Dames en Heren,
Wij zijn hier bijeen voor een tamelijk eigenaardige gebeurtenis: het onthullen van een gedenksteen. Nu doet een burgemeester wel meer vreemde dingen, vooral sinds het eenvoudige doorknippen van een lint heeft plaats gemaakt voor tal van originele en creatieve wijzen van openen en onthullen, een erfenis van de ludieke jaren zestig. Voor hem is het onthullen van een gevelsteen iets zeer conventioneels. Maar voor de meesten van de hier aanwezigen geldt dat niet en zij zullen zich afvragen waarom dit eigenlijk gebeurt.
Ik kan daarvoor drie redenen bedenken. De eerste is: het is een onschuldig gebeuren. Vergeleken bij wat men met gebouwen kan doen - ik noem enkele in Amsterdam gebruikelijke zaken als kraken, bezetten, beschadigen, ontruimen en slopen - is dit iets wat nu werkelijk geen kwaad kan. Dat is op zichzelf al zo ongebruikelijk dat het de moeite waard is.
De tweede reden is nog iets positiever: het doet een aantal mensen een genoegen zo'n gevelsteen te zien. Wij kunnen die mensen, geloof ik, in twee groepen onderscheiden. De eerste daarvan is die der hartstochtelijken. Er zijn er die de wereldsteden afreizen op zoek naar het geboortehuis van Mozart, het graf van Karl Marx, de kousenwinkel van Vondel, de buste van Beethoven, de gedenksteen van Couperus en dergelijke. Voor hen zijn gevel- en gedenkstenen onmisbare mijlpalen op hun levenspad. Daarnaast is er nog de groep der ‘Gut-wat-grappig’-achtigen, een minder gedreven gezelschap dat nu niet direct naar deze dingen zoekt, maar toch blij verrast opkijkt als het ze ziet en iets mompelt als: ‘nooit geweten dat Multatuli hier is geboren.’
Maar er is nog een derde, een veel gewichtiger en diepzinniger, reden voor dit alles: het kan een bijdrage zijn tot het in stand houden c.q. herstellen van een nationale consensus over het wetenswaardige in onze cultuur. Dit is een groot en gewichtig punt maar het is niet de tijd en de plaats er uitvoerig op in te gaan. Wanneer de andere kandidaat de welbekende wedren om het burgemeesterschap van Amsterdam had gewonnen, was er meer aanleiding geweest in te gaan op de culturele gevolgen van de onderwijsvernieuwing: maar toch ook niet meer tijd. Laat ik er daarom alleen
dit over zeggen: Wij allen, hier aanwezig, hebben waarschijnlijk gemeen dat er maanden, ja jaren voorbij gaan dat we niets van Vondel, Hooft en Bredero lezen. Maar het zijn toch namen die ons iets zeggen en hun werk is ons enigszins bekend. En dat geldt niet alleen voor hen, maar ook, om maar iets te noemen, voor Dante, Shakespeare en Molière of voor Napoleon, Metternich en Bismarck. Dat alles is het resultaat van een bepaald soort opvoeding, gebaseerd op een bepaald Bildungsideaal. Maar hoe zal dit over dertig, veertig jaar zijn? Wat ik bedoel te zeggen is niet dat er een algemeen verval van zeden, beschaving, geleerdheid of geletterdheid te bespeuren valt. Verre van dat. Het is alleen bedoeld om te constateren dat, door allerlei op zichzelf waardevolle ontwikkelingen, de maatschappelijke consensus over wat geleerd en geweten moet worden is verdwenen en dat het onderwijs daarom in dit opzicht zijn vastheid van koers heeft verloren. Dat kunnen woorden en gevelstenen niet veranderen. Maar gevelstenen kunnen een bescheiden bijdrage leveren tot het behoud van wat er is. En gelegenheden als deze kunnen wellicht aanleiding geven tot een meer diepgaande discussie over het verschijnsel dat ik signaleerde.
H.L. Wesseling