De vertrouwde Zaal XI is nu omgebouwd tot Raadszaal van het Academiegebouw, en daar vond op zaterdag 8 juni 1985 de jaarvergadering plaats.
Na een kort welkomstwoord hield de voorzitter zijn jaarrede. Vervolgens herdacht hij die leden die in het verenigingsjaar de Maatschappij door de dood waren ontvallen: Jkvr. dr. C.M. de Beaufort, mr. B. Ferman, P. Oomes, mw. dr. R. Pennink, dr. W.J. du Plooy Erlank, dr. J. van der Schaar, dr. A. van Selms, dr. E.L. Smelik, B.J.H. Stroman, dr. A.J. Veenendaal sr., P. Verhoog, mr. R. Victor, Th. van der Wal; voorts G. Lubberhuizen, tot lid benoemd op de eerste jaarvergadering na de bevrijding als hommage aan de ondergrondse pers; dr. G. Stuiveling, die tot het laatste ogenblik de letteren diende door een niet aflatend speuren naar de juiste vorm van onze klassieken; en ons erelid Marnix Gijsen, die niet alleen een groot en veel gelezen oeuvre schiep, maar ook in zijn ambtelijke functie een grote bijdrage leverde aan de verbreiding van onze letteren tot ver buiten de landsgrenzen. De vergadering hoorde dit staande aan en een korte stilte werd na het noemen van deze namen in acht genomen.
De voorzitter brengt in herinnering dat de leden ruim op tijd vóór deze jaarvergadering het Jaarboek 1983-1984 hebben ontvangen; de Commissie voor de publikaties en in het bijzonder drukbezorger dr. E. Braches brengt hij hiervoor dank. Eveneens verheugd waren wij over het vijfde nummer van ons Nieuw Letterkundig Magazijn, dat kort voor de vergadering verscheen. De gehele redactie, maar in het bijzonder eindredacteur R. Breugelmans, verdient hiervoor onze waardering, aldus de voorzitter.
Minder goed waren wij dit jaar met de jaarstukken, die u niet op de volgens de Wet vereiste termijn hebt ontvangen, erkende de voorzitter, maar op zijn deemoedig peccavi volgde een stilzwijgende absolutie.
Hierna was de weg vrij voor het in snel tempo behandelen van de agendapunten. Bij het verslag van de staat der Maatschappij wees de voorzitter nog op de vele activiteiten in het jaar 1984-1985. Van de Minister van WVC kwam kort voor de vergadering een brief met dank voor ons telegram inzake de impasse die ontstaan is door de P.C. Hooft-prijs-kwestie. De heer J. Gerritsen vraagt hoe het bestuur nu besloten heeft over het advies van de Commissie voor de bibliotheek. De voorzitter antwoordt dat het bestuur dit advies in hoofdlijnen volgt; over modaliteiten is nog een gesprek gaande. De heer Braches meldt dat het niet mogelijk is al in januari aanstaande een verbeterde ledenlijst te zenden.
Het verslag van de Noordelijke Afdeling, dat aangaande Zuid-Afrika en dat van de bibliothecaris worden zonder discussie aanvaard.
Tussen letteren en cijfers (geld) bestaat altijd een zekere spanning. Zo maakt de heer Sivirsky zich tot tolk van hen die niet begrijpen waarom de bureaukosten van secretariaat en administratie en de kosten van promotie en publiciteit zo zijn gestegen. De penningmeester wijst op het roerige leven dat de Maatschappij leidde en dat in brede kring werd gewaardeerd. Voorts is er nu geen salaris meer voor secretaris/bestuurslid, maar voor een bureaumedewerkster. De heer Gerritsen zou graag in de toekomst een geschreven verantwoording zien en een begroting. In deze wens wordt hij door enige andere leden bijgevallen. De contributieverhoging waar hij en alle andere aanwezige leden voor zijn, kan dan beter geadstrueerd worden. De voorzitter stelt vast dat de contributie nu is vastgesteld op ƒ 55,00 per jaar. Tevens maakt hij melding van het feit dat de Kascommissie, bestaande uit de dames C.W. Fock en A.J. Versprille, alles feilloos heeft bevonden, zodat de penningmeester wordt gedechargeerd, met daarbij grote dank aan ons financiële geweten, de heer D. Braggaar.
De verslagen van de Commissie voor geschied- en oudheidkunde, van de Commissie voor taal- en letterkunde en van de Werkgroep 19e eeuw worden in dank aanvaard.
Een novum in de geschiedenis van de Maatschappij is het instellen van een Prijzenfonds, waarschijnlijk in de vorm van een stichting. In Wet en Reglementen liggen de maxima van onze prijzen vast; die blijken echter te laag en zij kunnen nu, zonder de afzonderlijke fondsen voor die prijzen geweld aan te doen, gesuppleerd worden uit het algemene Prijzenfonds, dat wij danken aan het genereuze legaat Tjaard de Haan. Door deze vorm te kiezen, hoeven maar beperkte wijzigingen en aanvullingen in Wet en Reglementen plaats te vinden. In de volgende jaarvergadering zullen die aan de leden worden voorgelegd.
Vervolgens brengt de voorzitter het advies van de jury voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs in stemming. De vergadering kent de prijs overeenkomstig het voorstel toe aan Benno Barnard voor zijn in 1983 verschenen bundel Klein Rozendaal. Enige leden betreuren het feit dat de pers al melding maakte van dit feit alvorens de ledenvergadering zich kon uitspreken. Van bestuurszijde wordt gesteld dat het onmogelijk is een voorstel geheim te houden dat naar duizend leden gaat. De pers is niet geïnteresseerd in de toekenning, maar in de voordracht, en dan kan men beter aan alle kranten tegelijk die mededeling doen. De vrijheid van de ledenvergadering om de juryvoordracht te volgen of niet te volgen, blijft onverlet. Daar zijn voorbeelden van in en buiten eigen kring.
De vergadering stemt graag in met het bestuursvoorstel tot het instellen van een ‘Henriëtte de Beaufort-prijs’ overeenkomstig de testamentaire beschikking van erflaatster. Zij heeft deze naam bepaald en voorts enige aanwijzingen gegeven die in een reglement zullen worden opgenomen.
Veel instemming krijgt ook het besluit van het bestuur de Dr. Wijnaendts Francken-prijs dit jaar toe te kennen aan Carel Peeters voor met name zijn essaybundel
Houdbare illusies, verschenen in 1984. Aan het begin van de middagvergadering zal de uitreiking plaatsvinden.
Tot slot van deze prijzenslag deelt de voorzitter mee dat het volgend jaar aan de ledenvergadering een voorstel zal worden voorgelegd om de Dr. Wijnaendts Francken-prijs, de Henriette Roland Holst-prijs en de Henriëtte de Beaufort-prijs eens per drie jaar uit te reiken.
De bloei van de Maatschappij wordt ook uitgedrukt in het aantal nieuwe leden dat door stemming van de zittende leden wordt benoemd. De Commissie voor stemopneming bestond dit jaar uit J.J.M. van Gent en R. Visser. Onze nieuwe medewerkster mevrouw Esther Hendriks-de Koning leest het ondertekende protocol voor. De uitslag luidt: 165 geldige stembiljetten en derhalve een kiesdeler van 33, wat betekent 41 gekozenen, van wie er 39 hun benoeming aanvaardden. (Zie voor hun namen elders in dit nummer.) R. Anker en dr. J. Goedegebuure maakten van de uitnodiging om lid te worden geen gebruik. Vervolgens kon de stemcommissie mededelen dat voor het bestuur met overweldigende meerderheid de a-kandidaten werden gekozen, te weten dr. L.L. van Maris en P.A.W. van Zonneveld. Voorts met algemene stemmen dr. S. Groenveld en dr. H.J. de Jonge voor de Commissie voor geschied- en oudheidkunde en Adriaan van Dis voor de Commissie voor Zuid-Afrika.
De twee nieuwe bestuursleden vervangen vier aftredenden. De voorzitter ziet hun taak zwaar, want zij moeten in de plaats treden van mevrouw Fock, die hij kenschetst als een wijs en evenwichtig bestuurslid met grote interesse voor alles wat de Maatschappij aangaat en een inzet op alle momenten en in elke situatie waarin een beroep op haar bijzondere gaven werd gedaan. Dr. E. Braches is in de loop van vele jaren zo vertrouwd geraakt met ons werk, dat je de Maatschappij zonder hem in het bestuur haast niet kunt indenken. De zorg die hij aan de Jaarboeken besteedde en vooral de vernieuwingen die hij daarin aanbracht, zullen een blijvend beeld vormen. Vierentwintig en vijftwaalfde jaar beheerde mr. J.R. de Groot onze bibliotheek; je kunt haast zeggen - aldus de voorzitter - het is zijn bibliotheek die hij nu achterlaat aan ons als Maatschappij. Dit wordt later in de vergadering nog beklemtoond door vakgenoot Braches, die met zijn know-how gezien heeft hoe De Groot van een ontoereikende verzameling een collectie heeft weten te vormen die uniek is voor de Nederlandse taal- en letterkunde in den lande. Nadat de voorzitter ook de steun heeft gememoreerd die de Maatschappij kreeg van de juridische kennis van De Groot, komt hij tot A.J. Korteweg, een vraagbaak voor ons allen als het ging om literaire kwesties, zowel historisch als contemporain. Die twee elementen waren ook sterk aanwezig in zijn fungeren als bestuurslid van onze Maatschappij.
De agenda vermeldt nu de eenvoudige zin: ‘Benoeming van een erelid’ en de bloemen staan nog verborgen. Als de voorzitter meldt dat het bestuur voorstelt dr. C.F.P. Stutterheim te benoemen, breekt een ovatie los. De
benoemde is zichtbaar ontroerd en het duurt even voordat dr. C.A. Zaalberg aandacht krijgt om de laudatio uit te spreken. Elders in dit nummer vindt men de tekst, die een voortreffelijke onderbouwing is van het enthousiasme der leden. De geestelijke champagne komt daarna van de benoemde zelf, die in alle situaties het juiste woord en de juiste toon weet te treffen.
De ondervoorzitter krijgt - uit discretie - even de hamer om de leden voor te stellen voorzitter Wesseling ook voor het komende verenigingsjaar tot voorzitter aan te wijzen. De leden tonen duidelijk dat zij zich hier heel gelukkig mee voelen.
Voor de rondvraag meldt zich niemand, zodat ieder zich tevreden en verlangend naar de witte en rode wijn in De Doelen reppen kan.
Het openbaar gedeelte van de vergadering vond 's middags plaats in het Klein Auditorium van het Academiegebouw. Mevrouw dr. M.H. Schenkeveld las het juryrapport voor, de voorzitter gaf de enveloppe en de met de Dr. Wijnaendts Francken-prijs bekroonde Carel Peeters hield een boeiende causerie.
Hierna kreeg Rudi van der Paardt, de man met de vele ideeën, de leiding voor het middaggedeelte over ‘Dagboekliteratuur’. Het bleek ook nu weer in de roos geschoten met drie inleidingen van Hans Warren, Martin Ros en Herman Verhaar. Als steeds was de tijd te kort om alle opkomende vragen uitputtend te behandelen. Kleine groepjes trokken na afloop naar kleine kroegjes in Leiden, waar de discussies met verve werden voortgezet. Maar dat de Maatschappij bloeit, was in heel Leiden hoor- en zichtbaar op die bijzondere dag van acht juni negentienhonderdvijfentachtig.