terug  begin  verderprepost

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

In het jaar 1766 verzamelden zich verscheidene studenten van de universiteit van Leiden in een vereniging, waaraan zij de zinspreuk gaven: ‘Minima crescunt’,1 met het doel zich bezig te houden met de bestudering van de Nederlandse letterkunde.

Het aangenomen devies vond zijn rechtvaardiging in het succes. Goedgekeurd door octrooien van de Staten van Holland en West-Friesland, gedateerd van 20 mei 1775 af, telt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bijna 400 binnenlandse leden, die zich verplicht

[p. 40]

hebben tot een jaarlijkse contributie van zes gulden, tien over de koloniën verspreide leden, 134 buitenlandse en twee ereleden, te weten de prinsen Frederik en Hendrik. De Maatschappij is gewijd aan de bestudering van de letterkunde, de geschiedenis en de oudheidkunde van het land en houdt in Leiden in een eigen gebouw2 acht maandvergaderingen, van oktober tot mei, en de algemene vergadering op de derde donderdag van de maand juni. De eminente literatoren die daaraan deelnemen verenigen in schone wedijver hun krachten met die van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, teneinde de vaderlandse taalschat zuiver te houden en het hun toevertrouwde pand onverlet te bewaren.

Grotendeels werd deze taak onlangs toevertrouwd aan de zorgen van de secretaris en bibliothecaris L.A. de Winkel,3 die belast is met het opzetten van een nieuw Nederlands woordenboek.

Niet alleen schrijft de Maatschappij jaarlijkse prijsvragen uit en kent zij ook prijzen toe, maar bovendien publiceert zij verhandelingen die reeds in vier reeksen worden verspreid en jaarverslagen, waarin sedert het jaar 18434 ook levensberichten van leden worden opgenomen.

Die voormalige studentenvereniging, die de stoot heeft gegeven tot deze Maatschappij, bezat een kleine, maar kostbare collectie handschriften en incunabelen, die van het allergrootste belang is voor de kennis van de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen: dit was de kiem van de huidige bibliotheek, die dr. Hoffmann von Fallersleben niet aarzelde te roemen als, na die van Göttingen, de rijkste boekerij in werken van Duitse middeleeuwse literatuur.

Voortdurend vermeerderd door giften, legaten en nieuwe aanschaffingen heeft zij zulk een graad van belangrijkheid bereikt, dat zij, na de universiteitsbibliotheek, de eerste van Leiden genoemd kan worden. In 17815 werden de eerste aankopen gedaan met het doel om het noodzakelijke materiaal te verzamelen voor een algemeen woordenboek der Nederlandse taal.6 En met dezelfde bedoeling legateerde dr. Z.H. Aletryn,7 een man met zeer grote verdiensten voor taal en geschiedenis van zijn land, aan de Maatschappij zijn uitgelezen verzameling handschriften en incunabelen met betrekking tot de nationale letterkunde. Kostbaar in dit opzicht is de codex van de Spieghel Historiael, waarover veel studies zijn gemaakt, waar de Maatschappij deel in had.

Daarom kwam de publikatie van een catalogus zeer gelegen, met voorwoord van H.W. Tydeman en J.T. Bodel Nijenhuis, waarin rekenschap wordt afgelegd van hun redactionele werkzaamheden (pp. I-IX), met een index op de handschriften (pp. XI-XII) en met een soort statuut in negen artikelen (pp. XII-XV).8

In het eerste gedeelte (pp. 1-78) zijn de handschriften en de van handgeschreven commentaar voorziene drukken gedetailleerd beschreven. Veel van de manuscripten zijn op perkament geschreven, andere weer liefdevol voorzien van fraai bewerkte miniaturen, een berijmde ridderroman met clair-obscurs van uitzonderlijke schoonheid;9 de drukken zijn geannoteerd in de hand van vooraanstaande filologen van het land. Het tweede gedeelte biedt een bijzondere classificatie, die wellicht bepaald wordt door de specifieke eisen die de collectie daaraan stelt.

Latere aanvullingen hebben de stof aanzienlijk vermeerderd. In 1841 kreeg de Maatschappij van een van haar leden10 de omvangrijke collectie Nederlandse toneelwerken ten geschenke, die, samen met die in de bibliotheek reeds voorhanden, het aantal daarvan op bijna 3000 bracht. Daarom zag men de noodzaak in de catalogus te herzien; de bibliotheekcommissie bestaande uit de heren H.W. Tydeman, J.T. Bodel Nijenhuis en J.T. Bergman verrichtte nuttig werk, waarbij aan de eerstgenoemde de catalogisering van bovengenoemde collectie werd toevertrouwd. Door een systematische ordening toe te passen, die beter bij de boekerij aansloot, publiceerde de commissie na zes jaren arbeid het produkt van haar eigen studie en voegde er twee jaar later de alfabetische index op auteurs en de supplementen aan toe, evenals later de successievelijke supplementen.

Een bijzonder reglement van 37 artikelen, opgehangen in de bibliotheek, bepaalt het gebruik ervan. De bibliotheek is geopend op dinsdag en donderdag van 12 tot 3 uur 's middags, van 1 september tot 30 juni, voor leden van de Maatschappij. De toegang staat open voor anderen, die daartoe schriftelijke toestemming hebben verkregen van het bestuur. Leden genieten ook het recht om boeken thuis te raadplegen, zowel binnen de stad als daarbuiten.

1Minima crescunt was al in 1761 opgericht, het jaartal 1766 is dat van de oprichting van de Maatschappij. Zie voor de geschiedenis van de Maatschappij: J.T. Bergman, Proeve eener geschiedenis van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, in: Gedenkschrift van het eeuwfeest van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gevierd 20 Juni 1867. Leiden 1867 (= Gedenkschrift), pp. 121-218, en: Gedenkboek bij het 200-jarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, gevierd op 18, 20 en 2l mei 1966. (= Gedenkboek).
2Namelijk in het gebouw (dus geen eigen gebouw!) van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen aan het Steenschuur, hoek Langebrug. Hier was de Maatschappij gevestigd van 1850 tot 1938. Zie: Annie Versprille, Huisvesting, in: Gedenkboek, pp. 115-129, vooral p. 124.
3Lees: L.A. te Winkel. Deze is nooit secretaris van de Maatschappij geweest; hij was bibliothecaris van 17 juni 1852 tot 7 maart 1862 (zie: Gedenkschrift, p. 96 en p. 99).
4Waarschijnlijk wordt hier bedoeld 1848, sedert welk jaar zij ‘in afzonderlijken druk achter de Handelingen volgen’ (Gedenkschrift, p. 103).
5Misschien al in 1777 (Gedenkschrift, p. 222).
6Het Algemeen omschrijvend woordenboek der Nederlandsche taal (ibid.).
7Lees: mr. Z.H. Alewijn. Hij was een der oprichters van de Maatschappij.
8Voor de catalogi van de bibliotheek van de Maatschappij, zie: Gedenkschrift, p. 234 en de inleiding van Louis D. Petit op de catalogus van 1887-1889.
9Misschien zinspeelt Valentinelli hier op hs. Ltk. 537, de (Duitstalige) Wigalois van Wirnt von Grafenberg, dat volgens vriendelijke mededeling van dr. P.F.J. Obbema enige miniaturen met nachtvoorstellingen bevat die aan clair-obscur doen denken.
10Van mr. Diederik van Leyden Gael.
prepostterug  begin  verder