terug  begin  verderprepost

‘De wech ter begeerder stede.’ Rondom het speurwerk naar de grammaticus uit 1568

‘Al is't nu so dat de reysiger den wech ingaet die hem geraden wordt duer 't beweghen van sulken raet, nochtans en sal hem de wech ter begeerder stede niet bringen omdat het de man gheseyt heeft, maer mits dat de wech bij sijn eyghendom gewisselijken derwaerts leydt...’

(Johan Radermacher: Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste.)

[p. 30]



illustratie

[p. 31]

In 1849 ontdekte de Leidse geleerde J.T. Bodel Nijenhuis in het kasteel Popkensburg op Walcheren een gedateerd handschrift (1568) dat de aanzet bevatte tot de oudstbekende Nederlandse grammatica. Deze grammatica vormde slechts een klein deel van de ontdekte tekst. Veel uitvoeriger was de inleiding die eraan voorafging; hierin kwam de auteur met allerlei interessante observaties over kindertaal, over het Nederlands van buitenlanders en over het ‘buitenlands’ van Nederlanders. Merkwaardigerwijze stonden in deze inleiding ook tal van opmerkingen, gewijd aan de uitspraak en spelling van het Engels.

Bodel Nijenhuis maakte van zijn ontdekking een afschrift dat hij in oktober van hetzelfde jaar aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schonk (Ltk. 15). Pas in 1919 zou de Utrechtse hoogleraar J.W. Muller de tekst van het handschrift uitgeven. Hij moest zich hierbij verlaten op het afschrift van Bodel Nijenhuis, want het oorspronkelijke handschrift was inmiddels zoek geraakt. Muller, die zich baseerde op het taalgebruik van de auteur, voelde er veel voor om het auteurschap aan D.V. Coornhert of aan een rederijker uit diens omgeving toe te kennen. Hij meende ook dat het handschrift dat ten grondslag had gelegen aan Bodel Nijenhuis' afschrift, niet de originele tekst kon zijn geweest, maar een afschrift van iemand die zijn Nederlands slecht beheerste.

In 1975 werd op het kasteel Ter Hooge (van de familie Van Lynden), gelegen tussen Koudekerke en Middelburg, een muur doorgebroken. Achter die muur kwam een map te voorschijn met onder meer het handschrift dat Bodel Nijenhuis in 1849 in handen had gehad. Nadere studie van dit origineel - sinds kort bekend als het handschrift Van Lynden - bracht aan het licht dat het een klad was van de auteur zelf. De mogelijkheid lag nu open om door onderlinge vergelijking van handschriften uit dezelfde tijd de auteur ervan op te sporen. Dit is gelukt: de auteur is niet Coornhert, maar Johan Radermacher (Aken, 1538 - Middelburg, 1617), een geleerde koopman in Londen uit de Antwerpse kring rond Abraham Ortelius en Christoffel Plantijn.

De volledige tekst van het handschrift zal met een tekstverklaring, een uitvoerige inleiding en de nodige illustraties worden gepubliceerd in Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, dat, naar wordt verwacht, nog dit jaar zal verschijnen. Daarna zal deze uitgave in de vorm van een overdruk verkrijgbaar zijn.

 

In december 1980 werd de administratie van de Vakgroep Nederlands te Leiden telefonisch benaderd met de vraag of er bij ons iemand thuis was in de letterkunde van de zestiende eeuw. Door de telefoon begreep ik dat het ging om een handschrift in privé-bezit. Mijn ervaringen met privé-bezitters waren op dat moment niet gunstig. Ik werd juist in die periode geconfronteerd met allerlei gerommel rond het handschrift van de zeventiende-eeuwse, Bredase rederijker Dingman Beens (inmiddels gelukkig in het bezit van de Maatschappij) zodat ik op dat moment nogal op scherp stond. De afspraak werd voornamelijk uit neerlandistiek plichtsbesef gemaakt. Indien het immers om zestiende-eeuwse rederijkerspoëzie zou blijken te gaan, kon ik nog altijd mijn Amsterdamse collega's er blij mee maken, was de gedachte.

Het ging allemaal anders dan ik op grond van het telefoongesprek en op grond van eerdere, negatieve ervaringen met privé-bezitters had verwacht. Op de afspraak verschenen twee uiterst beminnelijke vrouwen die het in een plastic boodschappentasje meegebrachte handschrift eigenhandig hadden getranscribeerd. Het waren A.M. barones van Lynden-de Bruïne en mevrouw mr. C.A. Binnerts-Kluyver die vol vuur vertelden over een muur die in 1975 was doorgebroken, waarachter een kist was gevonden met een deel van een familie-archief. Zij hadden eigenhandig de tekst getranscribeerd en waren gefascineerd geraakt door de inhoud ervan en nu waren ze benieuwd of dit geschrift aan neerlandici bekend was. Het geschrift was getiteld: Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste. Anno 1568 geschreven. Het bleek geen geschrift van letterkundige, maar van taalkundige aard te zijn.

Indachtig de door de minister opgelegde promotiedruk, stelde ik mijn bezoeksters voor dat ik hen slechts zou ‘begeleiden’ en dat het feitelijke onderzoek voor hun rekening zou zijn. Dit voorstel bleek in goede aarde te vallen. Vervolgens raadde ik hun gelukkig de juiste, secundaire literatuur aan, zodat we bij de volgende bijeenkomst al wisten dat we hier met een aan Coornhert toegeschreven grammatica te maken hadden, die al in 1919 in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde was uitgegeven. Gedurende de volgende bijeenkomsten werd deze gepubliceerde tekst die door de dames nauwkeurig werd vergeleken met het origineel, grondig besproken. Daarna vergeleken zij de hand met die van een Brusselse autograaf van Coornhert (wat later door mij voor de zekerheid nog eens werd overgedaan) en zij raadpleegden tal van deskundigen in den lande, wat hun zeer veel genoegen schonk, niet in het minst omdat een paus op het gebied van de paleografie hun toevoegde dat als neerlandici vonden dat het handschrift van Coornhert was, zij dat dan maar beter ook konden geloven. Toch kwam hun hele wereld op losse schroeven te staan. Dit zou trouwens ook anderen overkomen die met dit handschrift en met de resultaten van de bestudering ervan te maken zouden krijgen. Eén iets stond uiteindelijk toch vast: het handschrift was een klad, want de vele doorhalingen waren niet zozeer correcties van verschrijvingen, maar door de auteur zelf aangebrachte verbeteringen van de tekst. Aangezien inmiddels was komen vast te staan dat de tekst niet in Coornherts hand was geschreven, was dit een afdoende reden om Coornherts auteurschap van deze oudste grammatica definitief af te wijzen.

Het feit dat het zoek gewaande origineel eindelijk terecht was, wat het tevens mogelijk maakte om de Haarlemse notaris als auteur af te wijzen, leek mij belangrijk genoeg om er de ‘geleerde wereld’ van in kennis te stellen. Op grond van de gegevens die de onderzoeksters mij leverden en mede op grond van

[p. 32]

eigen onderzoek (aan die verleiding was ook ik ten slotte ten offer gevallen) schreef ik in nauw overleg met hen een klein artikel dat ik afsloot met een profielschets van een mogelijke auteur. Vervolgens werd dit artikel de redactie van Dokumentaal ter hand gesteld. Bert van Selm vond dat het stukje een ruimer publiek verdiende en raadde mij aan, ook omdat de redactie van Dokumentaal op dat moment bedolven werd door kopij, het naar De Nieuwe Taalgids te sturen. Na vele maanden kreeg ik van dit befaamde tijdschrift een brief, waarin mij werd verteld dat zowel de volledige taalkundige als letterkundige redactie zich over het artikeltje hadden gebogen, waarbij zij tot de slotsom waren gekomen dat mijn bevindingen ‘te voorlopig’ waren. Het hoofd schuddend over de eeuwigheidswaarde van de produkten in De Nieuwe Taalgids, plaatste Bert van Selm mijn stukje in het decembernummer 1982 van Dokumentaal. Nauwelijks een week na publikatie meldde de archivaris van het Rijksarchief in Zeeland zich met het verzoek of het handschrift kon worden uitgegeven in het Jaarboek van het Zeeuwsch Genootschap. De enige voorwaarde die hij stelde, was dat in de inleiding gewezen zou worden op de Zeeuwse achtergrond van deze vondst. Wat dat betreft, zouden weinig mensen zozeer op hun wenken worden bediend als hij. Ik bedong evenwel nog een jaar uitstel, want ik wilde toch nog een poging wagen om achter de werkelijke identiteit van - zoals Hellinga het steeds hardnekkig zei - de ‘grammaticus uit 1568’ te komen. Op het juiste spoor gebracht door mijn profiel in Dokumentaal (hoe onvolkomen ook) slaagde ik er ten slotte in de zestiende-eeuwse humanist Johan Radermacher, een mercator sapiens die zich in 1599 te Middelburg vestigde om aldaar in 1617 te overlijden, als de auteur aan te wijzen. Deze ontdekking zou pas in maart 1984 plaatsvinden. Maar in de tussentijd hadden mijn twee vrouwelijke steunpilaren niet bepaald stilgestaan: niet alleen hadden zij mijn transcriptiewerk zeer kritisch onder de loep genomen, maar ze hadden ook in binnen- en buitenland handschriften bestudeerd van alle in aanmerking komende auteurs.

Er gebeurde tevens nog iets anders: in januari 1984 werd ik benaderd door de organisatoren van de tentoonstelling ter herdenking van het 400-jarig bestaan van Spiegels Twe-spraack om het handschrift van de onbekende grammaticus ter bezichtiging naar Nijmegen te laten overbrengen. Aan dit verzoek werd voldaan zoals elke taalkundige die de Nijmeegse tentoonstelling heeft bezocht, zal hebben kunnen constateren. Maar intussen groeide de angst dat opnieuw door een of ander noodlottig toeval dit kostbare cultuurbezit ontoegankelijk zou worden of nog erger: voor studie in Nederland verloren zou gaan. Als oplossing werd ten slotte gevonden dat het handschrift de eerstkomende honderd jaar in bruikleen zou worden gegeven aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde waar het praktisch zij aan zij zou liggen met het afschrift van Bodel Nijenhuis. Het is de verdienste van prof. dr. J. A. van Dorsten en het Sir Thomas Browne Institute geweest dat aan de officiële overdracht op 24 maart een officieel tintje werd gegeven. Het persbericht, dat bij die gelegenheid door de Leidse universiteit werd uitgegeven, kreeg vrij onverwacht een overweldigende belangstelling van de nieuwsmedia.

Van Dorstens kennis van en liefde voor het Nederlandse humanisme van de zestiende eeuw zijn voldoende bekend. Het zal dan ook niemand verwonderen dat hij mij ten behoeve van het onderzoek zijn microfilm van het Gentse handschrift van Radermacher ter beschikking stelde. Dit Gentse handschrift is essentieel geweest om volledige zekerheid te krijgen omtrent het auteurschap van Radermacher. Ter gelegenheid van de overdracht werden vier korte lezingen gehouden. Dr. G.R.W. Dibbets plaatste de grammatica van Radermacher in het ruimere kader van de renaissancistische belangstelling voor spelling en grammatica in de Nederlanden, de anglist dr. J. Kerling behandelde op geestige wijze de Engelse connectie, zelf gaf ik een overzicht van de bewijsvoering waarop mijn toeschrijving aan Radermacher berustte en de kunsthistorica mevrouw drs. B. Heezen bracht tot nu toe onbekende biografische gegevens over Radermacher naar voren. Daarna schetste mevrouw Van Lynden in de vorm van een allegorie de genoegens en ongenoegens die met het onderzoek in kwestie verbonden waren geweest: ‘We kwamen naar Leiden niet ten einde raad, maar ten einde raad te vragen’ luidde het, in tegenstelling tot de suggestie op de voorpagina in De Volkskrant van 23 mei. Uit het verhaalde werd in elk geval duidelijk hoezeer beide onderzoeksters betrokken waren geraakt bij het wel en wee van het handschrift en hoe de geheimzinnige auteur met hen een ‘mariage à trois’ ging vormen. Blijkens het dankwoord namens de Maatschappij van de bibliothecaris mr. J. R. de Groot was deze laatste zinspeling tot groot vermaak van alle aanwezigen niet door iedereen even goed begrepen. Daarna mocht het gezelschap van genodigden het handschrift in ogenschouw nemen, waarbij de heer De Groot in de rol van Cerberus kon worden waargenomen die het handschrift tegen al te grote aandacht lijfelijk verdedigde. De grammatica lijkt voorlopig in goede handen te zijn!

 

Het handschrift kan als volgt beschreven worden.

Signatuur: UB Leiden, hs. Ltk. 2148.

[J. Radermacher:] Voorreden vanden noodich ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste. [Londen,] 1568, 8 katernen in folio in elkaar gevouwen; blanco: fol. 6 verso, 8 verso t/m 16 verso. Gefolieerd: moderne potloodfoliëring 1 recto t/m 8 recto; fol. 6 recto is slechts voor één derde beschreven en fol. 8 recto is voor twee derde beschreven.

Afmetingen blad en bladspiegel: resp. 304 x 215 mm; ca. 280 x 175 mm (voor wat betreft fol. 1 recto).

Schrift: hoofdzakelijk gotische letter. Hier en daar is door de auteur een Italiaanse letter gehanteerd om de tekst die in deze letter is gesteld, reliëf te verlenen.

Papier: kettinglijnen lopen verticaal; het watermerk bevindt zich in het midden van het blad. Dit watermerk verwijst mogelijk naar Denis le Bé, papiermaker te Troyes, die vanaf 1548 werkte. Zekerheid dienaangaande is er evenwel niet.

K.J.S. Bostoen

prepostterug  begin  verder