In de Nederlandse uitgave van het Kleines Lexikon der Weltliteratur van Helmut Olles treffen wij bij het lemma Theun de Vries de volgende kenschets aan: ‘Begonnen als romantisch-vitalistische dichter (...), voor welke periode zijn Westersche nachten (1930) kenmerkend zijn, bewoog hij zich na de roman Rembrandt (1931) bijna geheel op het gebied van het verhalend proza, ofschoon hij ook essays schreef (Vox humana uit 1941 en Martinus Nijhoff uit 1946).’
In de uitgebalanceerde formulering klinkt duidelijk door dat het fictionele proza de essayistiek min of meer verdrongen heeft en dat de schrijver van dat lemma deze interne concurrentie wat betreurt, in ieder geval er toch op wil wijzen dat die essays bestáán. Het aardige is, dat het lemma werd geschreven door... Theun de Vries, want hij is de Nederlandse bewerker van het genoemde lexicon.
Die vingerwijzing van de auteur zelf kan ik wel begrijpen. Temidden van zijn vele geprezen en geprijsde en geregeld herdrukte boeken leiden zijn essays een wat kommervol bestaan. Zo kan het zelfs gebeuren, dat men in wat zichzelf aanprijst als een ‘onmisbaar handboek’ over de Nederlandse literatuurkritiek van deze eeuw tevergeefs zoekt naar zelfs maar een alinea over De Vries als criticus en essayist. ‘Een boek vol verrassingen’ heet Over kritiek en critici (van Martien J.G. de Jong) nog op de flap - laten we het dan daar maar op houden.
Toch kan ik dit geval van veronachtzaming nog iets positiefs laten opleveren: het is voor mij een aanleiding om er op te wijzen dat een bundeling van de talrijke literaire recensies die De Vries in bij voorbeeld Critisch Bulletin, De Vrije Katheder, De Tribune en het Volksdagblad schreef, om verschillende redenen zeer gewenst is. Een op lezersreacties stoelende literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw is zelfs niet mogelijk zonder dat er rekening wordt gehouden met de receptie in links-geëngageerd Nederland.
De essays nu die Theun de Vries gebundeld heeft - en bij de twee genoemde studies zou ik zeker Hernomen konfrontatie met S. Vestdijk nemen (een portret van en een interview met de Duivelskunstenaar) - zijn belangrijk om hun verhelderende karakteristieken van auteurs als Jan Luyken, Brederode, Huygens, Van Effen, Vestdijk en Nijhoff natuurlijk, maar ook omdat ze impliciet een beeld geven van de evolutie in zijn denken over de wereld, over kunst, over zichzelf.
Duidelijk is dat veel van deze essays, geschreven in een beeldend proza, dat soms de epiek nadert, geboren zijn uit wat de Grieken ‘thaumasia’ noemen, de ‘verwondering en bewondering’, volgens Aristoteles dan ook het begin van alle wetenschap. Zij leidt echter nooit tot kritiekloze ophemeling. Zijn fascinatie (waarover hij ook rept in het voorwoord van zijn bekroonde boek Ketters) leidt tot een zich schrap zetten, een egelstelling, waardoor het soms wel lijkt of De Vries vooral kritiek heeft op de auteurs die hij bespreekt - een psychologische wet die in een bekende volkswijsheid is verwoord.
Een dergelijke ambivalentie kenmerkt in ieder geval zijn verhouding tot Nijhoff en Vestdijk, door De Vries in zijn gesprek met Hans van de Waarsenburg ‘de twee grootste exponenten van de Nederlandse literatuur’ genoemd. In M. Nijhoff, wandelaar in de werkelijkheid, beschrijft De Vries hoe zich in het werk van deze dich-
ter rond 1925 een proces van ‘veraardsing’ heeft voltrokken, dat in symbolische vorm zijn neerslag heeft gekregen in het befaamde Lied der dwaze bijen. Toch is, naar zijn oordeel, Nijhoffs ontwikkeling in een onoplosbaar dualisme blijven steken, een innerlijke tegenstrijdigheid, die wordt geïnterpreteerd als een reflex van een maatschappelijk antagonisme.
Zonder veel moeite herkent men, mutatis mutandis, de kritiek die De Vries in 1939 uitte in zijn opstel Uiteenzetting met Vestdijk (het voorzetsel is significant!), een grondige analyse van diens bundel Lier en lancet. ‘Vestdijk’, zo besluit De Vries zijn essay, ‘die met de grootste talenten is begiftigd, zij het vergund om niet in de analyse te blijven steken en aldus het levend voorbeeld te blijven van een algemeen overheersende ontbinding. Nog worden zijn geniale rapporten te zeer bezoedeld door de ezelsoren en vetvlekken ener metafysica, die de realiteit maar al te gaarne onder zich wegstoot. Zolang de lier in hem op deze onspeelbare muziek wordt afgestemd, krijgt zij voor hen die in de samenhang en de tastbare werkelijkheid geloven een bijklank waaraan die van het “höheres Blech” niet vreemd is. En toch gaat het erom, steeds meer gebieden der realiteit te doorgronden, omdat zij zelf het geheim bergt, waaruit haar inwendige tegenspraken en zwakheden geboren worden.’ De discussie over de relatie materie-geest is ook de rode draad die loopt door de briefwisseling, men mag wel zeggen de pennestrijd, die zich in de oorlogsjaren tussen De Vries en Vestdijk heeft voltrokken. En het is juist rond het manuscript van het Nijhoff-essay - dat dateert van 1942/1943 en Vestdijk bekend was - dat deze discussie het felst is gevoerd.
Het resultaat hiervan bij Vestdijk is al even dubbelzinnig. Beschouwt men de recensie die hij in 1947 in Het Parool over dit essay schreef (en onder de titel Dichter in de klassestrijd in Zuiverende kroniek bundelde) als de formele afsluiting van dit debat, dan neigt men tot de conclusie, dat Vestdijk aan De Vries' visie op de relatie kunstenaar-maatschappij geen boodschap had. Aan de andere kant is Vestdijks roman Ierse nachten, de enige die van sociaal engagement getuigt, zonder deze discussie niet denkbaar. In Hernomen konfrontatie erkent Vestdijk trouwens dat sociale factoren in de oorlog een grotere rol voor hem speelden dan vóór en na die tijd.
Het lijdt voor mij geen twijfel dat De Vries' preoccupatie met dualistische persoonlijkheden als Nijhoff en Vestdijk, met al hun mogelijkheden van mimicry en metamorfose, voortkomt uit een zelfde innerlijke tegenstrijdigheid, al heeft die zich anders geconcretiseerd. Hoe die evolutie is verlopen, kan men uiteraard opmaken uit zijn ontwikkeling van romantisch-vitalistisch dichter tot episch prozaïst, maar ook uit zijn bundel essays die de dubbelzinnige, programmatische titel Vox humana meekreeg.
Na de oudste essays uit het begin van de jaren dertig, portretten van de mystici Bach, Luyken en Blake, volgen immers karakteristieken van realisten als Brederode en Van Effen, bespiegelingen over de tellurische Shakespeare, een analyse van Dickens' verhouding tot de bourgeoisie, zijn aanklacht van het onrecht zijn minder goed bedeelde tijdgenoten in het negentiende-eeuwse Engeland aangedaan. Deze overgang van mystiek naar sociaal realisme illustreert de zijne: het is de metamorfose van het metafysische naar het sociale type, om termen te gebruiken uit een studie, waarvan hij de totstandkoming van nabij heeft meegemaakt: Vestdijks grote essay De toekomst der religie. De vox caelestis werd tot vox humana.
Blijkens het nawoord bij de bundel is het essay over Jan Luyken aan zuiveringswoede ontsnapt. Misschien herkende De Vries in dit verslag van een bekering bij nader inzien toch veel van zichzelf: een jongeman die een hairesis deed (= de existentiële keuze der ketters), zijn vroegere leven vaarwel zei, zich terugtrok uit de wereld en later de stad verliet voor de stilte van de provincie. De Vries ging de omgekeerde weg, maar werkt in zijn Amsterdamse woning als zijn vroegere stadgenoot: hij dicht (weer) en mediteert, en schrijft een boek, waarin de hemelse en menselijke stem accorderen: Ketters, dat de Maatschappij heeft bekroond.
Rudi van der Paardt
| S. Vestdijk in: NRC, 13 augustus 1941 (Vox humana) |
| Idem, Zuiverende kroniek. Amsterdam 1956, pp. 198-200 (M. Nijhoff) |
| Sj. van Faassen in: Th. de Vries. Brieven (...) aan S. Vestdijk. 's-Gravenhage 1981, pp. 5-14 |
| Hans van de Waarsenburg, Theun de Vries: voetsporen door de tijd. Amsterdam 1984, passim |
(Een uitgebreide versie van dit artikel zal verschijnen in het Jaarboek 1984/1985 van de Maatschappij.)