
Nicolaus Godefriedus van Kampen
J.G.
In zijn onvoltooid gebleven levensschets van Jacob Geel bestempelde R.C. Bakhuizen van den Brink de periode 1830-1840 als ‘eene vruchtbare decade’, waarin de besten onder de studenten ‘een oog van eerbied en genegenheid’ gevestigd hadden ‘op een drietal hoogleeraren, die onderling innig verbonden, slechts voor elkander schenen te leven, maar wier driemanschap zich in onverpoosde werkzaamheid voor de belangen der Akademie kenmerkte en een meer gevoelden dan begrepen invloed op de studentenwereld uitoefende. Het driemanschap bestond uit Hamaker, Bake en Geel. Men zeide dat de goede van Kampen, destijds naar Amsterdam verplaatst, er ook tot die gemeenschap behoord had, en dat zijne herinnering er nog honoris causa toe behoorde’.1
Nicolaas Godfried van Kampen (1776-1839) was in 1815 benoemd tot lector in de ‘Hoogduitsche Taal- en Letterkunde’ aan de Leidse hogeschool, een functie die hij vanaf 1823 verenigde met een betrekking als leraar aan het instituut Noorthey te Voorschoten. In
1829 werd hij hoogleraar in de ‘Nederduitsche Taal- en Letterkunde en de Vaderlandsche Geschiedenis’ aan het Athenaeum te Amsterdam, een benoeming die hij vooral te danken had aan zijn enorme produktiviteit: zijn bibliografie omvat tientallen werken over de meest uiteenlopende onderwerpen, vooral op het gebied der letterkunde en geschiedenis.2
Nicolaas Beets heeft ons een aardige beschrijving van Van Kampen nagelaten. Op 18 juli 1835 bezocht hij de geleerde te Bloemendaal, waar deze de zomer doorbracht. Beets noteerde in zijn dagboek: ‘Lieve hemel, wat is die H.G. toch afgrijselijk leelijk. Een groote leeuwenkop (zoo als gij er in steenen palen uitgehouwen ziet,) met gekrulde manen. Groove neus, groote mond, vuile tanden. Het geheele aangezicht groezelig. Flauw lichtblauwe oogen. Scheeve nek. Het hoofd overzij. De geheele gestalte naar de schrijftafel vergroeid. Zijn conversatie is belangrijk; maar hij spreekt over alles tegelijk. - Undefatigable on all things, except washing.’3 Op 7 januari 1836 typeerde Beets hem nog eens als ‘Neerlands groote veelschrijver, de bevallige Van Kampen.’4
Het door Geel geschreven afscheidsgedicht, dat hier voor het eerst in extenso wordt gepubliceerd,5 heeft te maken met Van Kampens vertrek naar Amsterdam. Deze had in Leiden actief deelgenomen aan het culturele leven. Hij was lid van het leesgezelschap Miscens Utile Dulce, hij las Spaans en Italiaans met Hamaker en Geel, en bezocht ook regelmatig de vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.6 Uit het gedicht kan men opmaken, dat de partij te Lisse plaatsvond; vermoedelijk in logement De Zwaan, waar ook promotiediners en vergaderingen van de Maatschappij werden gehouden. Tevens wordt er door Geel gezinspeeld op een huwelijk van de dochter; de twintigjarige Maria Johanna van Kampen was op 5 november 1829 in het huwelijk getreden met Cornelis Tiele, een vierendertigjarige boekhandelaar. De trouwakte op het Gemeentearchief te Leiden vermeldt als beroep van de vader van de bruid: ‘benoemd Professor in de Nederduitsche Letterkunde en geschiedenis aan het Athenaeum te Amsterdam’. Uit deze bron weten we ook dat de familie Van Kampen op Rapenburg 123 woonde, niet ver dus van Geel, die tot 1835 kamers huurde op Rapenburg 95. Voordien had Van Kampen als bibliothecaris van de Bibliotheca Thysiana op Rapenburg 25 gewoond - daar woonde hij althans in 1818.
Kort na dit samenzijn te Lisse zal Van Kampen naar de hoofdstad vertrokken zijn; op 30 november 1829 aanvaardde hij zijn ambt met een oratie, getiteld Redevoering over den geest der Nederlandsche letterkunde vergeleken met die van andere volken.7
Peter van Zonneveld