Dames en heren,
De Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1985 is mij toegekend door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, op voordracht van een jury die bestond uit drie Nederlanders en een Vlaming. Weliswaar is die jury altijd zo samengesteld, maar ik ben de eerste prijswinnaar met een Nederlands paspoort en een Belgische identiteitskaart. Geboren in Amsterdam, als taalcorrector werkzaam bij een Antwerpse uitgeverij. Het is zoiets als bier en jenever door elkaar drinken: het wordt steeds leuker, tot de volgende ochtend. Sinds ik in België woon, leef ik in een roes en heb ik tegelijkertijd een kater.
België bestaat 156 jaar, wat tegen de achtergrond van de Europese geschiedenis betrekkelijk kort is. In die periode zijn de Belgen er dan ook niet in geslaagd om over het bestaan van hun land overeenstemming te be-
reiken. Desondanks werd vrijwel de gehele Middelnederlandse letterkunde hier geproduceerd; en desondanks was Antwerpen vijfhonderd jaar geleden, toen men in Amsterdam nog tot zijn enkels in de modder wegzakte, al een Europees centrum.
Wat mij blijft verbazen is de ‘Selbsthass’ van de Belgen, terwijl dat onhandige sentiment juist voor mij heel begrijpelijk zou moeten zijn. Het Belgische probleem is namelijk het mijne: het is het probleem van iemand wiens nationaliteit niet in overeenstemming is met zijn identiteit.
Wat mij eveneens blijft verbazen is de houding van de Hollanders tegenover de Belgen, die een onontwarbare knoedel vormt van eigenwaan, burengerucht, provincialisme en onwetendheid. Die houding is een tot vooroordeel verstarde Belgenmop, waarvan de pointe de verteller doorprikt als een speld een ballon. Uit irritatie over die Hollandse houding ben ik de afgelopen jaren in gesprekken en artikelen steeds vaker België gaanuitleggen aan mijn landgenoten. En eigenlijk zou ik een boek willen schrijven met de titel België voor Hollanders bevattelijk verklaard. Dat impliceert helemaal niet dat ik geen kritiek op België heb: ik heb veel bezwaren tegen dit land. Maar die bezwaren zijn gefundeerd op een tienjarig verblijf, en niet op een weekendje Antwerpen.
Om iets van België te begrijpen moet een Hollander op de hoogte zijn van drie historische feiten en hun gevolgen.
Op 17 augustus 1585 werd Antwerpen door de troepen van Parma ingenomen, -een gebeurtenis die mij overigens vier eeuwen later aan een broodwinning zou helpen. Een week na de val van de stad arriveerde de eerste Antwerpenaar in Amsterdam en bedacht een Amsterdammer de eerste Belgenmop. (Tijdens het beleg duwen twee Antwerpenaars een blijde naar de vestingmuren. Op een gegeven moment leidt de kortste weg door een poortje, waarboven een bord hangt met de tekst ‘Max. toelaatbare hoogte 2.20 m’. De blijde is twee meter veertig hoog. Zegt de ene Antwerpenaar tegen de andere: ‘Jef, ziedegij de schout? Nee? Allee, bollen!’)
Op 5 februari 1831 stak de Nederlandse marineofficier Van Speijk de lont in het kruitvat en liet de kanonneerboot exploderen die kort daarvoor Antwerpen nog lid bestookt. Het typerende aan deze geschiedenis is niet dat een Hollander in België de lucht invloog, maar dat dat met zoveel lawaai gepaard ging. Van Speijks patriottische knal echoot nog altijd na in de gênante luidruchtigheid waarmee Hollanders in Antwerpse cafés de autochtone eigenaardigheden becommentariëren.
Op 4 augustus 1914 begonnen de Duitsers hun opmars

Foto: Rikkes Voss
door België, die uiteindelijk bij het riviertje de IJzer in West-Vlaanderen vast zou lopen. Een andere grap, namelijk dat België onze wat breed uitgevallen grens met Frankrijk vormt, werd toen een macabere waarheid, - des te gruwelijker omdat die grens tussen het Germaanse en het Latijnse deel van Europa ook nog eens dwars door de Belgische linies liep: duizenden Vlaamse soldaten sneuvelden met het mosterdgas in hun longen of werden uiteengereten door de schrapnels, omdat ze de bevelen van hun Franstalige meerderen niet verstonden en op het verkeerde moment uit hun loopgraven naar voren stormden. Op datzelfde moment zat een Hollandse huismoeder charitatieve aardappels te schillen voor haar Belgische vluchtelingen.
Al deze jaartallen zijn bekend. Toen ik in een artikel voor een Nederlands literair tijdschrift uitvoeriger op hun betekenis voor België inging, merkte een redacteur op dat ‘iedereen dat toch wist’. Het bevreemdende is nu juist dat ‘iedereen’ de feiten wel kent, maar dat bijna niemand enig benul heeft van de Vlaamse gevoeligheden die er de psychologische consequentie van zijn.
Terwijl de Amsterdammers, opgestuwd door de Vlaamse ‘brain drain’, hun Gouden Eeuw ingingen, verpauperde Vlaanderen, beroofd van zijn hersenen en zijn handelsinstinct als het was. De eigenlijke mop van de Belgische Hollandermoppen is dat de financiële gewiekstheid van de Hollanders mede door de aanwezigheid van Vlaamse kooplieden is gestimuleerd.
Ik wil niet beweren dat de lobotomie van 1585 de enige oorzaak is geweest van het Vlaamse verval, dat pas na de tweede wereldoorlog definitief is gekeerd. Ik wil wel beweren dat het Hollandse meerderwaardigheidsgevoel, dat voornamelijk berust op het verschil tussen standaardtaal en dialect, daar alles mee te maken heeft. Na 1585 werd het wingewest Vlaanderen leeggeroofd vanuit Madrid, genegeerd vanuit Wenen, onderdrukt vanuit Parijs en neerbuigend behandeld vanuit Amsterdam, - want Willem I onderhield zich ook liever in het Frans te Brussel dan in het Vlaams te Antwerpen. Sinds 1585 is Vlaanderen precies 147 jaar niet bezet geweest, en gedurende die 147 jaar is het geschoffeerd vanuit Brussel, wat voor de meeste Vlamingen even ver is als Madrid en Wenen. (In een voor Vlamingen bestemde tekst zou ik me weer druk kunnen maken over de Vlaamse apathie en onwetendheid met betrekking tot Brussel.)
Standaardtaal en dialect. Omdat de economie uiteindelijk bepaalt wie er beschaafd spreekt, is het geen wonder dat een streek die bijna vier eeuwen lang leeggeplunderd en achterlijk gehouden is niet de ‘standaardtaal’ heeft voortgebracht. Omdat Vlaanderen in de middeleeuwen economisch bloeide, is de Middelnederlandse letterkunde grotendeels in het Vlaams geschreven; en als Antwerpen niet was gevallen, spraken we nu allemaal Vlaams. Het is trouwens een mirakel dat de Vlamingen bereid zijn om het uit stopwoorden samengestelde Hollandse gegorgel als ‘standaard’ te erkennen, maar goed.
Standaardtaal en dialect. Een van de onderschatte tragedies uit de Westeuropese geschiedenis is het feit dat de zogenaamde Vlaamse Beweging, die voor Vlaanderen en dus ook voor de taal van Vlaanderen ijverde (en nog altijd ijvert), haar inspiratie heeft moeten ontlenen aan een loopgravenoorlog en haar doelstellingen een oorlog later heeft menen te kunnen verwezenlijken in een pact met de duivel. Minstens zo tragisch is het feit dat ‘Holland’ daar grosso modo nooit iets van gesnapt heeft. Collaboratie, Oostfront, IJzerbedevaart: de meeste Vlaamse intellectuelen hebben zich uit begrijpelijke schaamte van de bezoedelde Vlaamse Beweging afgekeerd. Allicht, als ik Vlaming was zou ik me daar ook verre van houden. Maar de meeste Hollandse intellectuelen doen geen enkele moeite om ook maar iets te begrijpen van dat hele ingewikkelde Vlaamse complex van misverstanden, minderwaardigheidsgevoel en ideologische misdadigheid.
Wat ik de Hollanders kwalijk neem is hun laksheid, hun flagrante onbegrip, de intellectuele gemakzucht waarmee ze het vrijwillige fascisme van Ezra Pound en het schaamteloze antisemitisme van Céline met hun schitterende oeuvre vergoelijken en tegelijkertijd alle Vlaamse collaborateurs en activisten als nazi's en Léon Degrelles beschouwen, - als ze al weten wie Degrelle überhaupt is. (Zeker, een kwart van de IJzerbedevaartbezoekers mag van mij levend onder de IJzertoren begraven worden, 84 meter onder de woorden ‘Nooit meer oorlog’. Degrelle is overigens een Waal, die het Waalse Oostfrontlegioen op poten zette.)
Wat ik die Hollandse intellectuelen kwalijk neem is dat ze opeeens alles willen weten over de inquisitie in het veertiende-eeuwse Franse bergdorp Montaillou, maar dat geen hond Mijn land in de kering van Karel van Isacker heeft gelezen. Goed, die Van Isacker is een vervelende jezuïet en zijn gebruik van de ‘standaardtaal’ is aanvechtbaar, maar het is toevallig wèl een goed boek. (O, en zeker, ik neem het de Vlamingen kwalijk dat ze boos zijn als ik een pleidooi houd voor de poëzie van hun eigen Anton van Wilderode, die ook de auteur is van een groot aantal versjes ter gelegenheid van de jaarlijkse IJzerbedevaart, - boos omdat ik mij kritisch over de IJzerbedevaart uitlaat, dan wel boos omdat ik niet kritisch genoeg ben over de IJzerbedevaart en de reactionaire katholiek Van Wilderode. En dat ze Het verdriet van België niet lezen, dat neem ik ze ook kwalijk.)
Ik kan niet tegen Hollanders die in Brusselse restaurants in slecht Frans goed eten bestellen. Ik kan niet tegen die Hollander die in een Brussels café luidkeels met Brel meezingt: ‘Messieurs les Flamingants, je vous emmerde’, zonder dat hij weet waarom Brel die tekst schreef. En ik kan niet tegen die Hollandse dame in broekpak, die bij een Vlaamse tramconducteur in Brussel vlak voor mijn neus een kaartje koopt in het potsierlijke Frans dat ze op de MMS heeft geleerd, zich vervolgens omdraait en tegen haar vriendin zegt, in het afgestompte Nederlands dat ze van de televisie nabauwt, dat ze ‘hier weer 's lekker haar Frans op kan halen’.
Nog iets anders, ik las het toevallig gisteren: ‘De aanblik van het Antwerpse Centraal Station is, zelfs in de volle zon, nooit het toppunt van vrolijkheid geweest. Het toch al wat protserige gebouw staat te krap tegen het begin van de Keyserlei aangepropt en krijgt zo een extra dimensie naar het groteske toe. [...] Fancy torentjes willen, vanuit de Pelikaanstraat gezien, het idee van een kasteelmuur creëren.’ Dit idiote proza van de hand van Henk Strabbing stond op 1 februari 1986 in De Volkskrant, midden in een periode dat iedere Belg met enig architectonisch onderscheidingsvermogen schietgebeden opzendt voor het behoud van dat ‘toch al wat protserige gebouw’, - het staat namelijk op instorten (en dat het op instorten staat en dat de fondsen voor de restauratie ervan maar niet vrijkomen, daarover maak ik me dan weer kwaad in een verhaal over de Bèlgische laksheid).
Fancy torentjes: toevallig telde ik als kind altijd die torentjes, wanneer ik met mijn ouders per trein naar Antwerpen reisde. Ik kende hun getal, nog zoveel torentjes tot het station dat overal ter wereld stond maar niet in Nederland. Weet die Strabbing veel. Die ziet alleen maar een gebouw waardoor hij straks gelukkig weer verdwijnt.
Ik ben erg blij met mijn bekroning en ik dank de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de door haar aangestelde jury van harte. De Van der Hoogt-prijs is een aanmoedigingsprijs. Ik voel mij zeer aangemoedigd.
Benno Barnard

Eddy van Vliet leest het juryrapport voor