
Joh. C. Breen vermeldt in het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek in zijn bijdrage over mr. Zacharias Henric Alewijn onder andere: ‘De Bibliotheek der Maatschappij d. Ned. Lett. bezit een aantal waardevolle oude handschriften, door hem gelegateerd, benevens eenige bundels aanteekeningen van zijne hand over taalkundige onderwerpen en eene verzameling brieven uit de jaren 1761-88 aan Prof. M. Tydeman, met wien hij sinds zijn studententijd in warme vriendschap was verbonden.’
Onlangs heeft de bibliotheek van de Maatschappij een nieuw blijk van die vriendschap verworven in de vorm van een Leidse uitgave van de Institutiones uit de Codex Justiniani1 die in 1762 door Alewijn aan Tydeman werd geschonken, waarschijnlijk bij gelegenheid van Tydemans promotie tot doctor in de rechten. Het boek bevat de volgende door Alewijn geschreven opdracht:
Meinardo Tijdeman, Suollano, civi Trajectino, I.V.D.
dono dedit
Z.H. Alewijn, Amstelaedamensis, I.V.S.
Quem sibi Suolla suis gratatur moenibus ortum,
Isala splendorem quem vocat alta suum,
Quem pia discipulum vidisse Daventria jactat,
Quem Trajectinae splendida templa scholae,
Quem sibi praeconem gaudens Marcellus adeptum
Vlpius Elysii laetior arva colit;
Illum ego amicitiae firmo mihi foedere junctum
Glorior, ac socium nuper habere domus
Forsitan huic alius jam nunc locus invidet urbi
Et sibi praesentem te, Tydemanne, cupit.
I, quo fata vocant: sed ne languescere credas, Hunc librum nostri pignus amoris habe.
Trajecti ad Rhenum, a.d. III idus Jun. A. Ae. Dion. MDCCLXII.
Z.H. Alewijn, I.V.S.
In vertaling luidt de opdracht als volgt:
Aan Meinard Tijdeman uit Zwolle, burger van Utrecht, doctor in de beide rechten, heeft
Z.H. Alewijn uit Amsterdam, student in de beide rechten, (dit boek) ten geschenke gegeven.
Van wie Zwolle zich gelukkig prijst dat hij binnen haar muren is geboren,
Wie door de diepe IJssel haar sieraad genoemd wordt,
Van wie het vrome Deventer zich erop beroemt hem als scholier gezien te hebben,
Evenzo het schitterende gebouw van de school in Utrecht,
Wie Ulpius Marcellus verheugd als zijn lofredenaar verworven heeft
En nu blijer in de Elyzeese velden woont;
Die man is met mij verbonden door een hecht vriendschapsverdrag
- Ik zeg het vol trots - en die heb ik sinds kort als huisvriend.
Misschien is een andere plaats nu wel jaloers op deze stad
En verlangt hij vurig dat jij, Tijdeman, in hem aanwezig bent.
Ga, waarheen het lot je roept, maar heb dit boek in je bezit
Als bewijs van onze vriendschap, zodat je niet gelooft dat die wegkwijnt.
Utrecht
11 juni in de jaartelling van Dionysius 1762.
Z.H. Alewijn student in de beide rechten
Beiden waren ooit lid van de Maatschappij. Het leek mij aardig de lezers van het Nieuw Letterkundig Magazijn van deze nieuwe aanwinst op de hoogte te stellen.
J.J.M. van Gent bibliothecaris