terug  begin  verderprepost

Dagboekliteratuur

Dames en heren,

 

Wanneer we ons in het verschijnsel dagboekliteratuur verdiepen willen is het misschien goed eerst enkele dingen op een rij te zetten. Voor u hierheen kwam hebt u waarschijnlijk de convocatie voor de drie lezingen bekeken en de opmerkingen daarin hebben ieders gedachten onherroepelijk een beetje gestuurd, ook de mijne. U las namelijk een uitspraak van Greshoff pro en van Hermans contra dagboeken, memoires en dergelijke geschriften en voorts de bewering dat er de laatste jaren in ons land een ware revival van de belangstelling voor het literaire dagboek zou zijn ontstaan.

Of van een revival gesproken mag worden weet ik niet zo - dat zou inhouden dat de belangstelling voor het literaire dagboek in ons land ooit al eens erg groot is geweest. Dat is beslist niet het geval, ondanks de voorkeur van Greshoff en enkele gelijkgezinden zo'n halve eeuw geleden. Integendeel, het literaire dagboek is te allen tijde in de Nederlandse literatuur een stiefkind geweest en gebleven en pas de allerlaatste tijd bestaat er een wat bredere interesse.

Anne Frank en Etty Hillesum zijn begrippen. Als ik hun namen uitspreek doe ik dat met schroom. Want wat zouden deze vrouwen met hun terecht zo beroemd geworden dagboeken gedaan hebben als ze waren blijven leven?

Anne Frank en Etty Hillesum zijn door hun lot in een aparte klasse geplaatst. Ik voel dat duidelijk wanneer ik wil proberen om mijn eigen plaats te bepalen. Je bent in onze letteren met dagboeken en dagboekachtige geschriften snel klaar. Beets, Van Deyssel, Van Eeden, Slauerhoff, Buddingh', Peereboom, dan heb je het zo ongeveer gehad. Ik voel me dan nog het meest verwant aan Van Deyssel, maar enige invloed heeft hij niet op me gehad, daarvoor leerde ik zijn intieme notities te laat kennen.

Nee, een geliefd en gewaardeerd genre was het literaire dagboek in ons land nog nimmer, en toen ik als beginnend schrijver mijn weg probeerde te vinden en, zoals ieder dan toch haast vanzelfsprekend doet, naar geestverwanten en voorbeelden uitkeek, vond ik die niet. Want zelfs de enkele namen die ik zojuist noemde ontbraken toen nog, er was absoluut niets. Wat welbeschouwd toch een hoogst merkwaardige toestand was: een literatuur zonder enig dagboek.

Het isolement waarin ik me toen ik begon te schrijven bevond was vrijwel absoluut. Het was oorlog, ik woonde in de meest afgelegen hoek op een Zeeuws eiland en allerlei privé-omstandigheden maakten de afzondering nog sterker. Maar wie zal het zeggen, misschien is zo'n situatie juist wel de ideale kweekgrond voor een dagboekschrijver.

Het is bij mij allemaal erg argeloos begonnen. Ik hield al van omstreeks mijn zeventiende een natuurdagboek bij waarin ik verslag uitbracht van mijn waarnemingen aan vogels, planten, schelpen en dergelijke en ook mijn excursies in natuurgebieden zo kleurrijk mogelijk schilderde. Ik deed dat met grote regelmaat. Maar af en toe vonden er zulke ingrijpende gebeurtenissen plaats dat ik ook die in mijn natuurdagboek noteerde. Als voorbeeld noem ik de oorlogsdagen van mei 1940.

Maar toen ik met mijn eigenlijke Geheim dagboek op 16 april 1942 begon had ik nog geen literaire voorbeelden gevonden. De rijkdom aan buitenlandse dagboekliteratuur raakte pas geleidelijk voor mij ontsloten ná de bevrijding.

Het zou het komen dat onze literatuur geen dagboeken kende? Ik weet het niet. Ik scherm niet graag met de termen volk en volksaard. Maar àls we dan een volk zijn van schilders bij voorbeeld, en niet van schrijvers, dan zijn we het heel beslist niet van dagboekschrijvers. Jezelf blootgeven wordt snel gênant en ongepast gevonden en wanneer je nog tijdens je leven er toe over

[p. 43]

gaat eigen intimiteiten in druk prijs te geven wordt er al snel gedacht en gezegd: wat verbeeldt die vent zich wel, denk je dat we ons interesseren voor zijn onbeduidende en onsmakelijke privé-leven? Nòg erger wordt het gevonden dat intimiteiten over derden in de openbaarheid komen: hoe zit het met hun privacy?

‘Hoe zit het met mijn privacy?’ schijnt zelfs menigeen te denken die niet meer onbevangen de dagboekschrijver benadert. ‘Want al wat ik tegen hem zeg, al wat ik met hem doe of niet doe, het wordt misschien opgeschreven en over een paar jaar met rode oren gelezen door duizenden lezers. Mijden moet je zo'n kerel, hij is gevaarlijk.’

In een land als het onze waar zich in de literatuur geen enkele dagboektraditie had kunnen ontwikkelen was het niet veel minder dan een avontuur, zowel voor mij als voor mijn uitgever, om aan dit project te beginnen. Ik zal proberen zo beknopt mogelijk weer te geven hoe het gegaan is.

Hoe mijn eigen Geheim dagboek zich geleidelijk ontwikkelde uit mijn natuurdagboeken heb ik al geschetst. Ik was overigens al twintig voor ik begon te schrijven en ik heb mezelf altijd in de eerste plaats dichter gevoeld. Geen prozaïst. Toen ik in 1942 met mijn Geheim dagboek een begin maakte moest ik het métier nog onder de knie krijgen. Zelf heb ik altijd een uitgesproken voorliefde voor autobiografische geschriften, confessies, brievenboeken en dergelijke gehad en in de loop van de jaren vond ik vooral in de Franse literatuur veel en schitterende voorbeelden, als de egotistische geschriften van Stendhal, de brieven van Flaubert, Eugène Fromentin, de correspondentie tussen Alain-Fournier en Jacques Rivière, de dagboeken van Gide, de notities van Léautaud en Jouhandeau - een ware overvloed. Wat me trof was dat ik de autobiografische aantekeningen van deze schrijvers vaak veel interessanter vond dan hun verhalen en romans, hun fantasieën, hun ‘studeer- en slaapkamerverzinseltjes’ om Greshoff te citeren, al laat ik het woord pover hier dan weg.

Ik heb uiteraard, en beter laat dan nooit, deze schrijvers in menig geval als voorbeeld gebruikt op de weg die ik gaan wou. Ik wist nu dat je van een ‘journal intime’ een literair meesterwerk kòn maken, ook al was dat dan in Nederland nog nooit geprobeerd. En ik heb, de jaren door, mijn best gedaan om alle facetten van mijn leven zo oprecht en zo goed mogelijk in dagboekvorm vast te leggen.

Nimmer is het mijn bedoeling geweest dit dagboek nog tijdens mijn leven te publiceren. Ik weet dat dit nu een hypocriete bijklank heeft maar het is de waarheid. Het is in deze context misschien interessant om een pagina voor te lezen uit deel vijf dat dit najaar verschijnen zal, en wel de notitie van 16 september 1955. Deze aantekening luidt:

‘Onlangs las ik in een Frans weekblad, ik meen in L'Express, dat het “journal intime” een “genre faux” was. Bedoeld werd wellicht: het reeds tijdens het leven van de auteur min of meer volledig uitgegeven dagboek. Een dagboek geschreven voor anderen. Maar een dagboek als dit, een dagboek als een soms meer soms minder noodzakelijk houvast is niet “faux”. Kafka's Tagebücher werden ook genoemd - ze zijn een goed voorbeeld. En nu ik. Ik ben geen groot man, geen interessant kunstenaar, geen diepe originele geest, geen baanbreker en ik ga ook niet met zulke lieden om. Ik houd een dagboek bij, noteer dat ik een slecht gebit heb, verliefd ben, van mijn kind houd.

Waarom? Voor wie? ik ben niet van plan iets ervan te publiceren zo lang ik leef, gesteld dat iemand het uit zou willen geven. Wanneer deze schriften, notitieblocs, losse blaadjes niet verloren gaan komen ze dus later in andermans handen. Het meest waarschijnlijk in die van (mijn dochter) Amanda of eventueel andere kinderen. Ik hoop die kinderen zo op te voeden dat ze niet geschokt zullen worden door wat zij te lezen krijgen.

Ik zie voorlopig nog niet hoe - op dit ogenblik is de gedachte dat Amanda dit later lezen kàn (ik zeg niet lezen zàl) mij onaangenaam.

Goed, Amanda dan of mogelijk een vreemde ontcijfert deze honderden bladzijden en komt aan deze regels toe.

En gaat verder, leest wat er nu nog niet staat.

Voor wie heb ik dit geschreven, zal ik wat volgt schrijven? Toch niet alléén voor mezelf, anders zou ik me op dit moment niet een beetje wonderlijk voelen en zelfs de behoefte hebben die latere lezer te groeten.

Ik groet u.

Er is dus, zelfs bij een “journal intime” als het mijne wel degelijk een verlangen tot bestendiging. Dat wil zeggen dat het toch ook wel een literaire kunstvorm is waarin je vaak het beste van jezelf geeft. Het is veel meer dan enkel geheugensteun, vastgelegd materiaal om later te gebruiken. En dagboek zou alle andere boeken overbodig moeten maken, alle genres in zich verenigen.

“Mon coeur mis à nu”. Daardoor kan de lectuur van dagboeken zo'n genot zijn, men ontmoet er de mensen in zoals ze zijn, in hun kleinheden, hun twijfels. Hun zielsgebreken zijn er niet bemanteld door het rijke gewaad van de grote kunst.

Je bent in direct contact.

Het komt het dichtst bij een persoonlijke ontmoeting.’

Tot zover deze notitie uit deel vijf.

Hetzelfde deel vijf bevat nog een reflexie over dagboekschrijven, of liever over het opgeven daarvan:

‘Aan de ene kant: een dagboek bijhouden is een zware zelfopgelegde last. De andere kant: je voelt je tegenover jezelf tekortschieten wanneer je opgeeft. Hèb je eenmaal opgegeven dan slijt die wroeging snel, vermoed ik. Want niemand zal je van gemakzucht betichten, het opgeven is een geheime zonde waar behalve je zelf niemand weet van heeft’ (29 augustus 1954).

Nu komt natuurlijk de vraag bij u op: waarom geeft u uw dagboeken dan toch tijdens uw leven al in het licht.

Uit de voorgelezen passages blijkt duidelijk dat ik me er altijd van bewust ben geweest dat ik met mijn Geheim dagboek iets maakte dat zich in literair opzicht meten kon met mijn andere werk. De vele buitenlandse voorbeelden gaven me het vermoeden dat wat elders kon, hier toch ook wel zou moeten kunnen. En toen de eerste stap in de richting van een eventuele publikatie gezet werd van de zijde van de uitgeverswereld ben ik

[p. 44]

gaan nadenken. Men wist dat ik al tientallen jaren een dagboek bijhield en was een tikje nieuwsgierig. Wie weet was de tijd rijp voor het genre. De eerste die mij benaderde was Martin Ros, hij heeft jarenlang aan me getrokken om me over te halen een selectie uit mijn Geheim dagboek af te staan voor zijn reeks Privé-domein. Maar mijn schroom was nog te groot, ik durfde het niet aan. Ik heb Martin Ros, hoewel we vrienden werden, zelfs nooit iets laten lezen.

Vervolgens kwam mijn uitgever Bert Bakker, de man die het ook op zijn geweten heeft dat ik behalve als dichter als prozaïst ging publiceren, dat de boeken Steen der hulp en Demetrios geschreven en uitgegeven werden. Bert Bakker heeft waarschijnlijk op een gunstig moment een goed voorstel gedaan. De tijden en de zeden waren geleidelijk veranderd, men nam ook in ons land niet meer zo snel aanstoot aan openhartige confessies over allerlei sexuele en andere gedragingen die wat buiten het gangbare vielen. Bovendien verzekerde Bert Bakker me dat hij mijn dagboek integraal uit zou geven als hij het goed vond. Of hij eens een aantal passages mocht lezen. Het is een zeer zware beslissing voor me geweest. Ik gaf een paar fragmenten ter inzage, en toen was hij pas recht enthousiast.

Uiteraard wisten toen hij noch ik dat de boeken zo'n brede weerklank zouden vinden - het ging zuiver om ideële dingen.

Ik zette alles op een rij, de voordelen, de nadelen.

Wat zeer zwaar voor mij woog was het feit dat ik dan zelf de dagboeken zou kunnen redigeren. Een latere tekstbezorger zou wellicht met de handen in het haar zitten, niet alleen wegens het ontcijferen (ik heb een moeilijk handschrift zoals men dat in het Letterkundig Museum eufemistisch noemt) maar ook wat betreft het al dan niet opnemen van herhalingen, verschrijvingen, stilistische fouten zoals die ontstaan kunnen bij soms slordig, snel noteren en het schrappen van onbenulligheden die in ieder dagboek onherroepelijk opduiken als een overvloed aan weerberichten en gezondheidsbulletins.

Vervolgens zou ik zelf de privacy van derden zo goed mogelijk kunnen beschermen door initialen te gebruiken en andere namen te verzinnen wanneer het geen publieke personen betrof.

Ik liet me overhalen. In 1981 verscheen het eerste deel, deze herfst komt het vijfde dus. De boeken werden in de kritiek buitengewoon gunstig ontvangen en ze bezorgden me als prozaïst in vier jaar een faam die ik als dichter in veertig jaar niet heb bereikt.

Was dit succes te voorzien? Beslist niet.

Betreur ik het dat de prozaïst Warren de dichter overvleugelt? Een béétje is dit het gevoel, lijkt me, of je door een jongere broer wordt voorbijgestreefd, want het dagboek, voor zover verschenen, loopt immers nog maar tot 1953.

Maar ook heeft het succes van het dagboek de belangstelling voor mijn poëzie en andere literaire activiteiten aangewakkerd, er is een duidelijke opleving merkbaar.

Er is nòg een reden waarom ik blij ben tot publikatie van het Geheim dagboek over te zijn gegaan. Uit de honderden brieven die ik als reactie kreeg van oud en jong, van mannen en vrouwen, jongens en meisjes uit alle lagen van de bevolking heb ik ervaren dat deze boeken voor veel mensen intens veel betekenen. En zo kreeg ik een direct antwoord op de vraag die ik mezelf in 1955 stelde: ‘Waarom? Voor wie?’ Het merkwaardigst vind ik die weerklank omdat ik geen enkele boodschap heb. Zelfs het feit dat ik mijn leven lang buiten het gareel gelopen heb schijnt geen bezwaar te zijn - de lezer herkent zich en heeft er iets aan.

Wàt trekt hem. Die Spiegel?

Ik stuitte eens op de volgende omschrijving van Stefan Kanfer over het dagboek. Hij zei:

‘A diary is a kind of looking glass. At first it reflects the diarist. But it ends by revealing the reader.’

Ik vermoed dat dit een van de eigenschappen is die menige lezer zo aantrekt. Maar zo'n spiegel dient dan wel optimaal geslepen te zijn. Het gaat niet aan om alles ‘nevelig te laten’ zoals Hermans gispte, dat wreekt zich onmiddellijk. Wie het dagboek beschouwt als een belangrijke literaire kunstvorm besteedt evenveel zorg aan dat proza als aan een roman of een novelle.

Ik vind het zelf merkwaardig dat ik vandaag sta te praten over een enorm omvangrijk ‘work in progress’ waarvan ik het totale aantal delen nog niet durf te schatten en dat ook waarschijnlijk nog lang niet voltooid is. Wèl hoop ik, net als André Gide, de laatste notitie bewust te kunnen maken, dus een afronding aan te brengen zoals ik eens een openingsregel schreef.

Wanneer ook dàt me gegeven mag zijn bestaat er een kans dat ik alle bezwaren heb ontkracht die Hermans tegen het genre heeft geformuleerd. Geen neveligheid, zelfs een afronding en in plaats van een goedkope manier van tekstproduktie een algehele inzet van mijn persoonlijkheid.

Latere geslachten moeten dan maar uitmaken of mijn dagboeken het uithouden naast de ‘povere studeer- en slaapkamerverzinseltjes van onze romanciers en romancières’ die Greshoff in zijn tijd kennelijk te licht bevond.

 

Hans Warren

prepostterug  begin  verder