terug  begin  verderprepost

Kinker en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden

Van een hartelijk contact tussen Kinker en de overbekende Leidse Maatschappij kunnen we niet spreken.1 Misschien zou nader onderzoek nog het nodige naar boven kunnen halen; maar vaststaat dat pas op een zeer laat tijdstip in Kinkers leven, op 28 juni 1820, hij tot lid gekozen werd, tijdens de algemene vergadering van dat jaar.2 Eigenlijk zou men Kinker deze eer toch wel eerder hebben kunnen bewijzen. Zijn activiteiten hadden al decennia de aandacht getrokken. Moeten we deze traagheid wijten aan de in het begin van de negentiende eeuw niet al te alert reagerende Maatschappij? Zij - of althans het bestuur - stond in die tijd politiek noch letterkundig als ‘progressief’ te boek. Voorzitter Jona Willem te Water, die van 1793 tot 1822 het voorzitterschap bekleedde, was, hoewel een aimabel persoon, duidelijk een kerkelijk kopstuk: en dus daarom alleen al waarschijnlijk niet iemand, die men gemakkelijk ziet als behorend tot de entourage-Kinker.

Men kan ook vermoeden, dat de oprichting van de Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde in 1800 (die ook leidde tot het ontstaan van een afdeling daarvan in Leiden) een zekere animositeit veroorzaakte: deze laatste maatschappij had een duidelijk progressieve signatuur, een krachtig beleid. Kinker nu behoorde tot de oprichters van de ‘Bataafsche’. Misschien is zijn late benoeming het gevolg geweest van een, vóór 1820, nog levend gevoel van dépit. Meer dan een vermoeden kan zulks op dit moment niet zijn.

[p. 5]



illustratie
Portret van Kinker in J.E. Marcus, Het studie-prentwerk. Amsterdam [z.j.], no. 82 (ex. UBA 952 B 8)

Maar ook zien we Kinker nóóit op een van de algemene jaarvergaderingen verschijnen.3 Een boekgeschenk aan de langzamerhand befaamde verzameling van de Maatschappij, zoals zovele leden herhaald gaven, kon er ook nauwelijks af.4 Van werkelijke betrokkenheid van Kinker bij de Maatschappij kunnen we dan ook niet spreken.

Inderdaad blijkt dan ook éénmaal, in zijn correspondentie, dat hij geen hoge dunk van dit gezelschap had. Op 5 juli 1827 schreef hij aan zijn vriend Siegenbeek (die Te Water als voorzitter opgevolgd was), naar aanleiding van allerlei taalkundige rariteiten in Bilderdijks Nederlandsche spraakleer: ‘Het ware te wenschen dat er in ons land eene maatschappij bestond, of dat er, onder de vele bestaande, eene bijzonder herschapen wierd tot een soortgelijk doel als dat waarmede zich het Koningsberger Duitsche genootschap bezighoudt; geheel, namelyk, aan de vaderlandsche taal, hare bronnen en oorsprongen gewijd! En wie is, beter dan gij, bevoegd om b.v. de Leydsche Letterkundige Maatschappij daartoe te hervormen?’5

Waar de Maatschappij zich tot dàn toe mee occupeerde, vond Kinker kennelijk niet zo boeiend. Wèl was het zo, dat Kinker door zijn vriend Siegenbeek wel eens met waardering genoemd werd, in zijn jaarlijkse rede. Zo sprak op 5 juli 1831 Siegenbeek natuurlijk onder meer over de ook culturele gevolgen van de Belgische afscheiding. Die was volgens hem het resultaat van een ‘goddeloos verbond’ van ‘een aantal heerschzuchtige en bijgeloovige geestelijken en hun domme volgelingen [...] met een aantal verfranschte Jacobijnen en Ongodisten, gerugsteund door eene menigte van Fransche gelukzoekers’.6 Als we de benaming ‘Ongodisten’ (de Maatschappij beroept zich in haar Handelingen tamelijk vaak op christelijke principes) even bezijden laten, klinkt dat tamelijk Kinkeriaans. En Siegenbeek vervolgt: ‘Dan, ik durf mij nogtans vleijen, dat de zaden, door het onderwijs van mannen, als een Schrant, Kinker, Meijer, in den Belgischen grond zoo mildelijk uitgestrooid, niet geheel verloren zullen gaan.’7 Naar die laatste uitspraak zal hij acht jaar later opnieuw verwijzen, als hij zegt dat dat zaad tot wasdom gekomen is, gezien de inspanningen en werkzaamheden van Jan Frans Willems.

Ook bij een andere gelegenheid, de herdenking van het gestorven medelid Bilderdijk, vond hij het, sprekend over diens prestaties als taalkundige, terecht om zijn grootste criticus op dit terrein, Kinker, met lof te noemen: ‘Zou men de meerdere of mindere gegrondheid der vele bedenkingen niet moeten toetsen, door ons schrander medelid, den Hoogleeraar Kinker, met eene groote mate van wijsgeerige scherpzinnigheid en uitgebreide kennis der verschillende takken van de algemeene Duitsche taal, tegens [Bilderdijks] Spraakleer in het midden gebragt?’8

Ook blijkt de Maatschappij ten slotte nog gebruik te hebben willen maken van Kinkers taalkundige competentie. In 1832, 1835, 1838 en 1841 werden er taalkundige prijsvragen uitgeschreven over respectievelijk de wijsgerige geest bij de woordvorming in het Duits en Nederlands, de woordvoeging sinds Maerlant, een overzicht van taalkundige schrijvers en de vereisten voor een Nederlandse spraakkunst.9 In die jaren werd Kinker telkens benoemd in de commissie die binnenkomende antwoorden zou dienen te beoordelen. Ik heb niet onderzocht, of hier uiteindelijk werkelijk door Kinker aan de Maatschappij diensten zijn bewezen (als er al inderdaad antwoorden binnengekomen zijn).

Toen Siegenbeek als voorzitter, op 18 juni 1846, Kinker herdacht, had hij daar niet al te veel tijd voor nodig,10 al is het waar dat hij naar reeds over Kinker verschenen literatuur verwees. In zijn woorden komt de Maatschappij zelf niet ter sprake; wèl de derde klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, die ‘bovenal de geurige en krachtige vruchten van zijnen tot kort voor zijn afsterven helderen geest genoot’.11 Siegenbeeks afsluitende zin getuigt van bewondering voor de integriteit van Kinkers persoonlijkheid, maar schijnt tevens te wijzen op de controverses van Kinker met zijn tijdgenoten - controverses die misschien juist in de kringen van de Leidse Maatschappij met scherpte gevoeld waren: ‘Als mensch verdiende hij mede en genoot, wegens zijne ronde opregtheid, zijn' leerrijken en geestigen omgang, zijne goedwilligheid en zeldzame bereidvaardigheid, om begane misslagen en overijlingen edelmoedig te erkennen, en, zooveel mogelijk, te herstellen, de genegenheid en achting ook van zulken, die van zijne vreemde gevoelens omtrent sommige, vooral Godsdienstige, onderwerpen zeer verre verschilden.’

Uit de nalatenschap van Kinker werden trouwens veel boeken en handschriften door de Maatschappij aangekocht.12

 

Amsterdam, 27 december 1985

A.J. Hanou

1Voor literatuur betreffende de Leidse Maatschappij, zie J.H. Buursma, Nederlandse geleerde genootschappen opgericht in de 18e eeuw. Uithoorn 1978, Bibliografische bijdragen 7, pp. 24-26.
2Bijdragen tot de geschiedenis van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1766-1866. Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het eerste eeuwfeest. Leiden 1867, p. 30.
3Hij komt niet voor in de lijsten van aanwezigen, in de gedrukte Handelingen van de jaarlijksche vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leyden, vanaf 1821 tot aan zijn dood.
4Blijkens de Handelingen voor 1824 had hij wèl zijn Brieven over het Natuurregt ten geschenke gegeven; maar dàt werk deed Kinker vrijwel elk genootschap cadeau.
5Gemeentearchief Leiden, arch. Siegenbeek van Heukelom, portefeuille NN.
6Handelingen voor 1831, p. 3.
7Idem, p. 6.
8Handelingen voor 1832, p. 6.
9Zie de Handelingen voor de genoemde jaren. In 1832 zat Kinker in één commissie met A. de Vries, J. Clarisse, S.I.Z. Wiselius en Siegenbeek; in 1835 met A. de Vries, J. Clarisse, J.M. Schrant en Iz. van Harderwijk; in 1841 met A. de Vries, J.M. Schrant, mr. H. Beijerman en J.H. Halbertsma. De letterlijke tekst van de (prijs)vragen, waarvan Kinker de antwoorden moest beoordelen, luidt:
(1832) Vergelijking van de Hoogduitsche en Nederlandsche Taal, met opzigt tot den wijsgeerigen geest, ten aanzien der woordvorming en andere bijzonderheden van gelijken aard, in beiden heerschende;
(1835) Welke wijzigingen heeft de woordvoeging der Nederlandsche Taal ondergaan van Maerlant en Melis Stoke af, tot op onze tijden toe?;
(1838) Eene oordeelkundige beschouwing van de schriften dier Nederlandsche Schrijvers, die zich door hunnen Taalkundigen arbeid hebben verdienstelijk gemaakt;
(1841) Welke zijn de vereischten van eene goede en volledige Spraakkunst der Nederlandsche taal? en in hoeverre kunnen één of meerdere der voorhanden zijnde Spraakkunsten geacht worden daaraan te voldoen?
10Zie de Handelingen voor 1846, pp. 7-11; een korte samenvatting is te vinden bij G.J. Vis, Johannes Kinker en zijn literaire theorie. Bijdrage tot een interpretatie van de voorredes bij zijn gedichten (1819-1821). Zwolle 1967, p. 243.
11Handelingen voor 1846, p. 10.
12Volgens de Bijdragen (zie noot 2), p. 223.
prepostterug  begin  verder