
Tijdens een feestelijke en door zeer velen bezochte bijeenkomst in het Groot Auditorium van de Leidse Universiteit is op zaterdag 17 november 1984 de Prijs voor Meesterschap 1984 uitgereikt aan dr. C.C. de Bruin. De Maatschappij kent deze prijs eenmaal in de vijf jaar toe; slechts eenmaal in de vijftien jaar is het de beurt van de Commissie voor taal- en letterkunde iemand ter bekroning voor te dragen. Aan de exclusiviteit van de gouden penning kan dus niet worden getwijfeld, aan de uitzonderlijke kwaliteiten van de laureaat evenmin. De Bruin, neerlandicus uit de Utrechtse school van De Vooys, en van 1956 tot 1975 hoogleraar te Leiden in de geschiedenis van het christendom en de leerstellingen van de christelijke godsdienst gedurende de middeleeuwen, kreeg de prijs voor zijn gehele wetenschappelijke oeuvre. Dit wordt, in de woorden van het juryrapport, gekenmerkt door ‘degelijkheid, een uitzonderlijke homogeniteit, hoge kwaliteit en een grote omvang’. Als onderzoeker van de middelnederlandse geestelijke prozaliteratuur, in het bijzonder de vertalingen en bewerkingen van de bijbel, heeft hij pioniersarbeid verricht, resulterend in het Corpus Sacrae Scripturae Neerlandicae Medii Aevi (CSSN). Het eerste deel van deze reeks verscheen in 1970 (Diatesseron Leodiense/Het Luikse Diatesseron), uitgegeven door De Bruin zelf, die daarna nog eens veertien van de negentien inmiddels verschenen delen voor zijn rekening nam. Naar aanleiding van deze prestatie merkt de jury op: ‘In onze dagen pleegt een goed uitgerust instituut er een generatie lang mee bezig te zijn.’
Een deel van De Bruins publikaties bestrijkt het terrein van de Moderne Devotie, met, aldus het juryrapport, ‘als onbetwist hoogtepunt’ de in 1954 verschenen uitgave van De middelnederlandse vertaling van De imitatione Christi (qui sequitur) van Thomas a Kempis. In de inleiding op deze editie toonde De Bruin op scherpzinnige wijze aan dat ten aanzien van het auteurschap van Thomas a Kempis ten onrechte twijfel was gezaaid.
Na de opening van de bijeenkomst door dr. H.L. Wesseling, die hiermee voor het eerst als de nieuwe voorzitter van de Maatschappij in de openbaarheid trad, werd de laudatio uitgesproken door dr. P.F.J. Obbema. Hij bepaalde de aandacht van de aanwezigen bij de halve eeuw waarin De Bruin reeds wetenschappelijk produktief is, te beginnen met zijn in 1934 verschenen dissertatie over de Middelnederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament. ‘Na vijftig jaar kunnen wij gemakkelijk de winst overzien waarvoor u in de jaren dertig de grondslag hebt gelegd. De geschiedenis van vertalen en ontlenen, van bewerken en omwerken, is tenminste op hoofdpunten bekend. Nieuwe vragen zijn opgekomen en kunnen thans worden aangepakt omdat sindsdien de belangrijkste teksten, bijna altijd door uw toedoen en meestal door eigen hand, zijn uitgegeven.’ Obbema wees op het feit dat De Bruin niet alleen filoloog, maar evenzeer historicus is, die de teksten steeds plaatste in de lijst van hun tijd. Dit betekende dat bij voorbeeld het werk van de moderne devoten op zijn eigen merites werd beoordeeld, niet als prelude op de Reformatie. In het vooroorlogse protestantse milieu was deze houding niet vanzelfsprekend. Obbema: ‘U
bent onbevooroordeeld, zonder enige concessie aan eigen overtuiging, de late middeleeuwen binnengetreden.’
Niet alleen De Bruins wetenschappelijke habitus werd in de laudatio geroemd, er klonken ook woorden van warme waardering voor diens beminnelijkheid, hoffelijkheid en tact. De Bruin heeft velen tot vrienden voor het leven weten te maken - en wie in het Groot Auditorium en daarna in de receptieruimte rondkeek kon zich van de waarheid van Obbema's woorden overtuigen.
Dr. De Bruin noemde zijn dankwoord een ‘terugblik in dankbaarheid’. Hij begon met het beantwoorden van de hem veelvuldig gestelde vraag, wat hem bewogen had tot de keuze van zijn studieterrein. Het waren indrukken geweest uit zijn vroegste jeugd, waarin hij ten huize van een oudtante in aanraking kwam met oude boeken en met één boek in het bijzonder: ‘een Statenbijbel in fors folioformaat, met koperen krappen en hoekbeslag’. Hij hoorde daaruit op plechtige toon voorlezen, en leerde zo de bijbel kennen als taalmonument en als heilig boek. Hier lag de kiem van De Bruins tweevoudige wetenschappelijke werkzaamheid: de literairhistorische en de kerkhistorische.
Door zich in beide werelden te bewegen heeft De Bruin zich als onderzoeker een tijdlang ‘mens-in-tweevoud’ gevoeld. Op amusante wijze, en met verwijzing naar het aloude literaire dubbelgangersmotief, verhaalde hij hoe deze last ten slotte van hem afviel: in de trein naar Gorkum werd hij tot zijn grote verbazing geconfronteerd met zijn alter ego. Gebiologeerd staarde hij naar de dubbelganger die schuin tegenover hem had plaatsgenomen; eerst achteraf moest hij door zijn echtgenote opmerkzaam worden gemaakt op enkele verschillen. Deze ervaring leidde tot De Bruins ‘ontdubbeling’, waardoor hij zijn werk met zelfvertrouwen kon voortzetten. En hij deed dat op een manier, voeg ik hier gaarne toe, die de jury haar rapport als volgt deed besluiten: ‘Terecht wordt hij dan ook in de wandeling getypeerd als “de meester van de twee studeerkamers”.’
In zijn toespraak liet de laureaat voorts zien dat de bestudering van de Nederlandse bijbel in zijn ontwikkelingsgang door de eeuwen heen hem als vanzelf in aanraking bracht met de gedachtenwereld van de vertalers - van de kloostercultuur van de vroege middeleeuwen tot en met de opkomende Verlichting. Als hoogtepunten van vertaalkunst noemde De Bruin de omstreeks 1300 vervaardigde evangeliënharmonie, vertaald volgens principes die men tegenwoordig aanduidt als ‘dynamisch-equivalent’, waarbij zo nodig parafraserende vrijheden zijn toegestaan, en vervolgens de Statenvertaling (1637), een ‘idiolekte’ vertaling die zeer dicht aansluit bij de Hebreeuwse en Griekse grondtekst. Dat de Statenbijbel een van de pijlers van onze schriftelijke cultuur is, weet men. De Bruin wees er op, dat men niet mag vergeten dat in protestantse gezinnen eeuwenlang drie maal per dag uit dit boek hardop werd voorgelezen, hetgeen de ‘eenwording van het Nederlands als algemene omgangstaal’ moet hebben bevorderd.
Aan het slot van zijn dankwoord sprak dr. De Bruin zijn grote erkentelijkheid uit jegens allen die bij de verlening van de Prijs voor Meesterschap betrokken waren geweest en allen die naar het Groot Auditorium waren gekomen om de uitreiking bij te wonen. Maar de laureaat zou zichzelf niet geweest zijn, als hij de aandacht voor zijn persoon niet gerelativeerd had. Allen deelgenoot makend van zijn diepste overtuiging, verwees hij naar een tekst in Mattheus 23, die hij citeerde naar de hem dierbare ‘oudste en tevens beste evangeliënoverzetting in onze taal’. De Bruin gaf het citaat in licht gemoderniseerde vorm.
Het lijkt me echter meer dan passend hier toch het origineel aan te halen, met nauwkeurige vermelding van de vindplaats: ‘Noch en laett v nit heeten meester, want een allene es v meester, dat es Christus. Die de meeste es onder v, dat sal v knecht sijn’ (Diatessaron Leodiense, edidit C.C. de Bruin. Leiden 1970. CSSN, series minor I/1, p. 208).
J. Trapman