Huiselijke bui
Het doucht, ik sta onder applaus en speel
een klucht met zeep en harig putje; vlok
onttrekt het lodderoog aan lege zalen.
Een schrompelige, biggelende tuit
snikkend in pijpestelen, lemen voeten.
Katharsis van dit absurdistisch schouwspel,
nog even, even nog mijn moederschoot!
Wat? Klinkende cymbaal? Of bij de buren?
Ik hang een hoofd en clown uit, zeugma, peuter
mijn tranen weg en raak ineens volwassen.
Welk Indisch rijstveld, essay van Montaigne,
Salvadoraanse guerillero roept?
Omgord met schaamte prevel ik vergeefs
tegen een wereld die mij altoos draait
en druip weer af, door niemand onbegrepen.