In de handschriftencollectie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bevindt zich een gedicht van Johannes Kneppelhout, dat zich tot dusver bij ons weten nog niet in de belangstelling van literatuurhistorici heeft mogen verheugen.1 De titel luidt: Vers prononcé à l'occasion de la premiere anniversaire de la chambre rhétorique à Leijde. Wat woordkeus en stijl betreft, doet het denken aan de Méditations poétiques van Lamartine en de Odes et ballades van Hugo. Wat de inhoud betreft, ziet men hier een opvatting over het dichterschap verwoord, die wel romantisch is genoemd: de dichter als priester, als uitverkorene, als apostel, als onsterfelijke.2 Het zou interessant zijn, de internationale literairhistorische achtergrond van dit vers nader uit te werken. In deze bijdrage willen wij echter slechts de tekst van het gedicht publiceren en daarbij iets mededelen over de bijeenkomst, waarvoor het bedoeld was.

De kring van Leidse student-auteurs, waarvoor dit gedicht bestemd was, is op vrijdag 27 september 1833 opgericht door Johannes Kneppelhout, Laurens Beijnen, Bernard Gewin, J.P. Hasebroek, Jan Bastiaan Molewater en enige anderen. Een half jaar later trad ook Nicolaas Beets tot de letterkundige vereniging toe. Drie jaar lang heeft deze Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid binnen Leiden, zoals het gezelschap zich noemde, een bloeiend bestaan geleid: men legde zich toe op het voordragen van eigen en andermans verzen, kwam ééns in de twee weken bijeen, en organiseerde zo nu en dan een openbare vergadering. Over de geschiedenis van de ‘Romantische club’, zoals dit gezelschap aanvankelijk door buitenstaanders werd genoemd, zijn we, althans wat deze periode betreft, goed geïnformeerd: er is een schets van Klikspaan, er is een jaarverslag van Beijnen, er is het dagboek van Beets.3 De eerste verjaardag van de Kamer, waarvoor het vers geschreven was, is echter in nevelen gehuld. Kneppelhout en Beets zwijgen er over als het graf; alleen Beijnen deelt er iets over mee. Na een inleidende beschouwing over gedenkdagen, waarin het uitstellen van dergelijke evenementen veroordeeld wordt, heet het in zijn Lotgevallen:
‘Ziedaar ook de oorzaak waarom men op den 5 Oct. acht van de twaalf Rederijkers op den Burg had kunnen vergaderd zien, die, om aan de Wet te voldoen, zich gedurende vijf of zes uren voor het grootste gedeelte verveelden, en ongevoelig hun rol als feestvierders vergaten. Hunne werkzaamheden liepen volgens de verordening geregeld af, maar ik zal mij niet wagen om het volgende gedeelte van den avond te beschrijven, want voor eene duidelijke schildering van eentoonigheid wordt eene betere pen dan de mijne vereischt.’4
Kneppelhout moet zijn gedicht dus op 5 oktober 1834 in het Heerenlogement aan de voet van de Leidse Burcht hebben uitgesproken. Over de avond zelf was tot nu toe verder niets bekend. Nieuwe gegevens zijn echter te vinden in het dagboek dat de student Jan Bastiaan Molewater van 1833 tot 1835 zo nu en dan heeft bijgehouden; het werd begin van dit jaar ontdekt op het Gemeentearchief van Rotterdam.5 Dit kleine dagboek is belangwekkend genoeg om gepubliceerd te worden: het zal in de loop van 1986 verschijnen als derde deel in de Leidse Reeks XIXe Eeuw, uitgegeven, ingeleid en toegelicht door Henk Eijssens. De editeur gaf ons toestemming, hier alvast een fragment te publiceren; het gaat om een beschrijving van die bewuste 5 oktober 1834.
‘[...] vergadering der Rederijkerskamer tot viering van den verjaardag. Beynen heeft mij bij die gelegenheid en ik geloof ons allen het hart gestolen door een verslag der geschiedenis van het afgeloopen jaar, een stuk in den echt klassieken geest gesteld en met ware elegantie geschreven en voorgedragen. - Bijzonder eigenaardig was ieders bijzondere beoordeeling (voor het reciet) die er in voorkwam van mij heeft hij gezegd dat ik er gelukkig toe georganiseerd was en die Idiosyncrasie bezat dat ik door bestuderen der stukken zo verknoeide ik moest het er dus volgens zijn Idee maar op wagen
en het goed geluk vertrouwen; vooral niet dien luim willen dwingen als wanneer men gewoonlijk verkeerde hulpmiddelen ongepast aanwendt en dus van den wal in den sloot raakt. Misschien heeft hij niet geheel ongelijk. wie echter van gelukkig georganiseerd spreekt, hij kan er ook op roemen; zijne gemakkeliijkheid van spraak en houding is waarlijk groot. - Na afloop der werkzaamheden hebben wij een soupetje gehad dat nogal flaauw is afgeloopen doordat Kuffeler6 zich al dadelijk van het Discours meester maakte en ijsselijk opgewonden was of zich hield. Beets is op het laatst nog weer dronken geworden. Daar schijnt hij dan voor in de wieg gelegd. Ik maak mij nog te ongerust over mijne gezondheid om mij op zulke feesten te vermaken - Beets heeft in zijne dronkenschap eenige malen verzekerd dat ik een zijner beste vrienden was. In vino veritas. Nu ik geloof het ook wel maar de Poïeet is zwak en inconsequent. -’
Uit deze passage blijkt niet alleen dat Beets wel eens dronken was - in zijn dagboek treft men geen mededelingen aan, die in deze richting wijzen - maar ook dat Laurens Beijnen een centrale rol speelde binnen de Rederijkerskamer. Zijn verslag van het tweede verenigingsjaar werd luide toegejuicht, en verscheen in druk; nu blijkt dat hij ook over het eerste jaar een gewaardeerd verslag heeft opgesteld (het is tot dusver niet gevonden). Bovendien blijkt hij zijn medeleden beoordeeld te hebben op hun recitatieve kwaliteiten. Over Kneppelhouts vers vernemen we niets; de verhouding tussen hem en Molewater komt elders in het dagboek van de tweede aan de orde. Naar de publikatie van deze nieuwe, in meerdere opzichten verrassende bron kan met belangstelling worden uitgezien.
Peter van Zonneveld
Marie Brummelhuis