terug  begin  verderprepost

Laudatio uitgesproken bij de toekenning van het erelidmaatschap aan dr. C.F.P. Stutterheim

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren,

 

Ons medelid Stutterheim heeft na zijn eindexamen HBS B en het staatsexamen gymnasium α te hebben afgelegd, aan de Universiteit van Amsterdam gestudeerd in de Nederlandse taal- en letterkunde. Toen hij begon te publiceren trok hij de aandacht van velen door de originaliteit, om niet te zeggen de gewaagdheid van zijn onderwerpen. Hij trachtte de vraag te beantwoorden, in hoeverre ‘modaliteit’ een begrip was dat een plaats verdiende in de grammatica, hij onderwierp Perks Iris aan een kritiek die Leavis eer zou hebben aangedaan, kende waarde toe aan -zoals het opstel getiteld was- Visuele elementen in de literatuur, en kritiseerde de wijze waarop Wilhelm Wundt in zijn beroemd standaardwerk de metafoor had behandeld met betrekking tot de betekenisverandering.



illustratie

Het was iets zeldzaams, misschien unieks, dat een neerlandicus van zijn generatie bij voorbeeld de taalkritiek van Mauthner en de Logische Untersuchungen van Edmund Husserl had bestudeerd. Die studie moet, deels, de grondslag hebben gelegd voor zijn vorming als zelfstandig denker. Daarbij kwam een wel zeer ruime belezenheid op psychologisch en literair gebied, waarbij hij zich bepaald niet tot de Nederlandse letterkunde beperkte.

Zijn proefschrift kreeg de titel Het begrip metaphoor. Een taalkundig en wijsgerig onderzoek. Dit onderzoek omvatte hetgeen in meer dan twee millennia dit begrip had omvat, ruw gezegd van Aristoteles tot de twintigste-eeuwse stilistiek.

De onafzienbare reeks artikelen die hij op zijn promotie in 1941 heeft laten volgen, eigenlijk zou ik moeten zeggen: de diverse reeksen artikelen, houden zich consequent bezig met logica, taaltheorie, stilistiek en psychologie, nu ja, ook wel met andere onderwerpen. Ik noem u enkele boeken van zijn hand; Stijlleer (1947), Inleiding tot de taal-philosophie (1949), Problemen der literatuurwetenschap (1953). De titels spreken van zijn brede terreinbeheersing, maar wat de lezer telkens weer tot bewondering dwingt, is de menigvuldigheid van nieuwe aspecten die Stutterheim op die gebieden opent, en de overtuigende kracht waarmee hij zijn standpunten verdedigt. In zijn inaugurele oratie Voornaamwoordelijke misstappen en misverstanden van 1956 opent hij terloops onze ogen voor een spraakkunstregel die de relatie betreft tussen een voornaamwoord en de voorafgaande substantieven waarnaar het kan verwijzen.

Wat deze leraar niet minder boeide, was de praktijk van het moedertaalonderwijs. Hij toonde zijn toewijding door een herdruk te bezorgen van dat verrukke-

[p. 41]

lijke werk van zijn schoonvader, Mathijs Acket: Stijlstudie en stijloefening. Hij moderniseerde het allerbeminnelijkste boek waar nieuwe inzichten betreffende woordleer, beeldspraak en metriek dat nodig maakten, en slaagde er toch in, het zichzelf te laten blijven. Daarentegen wierp hij een knuppel in het docentenhok in 1954, met Taalbeschouwing en taalbeheersing. U heeft wel eens gemerkt, misschien al toen u op school was, dat er verschil van mening bestaat over het nut van het onderwijs in de grammatica van de moedertaal. Op grond van tientallen jaren ervaring als leraar en examinator, niet in de laatste plaats voor de middelbare akte, komt Stutterheim tot de conclusie dat de taalbeheersing gebaat zal zijn bij onderwijs in bepaalde, zorgvuldig uitgekozen, onderdelen van de spraakkunst. In dit boek verrijkt hij ons begrippenapparaat met de nuttige vondst ‘grammatische homonymie’.

Eén terrein heb ik nog onbesproken gelaten, dat is de filologie. Nadat hij in 1946 twee middeleeuwse tafelspelen had uitgegeven naar een Romeins handschrift, heeft Stutterheim dat terrein pas weer een jaar of twintig later betreden toen hem de opdracht gewerd om voor de nu zo goed als voltooide reeks Werken van Bredero de editie te leveren van de Spaanschen Brabander. Hij heeft zich niet laten ontmoedigen al waren er kort tevoren twee goede edities verschenen, die van zijn collega Damsteegt en die van pater Prudon. Zoals we verwachten konden, behandelde hij in zijn heel uitvoerige inleiding alle vanouds bekende Brabanderraadsels opnieuw, waarbij ook hij niet steeds het overtuigende antwoord vermocht te vinden, maar vestigde hij ook de aandacht op tot dusver verwaarloosde details. Ten slotte werkte hij intensief mee in het door wijlen Garmt Stuiveling zo voorbeeldig geleide groepje waaraan het geluk ten deel viel, in jaren van produktieve kritische samenwerking een editie samen te stellen van Bredero's Groot Lied-boeck. Hij verraste daarbij dikwijls door een verlossende kijk op een beklemmend onduidelijke zinsconstructie, maar ook wel eens door een resultaat van noest en nederig speuren in de woordenboeken.

Dames en heren, hetgeen Stutterheim uniek maakt in de wetenschappelijke wereld, is niet enkel de breedheid van de stof die hij beheerst. Ik màg niet volstaan met te zeggen: luister straks maar naar hemzelf. Ik móet mijn opsomming completeren door u enkele karakteristieke trekjes van zijn werk en zijn persoon aan te wijzen.

Ik lees u een alinea uit een van zijn commentaartjes in Forum der Letteren. Aanleiding was de uitspraak van een Amerikaans linguïst, aanhanger van de Chomskyaanse transformationeel-generatieve grammatica, dat de ‘cultural lag’ van Europa door vrijwel niets zo treffend bewezen werd als door het denkbeeld, ‘strongly advocated by the Dutch scholars Uhlenbeck and Reichling’, dat de betekenis van een woord ‘is solely a function of the context’, zodat we de woordenboeken wel op de mesthoop kunnen gooien. Nu de commentaar van Stutterheim (Forum der Letteren, augustus 1966, p. 185):

‘Twee Nederlandse geleerden worden hier beschuldigd van iets onzinnigs, dat zij gedurende tientallen jaren juist met klem van argumenten hebben bestreden. Door de transformationalist Postal tot hun tegendelen getransformeerd, hebben zij nu als culturele achterblijvers internationale bekendheid verworven. Zij zullen na het lezen van Postal's loze beschuldiging wel een aanvechting hebben gehad om uit hun vel te springen. Wat mij betreft: toen ik de geciteerde passus voor het eerst onder ogen kreeg, voelde ik een huivering als voor een afgrond. Het was de huivering voor het volstrekt onbegrijpelijke. Zo iets moet Baudelaire gevoeld hebben, toen hij in zijn sonnet Le Gouffre schreef:

 
[...] et sur mon poil qui tout droit se relève
 
Maintes fois de la Peur je sens passer le vent.’

De geschriften van Stutterheim, zowel zijn genoemde boeken als zijn artikelen, deels al in bundels verzameld, zijn recensies, zijn bijdragen aan encyclopedieën en zijn Commentaartjes in Forum der Letteren, zoals het hier aangehaalde, zijn voorbeelden van stijlbeheersing. Zijn schrijftrant is voornaam en ernstig, zeker in zijn wijsgerige werk. Hij zal bij voorbeeld een alchemist omschrijven als ‘iemand die op bedriegelijke wijze “goud maakt” uit stoffen waarin’ - en nu zoudt u waarschijnlijk zeggen: waarin al goud zit, maar hij gaat door: ‘waarin dit metaal reeds aanwezig is’ (Conflicten en grenzen, p. 46). Hij blijft dit stijlniveau trouw dank zij de gave der ironie, ik citeer weer: ‘Toen ik betrekkelijk aan het begin van een lezing over moderne psychologie de spreker hoorde gewagen van “een zekere Freud”, bewees hij daarmee op voor mij overtuigende wijze de onzekerheid van zijn kennis; in de rest van zijn betoog heeft hij niet veel meer kunnen doen dan andersoortig bewijsmateriaal voor de juistheid van mijn overtuiging aandragen’ (ibid., p. 31). U heeft gelet op dit spel met ‘zeker’ en ‘onzeker’ en met ‘voor mij overtuigende wijze’ en ‘mijn overtuiging’. Dit spottende stilisticum hanteert hij vaak, bij voorbeeld als hij uit een oud oefeningenboekje citeert: ‘Voorzie het volgende stukje van naamvallen’ en de bedoeling van die opdracht uitlegt: ‘Deze voorziening bestaat dan in het plaatsen van cijfertjes (van 1 tot en met 4) boven de woordjes’ (Taalbeschouwing en taalbeheersing, p. 57).

Het is pikant om te zien hoe hij zijn stijlprocédé herkent en waardeert bij het bespiegelen van een plaats uit Kees Stip:

 
Twee kostschoolmeisjes te Misore
 
zijn aan hun banken vastgevroren
 
en ook een knaapje op Ceylon
 
dat zijn grammatica niet kon.

Waarom, vraagt Stutterheim zich af, heeft de dichter het woord ‘grammatica’ gekozen, en niet zo iets gewoons als ‘geschiedenis’ of ‘natuurkunde’, dat toch ook in het metrische schema zou hebben gepast? Hij antwoordt: ‘Met feilloze zekerheid heeft de dichter dat ene woord gekozen, omdat het meer dan de andere geschikt was om in dit koddige gedicht een koddig gezicht te zetten’ (Uit de verstrooiing, p. 261).

De onverstoorbaarheid waarmee Stutterheim het lachwekkende vermomt achter de statigheid van zijn taal-

[p. 42]

gebruik is ook een kenmerk van zijn onnavolgbare welsprekendheid. Velen van u herinneren zich hoe hij een half jaar geleden in ditzelfde gebouwencomplex een redevoering uitsprak bij de voltooiing van de honderdste jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, en hoe hij daarin terloops een van zijn zetten gaf tegen een modeverschijnsel in het taalgebruik. Hij klaagde met pathos hoe alle abstracties in stukken en brokken uiteenvielen en verduidelijkte toen zijn bedoeling met ‘het stuk idealisme’, ‘het stuk medemenselijkheid’, ‘het stuk vakbekwaamheid’ enzovoorts, waar tegenwoordig ieder woordvoerder de mond van vol heeft.

Is dit rekken aan woorden, dit experimenteren met hun elasticiteit, niet typerend voor iemand die gegrepen is door de metafoor? Hoe ver, schijnt de taalfilosoof, schijnt de stilisticus zich af te vragen, kun je met een woord gaan, hoe lang blijft het nog zichzelf?

En hiermee belanden we bij het begrip dat bij Stutterheim de taalfilosoof even centraal staat als bij Stutterheim de taalpsycholoog ‘bewustzijnsniveau’: het begrip ‘identiteit’. Hoe meer u in zijn geschriften leest, hoe duidelijker u zal worden wélke plaats het in zijn denken inneemt. Slaat u daarbij vooral niet zijn autobiografische novelle over: De man die niet Wilgenburg wilde zijn.

Ik moet wel afbreken. Ik heb enkele van de redenen genoemd waarom men op het idee zou kunnen komen, dr. C.F.P. Stutterheim tot erelid te benoemen. Ik noem u nu de hoofdreden. Onze Maatschappij heeft leden in soorten. De gewone leden zijn degenen wier bijdrage aan de Maatschappij hun contributie is. Een deel van hun kan ook belangstellende leden genoemd worden, dat bent u namelijk die hier in de zaal zit. Een klein deel is werkend lid, dat zijn de bestuursleden. Maar er zijn ook heel enkele ereleden, en dat zijn degenen wier lidmaatschap bijdraagt tot de eer van onze Maatschappij. Ik hoop dat ik duidelijk geweest ben.

 

C.A. Zaalberg

prepostterug  begin  verder