertrouwd terrein èn het niet te veel laten uitdijen van de cyclus. Geen Proustiaanse eindeloosheid!

Een derde mogelijke verklaring: dat hij zijn boeken niet in de afzet heeft willen beperken door ze qua inhoud te gedateerd te maken, telt bij mij niet zo zwaar, al kan ze wel meegespeeld hebben. Het is een niet onbekend, maar toch wel merkwaardig feit, dat Vestdijk in zijn contemporaine romans, heel anders dan in de historische, met inbegrip van Pastorale 1943, maar dat is een speciaal geval, in het algemeen uiterst weinig tijds-aanknopingspunten geeft. Romans als Een huisbewaarder uit 1967 (biografisch te herleiden tot gebeurtenissen uit begin 1932), De onmogelijke moord (1966) en De filmheld en het gidsmeisje (1968) - ik doe maar een willekeurige greep - kunnen wat hun inhoud betreft net zo goed in 1925 als in 1975 spelen: het enige aanknopingspunt is bij voorbeeld de aanwezigheid van auto's of radiotoestellen en eventueel het ontbreken van dingen als televisie; en soms zelfs dat niet. Alleen diegene die zich herinnert in welk jaar de schlager Oh, mein Papa op de hitlijst stond, krijgt in De filmheld en het gidsmeisje een klein balletje toegespeeld. Als er iemand in deze romans een krant leest (wat de sujetten overigens zelden doen), is het nooit een bepaalde krant. De romanfiguren hebben geen politieke of kerkelijke achtergrond.

Anders dan El Greco debatteren of praten ze niet over actuele dingen van de dag. En anders dan Proust had Vestdijk geen Dreyfusaffaire die gedurig op de achtergrond kon spoken.

En het is met die zaken in het algemeen voor een romanschrijver uitkijken geblazen. Welke twintigjarige van nu kent nog termen als Damslapers, nozems, regentenmentaliteit, het Lieverdje, establishment? In 1968 schreef ik in een roman over de auto merk Renault-5als ‘de lelijkste auto die God geschapen heeft’. Bij een letterlijke herdruk zal deze passage een onbedoelde smet werpen op de Franse auto-industrie, want wat nù als Renault-5 op aarde rondrijdt is, als ik zo blasfemisch mag blijven, een lief pronkjuweeltje uit Gods hand. En het lees-boek als wat tè gedateerde handelswaar wil ik als argument, zeker bij, het zij met alle verschuldigde eerbied gezegd, een ‘broodschrijver’ als Vestdijk was (zichzelf ook wel noemde), beslist niet uitschakelen. Maar er kan ook erkend worden, dat zijn politiek-maatschappelijke belangstelling niet groot en zeker niet primair was. Het blijkt ook uit zijn gesprekken met Theun de Vries.13 Dat hij PvdA stemde schijnt dan ook louter en alleen geweest te zijn omdat hij de grootste niet-roomse partij wilde steunen.

Toch denk ik bij het gesignaleerde verschijnsel in hoofdzaak aan een kwestie van arrangement, van bewuste selec-

[p. 30]



illustratie
Eigendom van Nol Gregoor

[p. 31]

tie, van romantechnische abstrahering. En dat brengt ons van de tijdsproblemen weer naar wat ik zou willen noemen de tijd-problemen van deze romanserie.

Het is bekend dat Vestdijk zelf, op het voorbeeld van Proust, zijn Anton Wachters zag als een reeks autobiografische werken. Tegen Theun de Vries zei hij in 1967: ‘Ik had pas de hele Recherche gelezen, en ben toen meteen daarop aan mijn eigen “autobiografie” begonnen.’13 Het zal wel een tikje ironisch bedoeld zijn. Tussen de termen autobiografie, autobiografische roman, roman gebouwd op autobiografische gegevens en roman waarin ook autobiografische gegevens zijn verwerkt, ligt een heel scala van overgangen en tussenstadia. Bovendien kan het ‘autobiografische’ betrekking hebben op beleefde feiten, maar ook op doorleefde meningen en gevoelens, en op elementen van karakterstructuur. In een interview uit 1957 heeft Vestdijk gezegd, dat hij voor negentig procent Anton Wachter is.14 In zijn algemeenheid zegt dat natuurlijk niet zo veel, zolang het niet nader is gepreciseerd. Op grond van vergelijking met de genoemde voorbereidende aantekeningen mogen we ondertussen aannemen dat veel van de gebeurtenissen wel authentiek zijn, maar dat die feiten vaak zijn onderworpen aan een grootscheeps arrangement, dat waarschijnlijk niet alleen van romantechnische, maar ook soms van psychologische aard is. Uit de eerste serie, de Lahringer romans, is een bekend en zeer sprekend voorbeeld te noemen van abstrahering met romantechnische, maar ook psychologische ondergrond: het merkwaardige feit dat de schrijver Antons vader laat doodgaan, terwijl Vestdijk senior in werkelijkheid tot 1944 heeft geleefd. Een kwestie van arrangement: het maakte de zaak eenvoudiger, minder gecompliceerd, schakelde een dominante figuur uit en gaf meer ruimte aan wat je zou kunnen noemen de moederlijke nestwarmte, het tussen-vrouwen-motief.15 In de tweede serie kunnen we iets dergelijks zeggen ten aanzien van het weglaten van biografisch zeer belangrijke en oorspronkelijk ook voor gebruik bestemde bestanddelen. De figuur van Helena Burgers, met wie hij in 1924 kennismaakte, die door hem zeer bewonderd werd en die hem in wijdde onder andere in de geheimen van de astrologie, een duidelijke mentrix dus, ontbreekt in de romans geheel. Datzelfde geldt voor zijn medestudent en artistiek begaafde vriend Mick (Michel Louis) de Vries, die hij in zijn aantekeningen noemt: ‘Mijn mentor, magiër, gangmaker’. Hij had Mick in 1925 op college leren kennen en hem bewonderd om zijn bohémiense levensstijl. Met hem heeft Vestdijk een jarenlange briefwisseling onderhouden, waarvan helaas alleen de wonderlijke, door Van Looij's Zebedeüs beïnvloede epistels van Mick en op een paar na niet die van zijn tegenschrijver bewaard zijn gebleven; ze schreeuwen om een uitgave. Zowel Helena Burgers als Mick de Vries zijn, dat blijkt uit de aantekeningen, bedoeld geweest als figuren voor ‘de roman’.16 We vinden Mick overigens wel, maar sterk gereduceerd, terug als Jaap Wevers in Heden ik, morgen gij, de roman in brieven die Marsman en Vestdijk in 1936 publiceerden, en ook een beetje als Barioni in de novelle Peter en Barioni uit 1935.

In verband met de weglating van Helena Burgers zal dan weer staan het ontbreken van de astrologie in de romans. Maar de gròte afwezige is het verschijnsel depressie, dat in Vestdijks leven een enorme rol heeft gespeeld, maar in de beide Anton Wachterseries niet voorkomt, - Vestdijk heeft zelf toegegeven dat dit weglaten ernstig tekortdoet aan het autobiografische. De beschrijving van zijn leven met depressies is blijven steken in de niet voltooide, maar wel gepubliceerde roman De persconferentie (1973). Weglating van zeer wezenlijke elementen dus, die het ‘voor negentig procent autobiografisch’ toch wel wat dubieus maken. Alsof de rol van personen en van verschijnselen als astrologie en depressiviteit in iemands leven meetbaar zou zijn!

Maar ook het omgekeerde doet zich voor: een biografisch niet zo belangrijk feit groeit uit tot een grote en belangrijke roman-episode. Dat is bij voorbeeld het geval geweest met de figuur van Esther Ornstein. Voor mij is de Esther Ornstein-story in deel III het kwalitatieve hoogtepunt van de gehele serie. Maar de biografische aanleiding is, ook psychologisch-amoristisch, vrij onbetekenend geweest, als men afgaat op de summiere notities die Vestdijk in zijn aantekencahiers wijdde aan de verpleegster Rebecca Polk, die voor Esther model stond. Het lijkt me niet onmogelijk, dat Vestdijk haar vooral heeft gebruikt om zijn preoccupatie met de joodse mensen in zijn Amsterdamse omgeving gestalte te geven. Daarin is hij dan buitengewoon goed geslaagd.

Naast de weglatingen en de uitbreidingen van autobiografische gegevens is er nog een derde categorie van afwijkingen van de realiteit, die men verschuivingen zou kunnen noemen. Daarbij kan men in de eerste plaats de verandering van studieduur noemen. Anton Wachter studeerde af in zeven jaar, maar Simon Vestdijk zelf deed er tien jaar over. De oorzaak daarvan was niet, uiteraard, dat hij een matig intellect of een slecht student zou zijn geweest (hoewel hij Anton wel erg met het fenomeen studeren laat tobben en hem, in de handvaardigheden die het vak eist, als erg onhandig afschildert), maar lag enerzijds in de tijdrovende depressies, anderzijds in bepaalde aarzelingen betreffende de zin van zijn studie, misschien minder de studie zelf dan wel datgene wat men met die studie zou moeten bereiken: het genezen van zogenaamde zieke mensen. Hij heeft ondertussen muziek gestudeerd bij zijn neef Herman Mulder en herhaaldelijk gespeeld met de gedachte musicus, dirigent of componist te worden. Zelfs heeft hij, in de tijd van Helena Burgers, even de mogelijkheid overwogen om boer te gaan worden: op de boerderij van Helena's broer Pim, in Wolfheze, hield hij zich een tijdje bezig met houtjes hakken en onkruid wieden16a - voor andere landbouwwerkzaamheden blijken zijn handen verkeerd te staan; hij besluit dan, de medische studie toch maar af te maken. Ondertussen had ook het schrijven, het lezen, het musiceren en niet te vergeten het beoefenen van en het schrijven over astrologie (veertien artikelen en een studie over Gustav Mahler) de nodige tijd gekost, zodat een studie van tien jaar voor een zo veelomvattend mens waarlijk niet te lang mag heten. Maar het zijn juist al die dingen die we in de romans òf niet òf sterk gereduceerd terugvinden. Zo werden de tien biografische jaren tot zeven herleid, en dat bracht weer mee, dat sommige dingen helemaal niet meer bruikbaar waren, bij voorbeeld het uit de aantekeningen blijkende plan om de bekende Amster-

[p. 32]

damse moordtragedie Pisuisse uit november 1927 te verwerken. Andere dingen moesten daardoor aanzienlijk verschoven worden, zodat de werkelijkheid langs romantechnische weg geweld werd aangedaan. Slechts enkele voorbeelden uit vele. De vriendschap met de geniale dilettant Bob Hanf (in het boek Bob Neumann), die dateerde uit 1927, werd in het kader van de tijdsinkrimping verschoven naar wat volgens berekening in de roman 1924 is. Ook Bob Hanf, als Mick de Vries een jongeman van joodsen huize, die zoveel kon (vioolspelen, componeren, schilderen, schrijven, dichten) dat hij eigenlijk ‘niets’ werd en die zijn leven in 1944 in Auschwitz zou eindigen, was voor Vestdijk een mentor. Men zou kunnen zeggen dat Hanf het ten slotte romantechnisch van De Vries heeft gewonnen. De beschrijving die Vestdijk in deel IV van Hanf geeft, is een zeer gelijkend en zeer boeiend portret. Ik kan verder verwijzen naar het aan hem gewijde boekje van Toke van Helmond.17 Maar door de ‘vervroegde’ kennismaking met Hanf is ook de kennismaking met het werk van Proust, die via Hanf plaats had, in het boek enkele jaren ‘te vroeg’ gedateerd. Hetzelfde geldt voor de kennismaking met Rilke. Volgens Vestdijk zelf, in zijn studie Rilke als barokkunstenaar uit 1937,18 had deze voor hem zo beslissende kennismaking plaats in 1927, maar in de romanserie houdt Anton zich al in de herfst van 1921, dus zes jaar eerder, met de Duitse meester bezig. Een curieus voorbeeld van feitenverplaatsing is ook het volgende: in oktober 1918 bezocht Anton Wachter met een studievriend een lezing in Amsterdam van de door hem zeer bewonderde Duitse schrijver Hanns Heinz Ewers. Maar volgens de door mij geraadpleegde bronnen bevond deze Ewers zich van 1914 tot en met 1921 in de Verenigde Staten, waar hij als Duitser geïnterneerd was (geweest): ook hier moet dus een historische verschuiving in het spel zijn.

En zo is er meer dat ‘niet klopt’, anders gezegd: dat gearrangeerd, als men wil gemanipuleerdis. Of dat ook het geval is met gebeurtenissen die verband houden met het Amsterdamse ‘Concertgebouw’, valt zonder veel speurwerk moeilijk na te gaan. Maar de feitelijke gegevens over de door Anton Wachter bezochte concerten zijn vaag en summier en moeilijk te verifiëren. Er is sprake van de Negende en de Vierde Symfonie van Mahler, de laatste op één concert gecombineerd met de Eerste van Schumann en een ouverture van Beethoven. Men ontmoet de Symphonie espagnole van Lalo en nog het een en ander. Maar de naam Willem Mengelberg komt nergens voor, al blijkt uit de genoemde aantekeningen, dat hij wel degelijk van plan is geweest ‘Alles rondom concertgebouw’ in het boek op te nemen: ‘Mengelberg, Schäfer, Strawinsky, Dopper, H. Bosmans, Schmuller, etc.’19

Het is er niet van gekomen. En van Vestdijks historisch vaststaand bezoek aan de Mahler-feesten van 1920 is evenmin een spoor te vinden. Ook hier: weglating, vereenvoudiging, of als men wil: functionele uitdunning.

 

Ongemerkt zijn we van de tijdproblemen weer in de tijdsprobiemen terechtgekomen. Geen wonder, want tussen deze twee bestaat een duidelijk verband. Het tijdprobleem, zoals dat zich manifesteerde in de terugbrenging van tien studiejaren tot zeven, noodzaakte tot reductie of supprimering van belangrijke tijdsverschijnselen, tot vervaging van tijdaanduidingen en dit noodzaakte soms weer tot hergroepering van feiten.

Zo zijn de diverse domicilies waar Simon Vestdijk zich als student achtereenvolgens ophield, wel allemaal in de romans terug te vinden, maar, zoals Hans Visser al constateerde in zijn artikelen over de Amsterdamse Anton Wachterromans,20 in een andere volgorde. En dat bracht dan ook weer hergroepering in de liefdesfeiten met zich mee. Het verblijf van Vestdijk in het huis van de gezusters Van Eldik aan de Overtoom had in werkelijkheid plaats van 26 oktober 1921 tot 27 november 1925, ruim vier jaar lang dus. Maar in de roman is Antons verblijf bij de Melchior Sisters vervroegd èn ingedikt van februari 1919 tot voorzomer 1920, dus tot nog geen anderhalf jaar. Deze ruimte schiep de mogelijkheid om Fietje en Clasina plaats te laten maken voor vele, vele anderen, waaronder Esther Ornstein en Anna Heldering (Rebecca Polk en Joukje Appeldoorn) de belangrijkste zijn. En dat alles dan, zoals we zagen, in nauwe samenhang met examen perikelen en -triomfen. Een nauwgezet onderzoek van al deze elementen en hun onderlinge samenhang zal inzicht kunnen geven in de ontstaansgeschiedenis van een van Nederlands meest curieuze romanseries.

Nog één onderwerp wil ik uit dit geheel lichten voor nadere adstructie. We zagen al, dat Vestdijk zijn (dat wil zeggen Anton Wachters) kennismaking met Proust en Rilke aanmerkelijk vervroegde, Nu is de Amsterdamse Anton Wachterserie naast een leerschool van de liefde21 en een stuk studenten-en-professoren-Amsterdam20 ook een soort Bildungsroman, waaruit de ontwikkeling van Anton Wachter alias Simon Vestdijk tot intellectueel, tot schrijver en lezer (criticus) af te lezen valt. Maar ook in dit opzicht is voorzichtigheid geboden. Wie uit de romans zou afleiden (maar dat mag natuurlijk nooit, hoe groot de verleiding ook is), dat Vestdijks poëzie-debuut in een literair tijdschrift zomer 1922 heeft plaatsgehad en door bemiddeling van Rebecca Polk (Esther Ornstein), vergist zich. Het debuut-gedicht Riem-zonder-eind stond bijna vier jaar later, namelijk in januari 1926, in De Vrije Bladen, en dat was vrij zeker door bemiddeling van Helena Burgers. En wie op dezelfde wijze zou menen dat de Negen jeugdverhalen22 zijn geschreven in juli en augustus 1919, zoals uit De vrije vogel en zijn kooien (p. 206) zou kunnen worden opgemaakt, is er eveneens naast. Volgens het nawoord van Maarten 't Hart zijn ze ontstaan nà 3 augustus 1922. En Vestdijks medestudent, de latere hoogleraar A. Querido stelt het doorgeven van het handschrift aan zijn vader, de uitgever, zelfs nog later.23 Ook hier dus een verschuiving naar voren van drie jaar of meer. Je zou haast geneigd zijn te veronderstellen dat Vestdijk bewust of onbewust (het laatste geef ik de meeste kans) zijn betrekkelijke laatrijpheid als schrijver een beetje heeft willen ‘inhalen’ of camoufleren. In ieder geval is hij in deze opzichten, al of niet in bewuste samenhang met zijn arrangement als romancier, een niet al te beste chroniqueur van zijn eigen Ieven. Negentig procent autobiografie of niet - het zou een grove fout zijn, uit de boeken tot het leven te herleiden. Maar deze waarschuwing is anno 1984 natuurlijk overbodig.

Anne Wadman

[p. 33]

(Samenvatting van de lezing, gehouden te Groningen voor de Noordelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op 29 januari 1983.)

1Cijfers lopen nogal uiteen; sommige bronnen noemen twee of drie doden; ik bereid met de historicus Albert van der Meer een studie voor over wat er op die november-avond in Amsterdam precies gebeurd is.
2H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging. 2e druk, Amsterdam 1971, p. 154.
3Hij vermeldt in Gedenkschriften (deel IV, p. 170) wel de soldatenrellen in de Harskamp ‘waarbij zelfs enkele dooden te betreuren waren’; volgens Scheffer, op. cit. p. 19, werd daar bij het schieten ‘niemand getroffen’; het is mogelijk dat Troelstra beide gebeurtenissen door elkaar haalt. Het Amsterdamse ‘incident’ wordt wel besproken door Troelstra's meer rechtse partijgenoot W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. III (1938), p. 436.
4Citaten naar de le druk; kortheidshalve worden de titels verder vervangen door de aanduidingen I, II, III en IV.
5I, p. 180: ‘hij zou niet verder kunnen studeren, als hij geen meisje had!’, II, p. 159 (over de tegenstelling tussen meisje (Fietje) en werk): ‘Dat was zoiets als de noordpool en de zuidpool, en die hielden elkaar in evenwicht, en de bol kon draaien’, IV, p. 269 (over Anna Heldering): ‘dit meisje, dat hem gezonden was om hem een levensperiode te helpen afsluiten’.
6op.cit. pp. 18-19.
7Gestalten tegenover mij (1961), p. 12.
8Gedenkschriften IV, p. 238.
9Diverse cahiers met aantekeningen en observaties in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag.
10citaat: p.562.
11Niet herdrukt in de vooroorlogse bundels; Verzamelde gedichten III, p. 338.
12Kladcahier VII (bezit van Nol Gregoor); datering 24 febr. 1933; in de eerste lezing staat in plaats van ‘heil Hitlers’: ‘de nazi's’. Er ligt een Ahlsladt in het noorden van Beieren, niet ver van Coburg.
13Theun de Vries, Hernomen konfrontatie met S. Vestdijk (1968), citaat p. 82.
13Theun de Vries, Hernomen konfrontatie met S. Vestdijk (1968), citaat p. 82.
14In: De Boekenkorf, juli 1957, geciteerd door J. Visser in: Vestdijk-kroniek nr. 7 (maart 1975), p. 23.
15Hierover ook Nol Gregoor, Simon Vestdijk en Lahringen (1958), p. 69 vv.
16Hetzelfde geldt voor Slauerhoff. J.G. Kooij wees er in Raster 1968, p. 379, al op hoe weinig van studie- en vakgenoot Slauerhoff in de romans is terechtgekomen; hij schrijft dit toe aan Vestdijks discretie. Die discretie gold dan drie jaar na De laatste kans niet meer, want in 1961 schreef Vestdijk in Gestalten tegenover mij tamelijk scherp over hem.
16aZie afb. 2 in S. Vestdijk. [Vierde, geheel herziene en uitgebreide druk.] 's-Gravenhage 1983. (Schrijvers prentenboek. 2.)
17Bob Hanf 1894-1944 (1982). Van Helmond ziet in Jaap Wevers uit Heden ik, morgen gij ten onrechte meer Bob Hanf als model en noemt Mick de Vries niet; de authentieke briefwisseling Marsman-Vestdijk uit 1934-1935 geeft hier duidelijkheid over; de publikatie ervan in de romanuitgave van 1947 is onvolledig en onnoemelijk slordig.
18Eerst als cahier in: De Vrije Bladen (1938), later in: Lier en lancet (in uitg. 1976 p. 92).
19Los blaadje in een der in noot (9) genoemde cahiers.
20Vestdijk-kroniek nr. 25 (sept. 1979), p. 55; Vestdijk-kroniek nr. 7 (maart 1975), daar ook over de domicilies (p. 35 vv.).
21J.G. Kooij in: Raster 1968, p. 383 vv.; R. Marres, Over Terug tot Ina Damman en de andere Anton Wachter romans van Simon Vestdijk (1981), pp. 76-125.
20Vestdijk-kroniek nr. 25 (sept. 1979), p. 55; Vestdijk-kroniek nr. 7 (maart 1975), daar ook over de domicilies (p. 35 vv.).
22[Amsterdam,] Cornamona pers, 1981.
23Brief van prof. dr. A. Querido aan J. Visser (24 oktober 1974).
prepostterug  begin  verder