Systematiek is weliswaar een eerste vereiste bij het onderzoek naar de bronnen van de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, maar het toeval speelt hierbij zo nu en dan ook een belangrijke rol.
Toen ik voor de heruitgave van Klikspaans Studententypen enkele jaren geleden het archief van de uitgeverij Sijthoff in de Leidse universiteitsbibliotheek raadpleegde, stuitte ik, terloops zoekend in de registers van de ingekomen stukken bij de jaren na Kneppelhouts dood, op brieven van zijn weduwe en van Johannes Dyserinck, die over hetzelfde onderwerp bleken te gaan. Door deze correspondentie kreeg ik onverwacht antwoord op een vraag die ik mijzelf en andere Kneppelhout-onderzoekers al vaak had gesteld, namelijk: wat kan toch de reden zijn dat Dyserinck wel biografieën heeft gewijd aan Beets, Beijnen, VerHuell en zelfs aan de medewerkers van Klikspaan, maar dat hij zich nooit gewaagd heeft aan een levensbeschrijving van Kneppelhout zelf?
Op de grote Beets-tentoonstelling die Dyserinck in maart 1904 in Pulchri-Studio te Den Haag organiseerde, heeft hij de weduwe van Kneppelhout ontmoet, mevrouw Ursula van Braam. Dyserinck sprak met haar over haar overleden echtgenoot en zei het te betreuren dat er geen goede levensbeschrijving van Kneppelhout bestond. Hij voegde daar aan toe dat het voor hem een eervolle en aangename taak zou zijn zo'n biografie te mogen maken. Mevrouw Kneppelhout, zeer onder de indruk van het gebodene op de tentoonstelling, toonde zich ingenomen met Dyserincks idee, en gaf hem toestemming eens op de Hemelsche Berg te Oosterbeek te komen, om onder de vele brieven die haar man altijd trouw bewaard had, ‘netjes gesorteerd, alphabetisch in dozen, die pasten in twee kastjes’, te zoeken naar wat hij zou kunnen gebruiken voor wat zij noemde ‘een diepgaande karakterstudie’.
Ongelukkigerwijs bezocht Dyserinck de Hemelsche Berg op een moment dat mevrouw Kneppelhout zich niet wel voelde. Daardoor heeft hij op eigen houtje een keuze uit de vele brieven kunnen doen. Hij nam alles mee wat van zijn gading was, zonder daar een ordentelijke lijst van te maken, en begon kort na dit bezoek dolgelukkig met de verwerking van zijn materiaal.
In de maandelijkse vergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde hield Dyserinck op 7 april 1905 een voordracht over Kneppelhout en De Génestet. Dyserinck memoreerde dankbaar Kneppelhout als (ik citeer het verslag van de secretaris) ‘den getrouwen schatbewaarder van brieven bij honderdtallen van letterkundigen, in dicht en ondicht, over het tijdperk eener halve eeuw’ en bepleitte ‘het openbaarmaken van brieven als de belangrijkste bijdrage tot de kennis van de ontwikkeling en het karakter dergenen van wier leven en werken wij ons zooveel mogelijk een volkomen beeld willen vormen’. Vervolgens bracht hij de briefwisseling tussen Kneppelhout en De Génestet ter tafel. Op 5 juni daaropvolgend hield Dyserinck een lezing voor het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen over Alexander VerHuell, en stelde daarbij ook Kneppelhouts studentenschetsen aan de orde.
Op 31 juli 1905 schreef Dyserinck enthousiast aan zijn vriend en uitgever A.W. Sijthoff hoe hij door Beets tot Kneppelhout was gekomen: ‘Mevrouw de weduwe op den Hemelschen berg heeft mij de vrije beschikking gegeven over al de brieven die ik noodig had voor een nieuw uitvoerig werk: Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandsche letterkundigen en letteren, van 1830-1880. Voor 't grootste deel leveren de onuitgegeven brieven de belangrijke stof. [...] Brieven van Potgieter, Huet, Alberdingk Thijm, Voorhelm, Schneevoogt, Gerrit de Clercq, Bosboom Toussaint allen aan Kneppelhout. Het eerste stuk zal zijn Brieven van de Génestet uit den jare 1848 aan Kneppelhout (gansch onbekend) en van J J L ten Kate uit zijne jeugd. - Het belangrijkste van alles is echter dat ik in het leven van Kneppelhout het volle licht zal laten vallen over zijn smetteloos karakter. Zwart op wit heb ik de bewijzen van Goudsmit, Heldring, Beijnen, Schneevoogt en anderen de bewijzen, hoe de ellendige laster gepoogd heeft hem een smet aan te wrijven, die nog niet is uitgewischt. De waarheid zal in dezen zegevieren.’
Sijthoff moet enigszins geschrokken zijn van deze plannen want, hoewel Dyserinck hem om voorlopige ge-

U.M. Kneppelhout-van Braam, naar een portret van Nicolaas Pieneman (1809-1860). Collectie Letterkundig Museum, Den Haag
heimhouding had verzocht, heeft hij Kneppelhouts weduwe van zijn plannen onmiddellijk op de hoogte gesteld, en haar gevraagd of ze met een dergelijke uitgave akkoord zou gaan, ‘Dr. D. heeft eene vaardige pen, maar de vraag komt op, of zij wel altijd discreet is’.
Mevrouw Kneppelhout was intussen door familie en vrienden er reeds op gewezen hoe onverstandig zij gedaan had met de brieven zonder voorbehoud uit handen te geven. Bovendien was ze het volstrekt oneens met de werkwijze van Dyserinck. Publiceren van hele of gedeeltelijke brieven zou, meende ze, leiden tot verkeerde beoordelingen van de betreffende personen en de verhouding waarin zij tot elkaar stonden. Helemaal niet tevreden was ze over de manier waarop Dyserinck in zijn voordrachten gebruik had gemaakt van de brieven om de figuur van Kneppelhout te vermenselijken. Ze besloot de brieven terug te vragen en haar toestemming voor de uitgave te weigeren.
Toch bleef ze zich ook daarna zorgen maken. Dyserinck had ten slotte bijna een jaar lang de tijd gehad om de correspondenties over te schrijven en zou misschien na haar dood alsnog tot uitgave kunnen besluiten. In overleg met Sijthoff, diens schoonzoon in de zaak en een jurist, is een regeling getroffen met Dyserinck, waarin deze afzag van publikatie van een levensbeschrijving van Kneppelhout, en schadeloos werd gesteld voor de reeds gemaakte onkosten. Dyserinck had overigens reeds zelf, daartoe geadviseerd door ‘een zeer belangstellend beoordeelaar en vereerder van onzen leekedichter’ besloten de briefwisseling tussen Kneppelhout en De Génestet niet uit te geven. Wel zijn deze brieven in zijn bezit gebleven, en via de Letterkundige Verzameling van Moll in het Letterkundig Museum terecht gekomen.
Wat Kneppelhout betreft heeft Dyserinck zich in zoverre aan zijn belofte gehouden dat hij zich beperkte tot de publikatie van uittreksels van vroege brieven van Ten Kate aan Kneppelhout en de studie over de medewerkers van Klikspaan, beide in De Nederlandsche Spectator van 1906. Maar ook hier was mevrouw Kneppelhout uiterst verbolgen over - tot Dyserincks verbazing overigens. Zij zou zich pas tevreden tonen toen in 1910 de studie van A.J. Luyt, Klikspaans studentenschetsen, bij Sijthoff verscheen. Dyserincks Studentenleven in de literatuur had in 1908 naar een andere uitgever gemoeten.
Een jaar geleden moest ik, in verband met onderzoek voor het Project Repertorium Brieven Albert Verwey, in de verzameling van de Maatschappij het legaat van Aleida Nijland raadplegen. Daar waren volgens de inventaris Stukken over de kwestie J. Kneppelhout en Jan de Graan aan toegevoegd. Het betrof een verklaring met bijlage in handschrift van Dyserinck, stukken die, aldus een begeleidend schrijven, in 1940 geschonken waren aan de bibliothecaris van de Maatschappij A.A. Rijnbach door Van Stockum (het antiquariaat waar in 1919 de schriftelijke nalatenschap van Dyserinck was geveild). De verklaring luidt aldus:
‘Bij de toezending van mijne bescheiden voor eene eventueele levensbeschrijving van J. Kneppelhout aan mevrouw de weduwe voegde ik inliggende bladzijden.
Op hare smeekbede had ik die bescheiden bij contract afgestaan aan den heer Frentzen (firma A W Sijthoff te Leiden) tegen eene door hem mij geboden geldelijke vergoeding voor al den reeds verrichten arbeid, onder voorwaarde dat van mijne hand geen levensbericht zal verschijnen
11 October 1905
sGravenhage.’
In de bijlage verklaart Dyserinck plechtig dat het zijn bedoeling is geweest met de levensbeschrijving Kneppelhout in alle opzichten de plaats te geven die hij als mens, kunstenaar en maecenas toekwam, en daarbij de getuigenissen te gebruiken van vrienden en bekenden om de lasterpraatjes van 1867 definitief te weerleggen. Hij betreurt het oprecht dat mevrouw Kneppelhout haar medewerking daar uiteindelijk niet aan heeft willen verlenen, en zegt aan het slot van de zes kantjes tellende apologie: ‘Eén ding hoop ik, dat na mijn dood nog eens een lid der familie Kneppelhout zelf de pen opneme, de door mij bijeengebrachte stof verwerke en een beeld van hem ontwerpe, dat zal blijven spreken tot het nageslacht.’
Marijke Stapert-Eggen

In aanwezigheid van enige leden van de familie Kneppelhout onthult de voorzitter van de Maatschappij, dr. H.L. Wesseling, de in de gevel van Rapenburg 65 aangebrachte gedenksteen