terug  begin  verderprepost

Honderd jaargangen van het (Leidse) Tijdschrift

Op de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde in 1879 deed de hooggeleerde Cosijn het voorstel ‘dat de Maatschappij zou medewerken tot de uitgave van een tijdschrift, gewijd aan de Nederlandsche taal- en letterkunde’. De Maatschappij ging nooit over één nacht ijs en besloot dus niets. Het voorstel werd in 1880 herhaald en toen wel aangenomen. Het jaar erop belastte de Commissie voor taal- en letterkunde zich met de redactie van het (Leidse) Tijdschrift, zoals het pregnant wordt genoemd, en de firma Brill zal het ‘vanwege de Maatschappij’ uitgeven.

Op 12 december 1984 verscheen de vierde en laatste aflevering van het honderdste deel (de uitgave van het Tijdschrift werd onder andere gestaakt in 1944) en drie dagen later werd dit jubileum herdacht in het Groot Auditorium aan het Rapenburg. Een jubileumnummer - getiteld Vorm en functie in tekst en taal - hoort daarbij en omdat Brill nog steeds uitgeefster en eigenaresse van het Tijdschrift is, bood haar directeur, de eloquente dr. W. Backhuys, het aan. Dr. S. Dresden nam het, ‘geestdriftig toegejuicht door de volle honderd procent der aanwezigen’, uit naam van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in ontvangst.

Het Tijdschrift ontstond in een tijd dat de wetenschapsopvattingen hun wortels nog steeds hadden in de romantiek met haar belangstelling voor het verleden. Hoe verder terug, hoe mooier de taal, was de algemene opvatting. De oudste talen staan het dichtst bij de natuur en zijn het meest beeldend, het meest concreet.

[p. 21]



illustratie

Gevoed door die romantische hang naar het verleden, kwam het tot een uitgebreide studie van het Gotisch, het Germaans, Indogermaans en van de middeleeuwse letterkunde.

Terzijde zij gezegd dat over het algemeen alleen de Germaanse taaltakken werden onderzocht. De Romaanse talen komen er niet best af. De filoloog Fichte meende zelfs dat alleen de Duitser een levende taal spreekt (en gemakshalve rekent hij het Engels, Nederlands, Noors en Deens maar tot het Duits), omdat die taal rechtstreeks voortspruit uit de natuur. De Romaanse talen zijn slechts aangeleerd; ze vertonen aan de oppervlakte wat beweging, maar zijn in de wortel morsdood. Ook Matthias de Vries, grondlegger van het Woordenboek der Nederlandsche taal, en auteur van vele artikelen in het Tijdschrift, was niet van dergelijke bedenkelijke opvattingen vrij. Ook bij hem moest het Frans het ontgelden. Op het Letterkundige Congres van 12 september 1865 te Rotterdam noemde hij het Frans ‘een arme taal, die met weinig middelen veel doen moet, die alle scheppingskracht mist, en wier innerlijk leven in het bewustzijn der natie is uitgedoofd’.

Om dezelfde reden zou de lezer, zeker in de eerste jaargangen van het Tijdschrift, voornamelijk studies over middeleeuwse letterkunde aantreffen, want de rederijkersliteratuur van daarna is ‘voorzeker de vrucht ... van een tijd van verbastering van onze taal’. De Vries wederom drukte het op een vergadering van de Maatschappij, op 13 april 1849, zeer plastisch uit: ‘De Nederlandsche Taal der twaalfde en dertiende eeuw, hoe krachtig was zij en stout, hoe buigzaam en smijdig, hoe naief en bevallig, hoe zoetvloeyend en welluidend.’ Op die twee pijlers, oudere taal- en letterkunde, is het Tijdschrift vrijwel onveranderd blijven rusten, hoewel later ook artikelen als Lexikografie en linguïstiek, Het Nederlands na de tweede wereldoorlog en zelfs een studie over Tom Poes werden opgenomen. Dr. C.F.P. Stutterheim, de eminente feestredenaar van de jubileumbijeenkomst, zei daarover: ‘De greep van Chomsky is stevig en reikt ver, maar heeft onze jubilaris vrijwel ongemoeid moeten laten. De boomdiagrammen die, niet aangetast door zure regen, over de gehele wereld tot onstuimige bloei zijn gekomen, kunnen in zijn hof niet gedijen. Er zijn daar ook geen bestaansmogelijkheden voor genereringen en transformaties, oppervlakte- en dieptestructuren, deleties en tentativiteiten. Karaktervastheid, onvoorwaardelijke trouw aan zichzelf, eerbied voor de traditie: met deze deugden is het Tijdschrift rijkelijk gezegend.’

‘Het eerste artikel’, zo adstrueert Stutterheim, ‘van de eerste aflevering van de eerste jaargang is getiteld: “Van den vos Reinaerde”. Daarna volgen nog vele studies over dit onderwerp. We treffen ze nog aan in de jaargangen 83, 86, 87, 88, 89 en 92. Terecht heet de laatste van deze reeks: “Reinaerts spel is nog niet uit”. In de eerste jaargang van de volgende honderd zal de vos weer van de partij zijn.’

Met dat vasthouden aan de traditie is niet iedereen gelukkig geweest. Dr. W.C. van Maanen, voorzitter van de Maatschappij, velde in 1894 een hard vonnis. De redactie van het Tijdschrift bestaat uit louter taalgeleerden die in hun periodiek alleen stukken publiceren die voor anderen ongenietbaar zijn. Annie Romein zal hem daarin later bijvallen (Omzien in verwondering. I. Amsterdam 1970, pp. 108-109): ‘Voor het kandidaats werden we verondersteld een aantal artikelen uit Het Tijdschrift te hebben gelezen. Ook die boeiden me weinig, maar aangezien deze artikelen blijkbaar alle geschreven werden door meer systematische dan diepzinnige geesten, kon je in een paar middagen op de bibliotheek een behoorlijke literatuurlijst aanleggen door er een aantal diagonaal door te nemen en alleen de laatste zin, die steevast de conclusie gaf, even aandachtig te lezen.’

Stutterheim had als student dezelfde ervaring, maar met ander resultaat. ‘Plotseling kreeg ik te maken met allerlei wonderbaarlijke kwesties, waarover ik me nooit het hoofd had gebroken en waarvan ik niet begreep, hoe iemand het in zijn hoofd kon halen, zich het hoofd erover te breken.’ Hij voegde er echter aan toe: ‘Toen ik dit eenmaal had begrepen, toen het me begon te interesseren, ging het met de studie vlotter.’ Bestraffend en medelijdend sprak hij tot zijn toehoorders: ‘Misschien zijn er enkelen onder U die nog nooit een blik in een aflevering hebben geworpen. Ik wil niet zeggen dat daardoor hun leven geheel of gedeeltelijk is mislukt, maar het leven heeft hen toch wel meer dan strikt noodzakelijk is tekort gedaan.’

Ook het waarom van het epitheton Leids bij Tijdschrift werd deze middag uit de doeken gedaan. Artikel 80 van de Wet op de Maatschappy (van 1847) luidt immers: ‘Elke Commissie is zamengesteld uit vijf leden, te Leiden of in de nabijheid woonachtig.’ Die bepaling verviel weliswaar in 1896, maar lange tijd is de Commissie voor taal- en letterkunde en dus de redactie van het Tijdschrift een overwegend Leidse aangelegenheid geweest.

[p. 22]

Die Leidenaren vormden een hecht bolwerk. Zo schreef J.W. Muller op 15 juni 1899 aan de ‘Leidsche’ leden van de Commissie: ‘Kunnen de heeren goedvinden dat ik namens de Commissie ... met het Bestuur of met de Secretaris der My. handel over de presentexx. der “Veelderh[ande] Gen[euchlijke] Dichten”?’ Hij had, als samensteller van deze bundel zestiende-eeuwse poëzie, recht op minstens twaalf exemplaren en stelde voor ‘hierover als volgt te beschikken: 9 voor de leden onzer Commissie, dus ook de heeren Te Winkel en Kalff, die er als lid der Commissie recht op hebben en wien hiermede tevens een kleine erkentenis wordt geschonken voor hunne bemoeienissen met het Tijdschr.’ Te Winkel en Kalff waren weliswaar lid van de Commissie, maar buitenbeentjes want ongelukkigerwijs niet in Leiden woonachtig. Op Mullers brief, die rondging, schreven de Leidse leden Kluyver, Beets, Verdam, Kern en Ten Brink adhesie; ‘Ik vereenig mij gaarne in het gevoelen van den heer Muller.’ Het boek werd de heren derhalve toegezonden. Te Winkel reageerde snedig. ‘Amsterdam, 15 juli 1899. Waarde Heer Muller, Vriendelijk dank voor de toezending der “Veelderhande Geneuchlijke Dichten” die ik, zooals uit de onderteekening van de Voorrede bleek, mede hielp uitgeven. Minder moeite heeft mij een werk zeker wel nooit gekost.’

Stutterheim signaleerde in deze kwestie een omissie in Van Dale, elfde herziene druk. Onder het woord Leids staan wel opgenomen de woordgroepen Leidse kaas, Leidse fles, Leids blauw, Leidse steen en Leidse vertaling. Leids Tijdschrift is echter, ten onrechte, ongenoemd gebleven. Zelfs vinden we s.v. niet; zie Tijdschrift. ‘De vorige druk wordt ontsierd door precies dezelfde onvolkomenheden. Er is hier dus niets herzien. Maar op het titelblad van elk der drie delen, dus niet minder dan drie maal, kunnen we lezen dat de elfde druk een herziene druk is. Wat moeten we van deze discrepantie denken. Heeft men misschien geprobeerd (om met Multatuli te spreken) leugen door herhaling tot waarheid te maken? Nee, dit is volstrekt uitgesloten.’

De geringe bekendheid van het Tijdschrift (dat echter wordt overspoeld door bijdragen van auteurs - per slot zorgt Brill er voor dat het het mooist gedrukte tijdschrift is-) weet Stutterheim aan de abonnees, ‘stuk voor stuk uiterst sympathieke mensen, maar gezamenlijk deugen ze niet, hebben ze een groot gebrek. Ze zijn te gering in aantal.’

Een receptie die geen receptie was, omdat er niemand recipieerde, besloot voor de meeste feestgangers deze dag. De leden van de Commissie deden des avonds nieuwe krachten voor de volgende honderd jaargangen op bij een eenvoudige doch voedzame maaltijd in een Oegstgeests etablissement, rijkelijk overgoten met retoricaal geweld.

 

Dr. H. Heestermans

voorzitter van de

Commissie voor taal- en letterkunde

prepostterug  begin  verder