Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 4. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1986  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 26]

Vijf brieven van Jonckbloet aan Jacob Grimm

Van correspondentie tussen Grimm en Jonckbloet zoals tussen Grimm en De Vries kan nauwelijks sprake zijn. Voerde Jacob Grimm tussen 1852 en 1863 met De Vries een min of meer regelmatige en thematisch sterk op het Woordenboek geconcentreerde briefwisseling,1 Jonckbloet en Grimm schreven elkaar veeleer, zoals wij (stilistisch ver beneden hun maat!) zouden zeggen, te hooi en te gras. Jonckbloet had blijkbaar niet dat plichtsgetrouwe en toegewijde van een scribent als Matthias de Vries. Niet voor niets stond hij model voor Klikspaans Flanor. Men leze behalve de Studententypen vooral (in het Jaarboek 1892 van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) het Levensbericht van M. de Vries van de hand van J. Verdam, en in de Geschiedschrijvers van onze letterkunde van Gerard Brom het hoofdstuk over Jonckbloet, tot beter begrip van het verschil in aard en aanleg tussen onze twee meesterfilologen, die zich vanuit mediëvistiek en teksteditie ontwikkelden naar respectievelijk, om het wat extreem uit te drukken, lexicografie en literatuuresthetica en daardoor ook naar tweeërlei relatie tot Jacob Grimm, die toch oorspronkelijk hun gemeenschappelijk voorbeeld was.

Jonckbloet maakte, na zijn promotie in Leiden,2 van mei tot november 1842 een reis langs Duitse bibliotheken waarover hij in De Gids van 1843 verslag uitbracht. Een bezoek aan Jacob Grimm vermeldt hij daarin niet uitdrukkelijk, wel de verwijzing naar een handschrift die hij aan Grimm te danken heeft; en het enige bewaarde, althans opgedoken briefje van Grimm aan Jonckbloet, in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sign. 424 B 2) zonder jaartal en plaatsnaam: ‘Herr Dr. Jonckbloet wird gebeten uns morgen (montag 25 juli) abends die ehre seines besuchs zu erweisen. um 8 uhr. ergebenst Jac. Grimm’, maakt een bezoek van Jonckbloet aan Jacob (en Wilhelm) Grimm op 25 juli 1842 in Berlijn waarschijnlijk. De volgende ontmoeting vond plaats op het befaamde germanistencongres in Frankfort, september 1846. Dit werd van Nederlandse kant bezocht door J.H. Halbertsma, W.J.A. Jonckbloet, M. de Vries en C.A. den Tex, rechtshistoricus aan de universiteit van Amsterdam. Ook J.F. Willems te Gent was uitgenodigd, maar hij stierf kort voor het congres.

Na Frankfort begint het postale contact waaraan we hier aandacht besteden. Nog in 1846 zendt Jonckbloet aan Jacob Grimm een exemplaar van het eerste deel van zijn Lancelot, waarop Grimm op 30 december heeft gereageerd, zoals blijkt uit de eerste brief van Jonckbloet:3

 

Oegstgeest bij Leiden, 4 January 1847

‘Hooggeleerde heer, Hoogst aangenaam was mij de eer die mij heden te beurt viel door de ontvangst van Uwe vriendelijke letteren van 30 dec. Met genoegen heb ik daaruit gezien dat het 1e deel van mijnen Lancelot U is geworden, en dat dit werk Uwe goedkeuring mag wegdragen. Zoo het U werd aangeboden, wees overtuigd dat het eene dringende behoefte was voor mijn hart om U daardoor een klein bewijs te geven van de dankbaarheid die iederen beoefenaar onzer oude letterkunde bezielt voor den man die hare beoefening als wetenschap heeft gegrondvest. De naam van Jacob Grimm wordt hier te lande niet alleen geëerd, maar ook bemind, vooral van diegenen, wien zoo als mij het geluk eener persoonlijke kennismaking mogt te beurt vallen.’

 

Hij schrijft dan uitvoerig over de Middelnederlandse en over de Franse tekst die hij in Parijs wil gaan collationeren, en over verder werk dat hij onder handen heeft, Walewein, Middelnederlandse metriek en literatuurgeschiedenis, om dan als volgt te besluiten:

‘[...] ik hoop op een professoraat te Deventer, waar ik misschien wel zal worden benoemd wanneer Halbertsma, die daar veel invloed heeft mij niet tegenwerkt, want wij zijn geloof ik niet de beste vrienden omdat ik niet zooveel eerbied voor zijne kunde heb als hij wel zou wenschen. De tijd zal 't leren. - Wat er ook moge gebeuren, wees overtuigd dat ik mij steeds zal verheugen in de blijken van vriendelijke welwillendheid die ik van U mogt ontvangen zoo dikwijls ik het geluk had dat de omstandigheden mij met U in aanraking bragten. Veroorloof mij dat ik mij bij voortduring in die welwillendheid aanbevele en ontvang de verzekering mijner onbegrensde achting en genegenheid

Van harte de Uwe
Jonckbloet

P.S. [...] de Vries [...] is voor weinige dagen benoemd tot praeceptor aan het Gymnasium te Leiden.’

 

Drie exemplaren van de inmiddels klaargekomen verhandeling over Middelnederlandsche epischen versbouw gaan anderhalf jaar later naar Berlijn met het verzoek aan Grimm om daarvan één aan H.F. Massmann te geven en één aan Franz Pfeiffer (Stuttgart) te zenden, alsmede enige prospectussen van de Geschiedenis der Middelnederlandsche dichtkunst, ‘met de bede die onderneming in Duitschland door Uwen rijken invloed te willen ondersteunen’ en er een paar mee te sturen aan Pfeiffer, ‘om mijne zaak in het Zuiden te bevorderen’; via Berlijn is een vlottere bestelling te verwachten dan rechtstreeks. Uit hetzelfde begeleidend schrijven waaruit zojuist werd geciteerd:

Deventer 12 Juny 1848
‘[slot] Dat ik mij tot wederdienst bereid verklare is natuurlijk - en toch waag ik die verklaring alleen met het oog op de fabel van de muis en den leeuw. - Na U van mijne innige hoogachting en bewondering, maar niet minder van mijne hartelijke genegenheid opnieuw de verzekering gegeven te hebben blijf ik

Uwed's bereidvaardige dienaar
Jonckbloet’

Enige publikaties van zijn hand moeten door Grimm omstreeks Pasen 1851 aan Jonckbloet gestuurd en door

[p. 27]



illustratie

deze vervolgens niet beantwoord zijn, getuige een wat knorrige opmerking in een brief van Grimm aan M. de Vries (23 mei 1852): ‘Was macht Jonckbloet? er musz etwas gegen mich haben, weil er mir auf meinen letzten brief, womit ich ihm ostern vor einem jahr meine lex salica und noch anderes übersandte, keine silbe erwidert. unvorsichtigerweise hatte ich das paket noch nach Oegstgeest bij Leiden adressiert, statt nach Deventer.’ Als dan kort daarop de grondlegger van het Woordenboek der Nederlandsche taal naar Berlijn gaat om daar met de gebroeders Grimm lexicografische problemen te bespreken, krijgt hij een brief van Jonckbloet mee, waarin deze verzekert wèl geschreven te hebben, maar zich dan toch excuseert:

Deventer 15 July 1852
‘[...] De Vries schrijft mij dat Gij de goedheid hebt op te merken dat ik in zoo lang niet geschreven heb. Wees verzekerd dat het alleen uit bescheidenheid is om U niet lastig te vallen met onbeduidende brieven.’

Na de twee eerste delen van de Geschiedenis der Middelnederlandsche dichtkunst hoopt hij het derde nu spoedig te kunnen sturen, dat, hoewel voor Nederland bestemd en mogelijk niet aan de maatstaven der nieuwe Duitse wetenschap reikend, ‘toch nog wel wat nieuws’ zal bevatten, ‘zelfs omtrent den ouden Vader Maerlant’. Dan zal de uitgave van Guillaume d'Orange volgen, ‘met terzijdelating der branches van Loquifer’ plusminus dertigduizend verzen in twee delen.

‘De prijs zal waarschijnlijk 15 guldens zijn (8⅓ th.). Ik hoop dat ik in Duitschland 15 à 20 exemplaren zal kunnen plaatsen. Ik verbeeld mij dat de studie van Wolfram er nog wel iets bij winnen zou. [...] Moogt Gij nog lange jaren gespaard blijven voor de wetenschap door U gegrondvest en moge geheel de beschaafde wereld nog dikwerf gelukkig gemaakt worden door de voortbrengselen Uwer pen. En wat mij persoonlijk betreft, blijf mij steeds die vriendschap en achting schenken waarop ik terecht trotsch ben. - Met de
[p. 28]
byzonderste achting en oprechtste vriendschap blijf ik als immer

Uw geheel toegedane
Jonckbloet’

Dat Grimm er (op verzoek van M. de Vries) bij onze minister in Den Haag op heeft aangedrongen om ‘herrn Jonckbloet zu Deventer’ na De Vries' vertrek naar Leiden op diens leerstoel in Groningen te benoemen, is bekend.4 Willem III vond Jonckbloet echter voor een rijksprofessoraat veel te openlijk liberaal en heeft de benoeming pas ondertekend na lang aarzelen en nadat de minister (Van Reenen, van Binnenlandse Zaken) had betoogd dat Jonckbloet juist op een rijksleerstoel makkelijker in de gaten gehouden (en zo nodig zelfs ontslagen) kon worden dan aan het gemeentelijk Athenaeum Illustre in Deventer.5 Per kerende post bedankt Jonckbloet ditmaal zijn weldoener - tweeëndertig jaar ouder dan hij, ‘Hofrath und Professor’ in Berlijn en in de wetenschappelijke wereld alom geeerd -, en vervolgt na een lange alinea vol complimenten:

Deventer 25 November 1853
‘[...] De Vries heeft U waarschijnlijk gezegd dat er veel kabaal is tegen mijne benoeming te Groningen: de reden daarvan is geheel van politischen aard. Ik sta bekend als een voorstander van liberale konstitutionele beginselen, en sedert den val van het laatste ministerie [Thorbecke I, C.S.] is dat in het oog van sommigen eene misdaad. Ik hoop intusschen dat de laster niet zal zegevieren, en ik durf vertrouwen dat Uw schrijven niet zonder invloed zal zijn om mij de baan effen te maken. - Het heeft mij byzonder leed gedaan dat ik verleden jaar bij mijn kort oponthoud te Berlijn het geluk niet had U aan te treffen, evenmin als te Frankfort waar Dr. Dieffenbach mij zeê dat Gij korte dagen te voren geweest waart. Ik had U bij die gelegenheid willen zeggen, dat zoo ik in den laatsten tijd niet schreef, dit niet moet worden toegeschreven aan laauwheid [... de m.e.lit.gesch. vraagt alle tijd ...]. Mocht het bewijs dat ik mijn tijd niet onnut besteed heb in Uwe oogen het verzuim van U te schrijven eenigsins goed maken: het in het licht verschijnen van dit werk zal mij eene ongezochte gelegenheid geven U opnieuw de verzekering te geven, gelijk ik thans doe, dat ik, met volle dankbaarheid, met geheel mijn hart ben

Uw zeer genegen en verplichte dienaar
Jonckbloet

Wees zoo goed mij aan te bevelen in het vriendschappelijk aandenken van de heeren Massmann en Ranke benevens Uw heer broeder’6

 

De Geschiedenis zal Grimm wel ‘geworden’ zijn, maar van de Guillaume d'Orange blijft hij vooreerst verstoken, doordat Jonckbloet in de drukte van zijn verhuizing uit Deventer en het inwerken in Groningen twee jaar lang verzuimt het voor Grimm bestemde exemplaar te verzenden! Dat realiseert hij zich pas als hij een exemplaar van de aan Jacob Grimm opgedragen Reinaert (de opdracht is gedateerd Gron. 1 nov. 1855) met de volgende brief naar Berlijn stuurt:

ongedateerd
‘[...] Ten gevolge mijner verplaatsing naar Groningen en de daarop volgende drukte is dat exemplaar hier blijven liggen, terwijl ik mij verbeeldde het U te hebben toegezonden. Vergeef mij dat groote verzuim, en laat het hollandsche spreekwoord gelden: beter te laat dan nooit, terwijl ik mij vlei dat Ge ook het andere adagium op mij zult willen toepassen: schuld bekend is half vergeven. - Ik ben nu twee jaren hier en zeer tevreden in mijne betrekking, die ik met groote voldoening bekleed. Slechts twee zaken betreur ik: vooreerst het koude, gure klimaat, waartegen de gezondheid mijner vrouw niet bestand is; ten anderen de groote afstand en weinige kommunikatie met Holland, [... maar in Leiden wordt misschien De Vries' leeropdracht gesplitst ...] en dan zullen wij zien of ik de bedoelde persoon zal zijn. In dat geval komt er hier eene plaats voor Brill open. De beer is intusschen nog niet geschoten, zoodat het best is, dat wij het vel nog niet verkoopen. Ik zou intusschen veel prijs stellen op eene verplaatsing naar Holland omdat ik wensch te beginnen met het schrijven eener staatkundige geschiedenis der Nederlanden, waarbij ik de nabijheid van het Rijksarchief [en van de K.B.? onleesbaar geworden] volstrekt behoef, terwijl het mij veel waard zou zijn temidden mijner vrienden en der beschaving te leven.’

De beer wordt pas nade H.O.-wet van 1876 geschoten. Jacob Grimm is dan al lang dood (1863). Jonckbloet blijft tot 1864 in Groningen, is dan tot 1877 lid van de Tweede Kamer, daarna nog zes jaar hoogleraar in Leiden. In 1885 is hij in Wiesbaden gestorven. In de Grimm-filologie verdient hij ten minste gesignaleerd te worden.7

C. Soeteman