terug  begin  verderprepost
[p. 38]

Slauerhoff bij kampvuur en traanlamp (Samenvatting)

De boten, waarop Slauerhoff voer, brachten hem naar landen die voor een deel nog bestuurd werden door Europese moederlanden. In zijn werk laat hij zich meer dan eens negatief uit over de koloniale situatie zoals hij die aantreft. Zijn afwijzing heeft zowel betrekking op het proces van acculturatie, zoafs hij die in kustgebieden onder ogen krijgt, als op het lot van de tropenblanke. Wat hem in Afrika en West-Indië vooral tegenstaat, zijn de ‘negers van het altijd licht potsierlijke, christelijke en beschaafde soort’. De zogenaamde ‘broeknegers’ dus, zoals de Afrika-reiziger en etnoloog Leo Frobenius hen noemde. In het Ghanese Accra en het Braziliaanse Bahia staart de scheepsdokter gefascineerd en verbijsterd naar de extatische processies van bekeerde zwarten, die draaien en springen alsof op deze heilige dag ‘de Charleston weer zal worden geboren’. En op Barbados, zo schrijft hij, hebben de Engelse puriteinen zich aan hun ‘gebruiksaanwijzing voor negers’ gehouden, die luidt dat de laatsten wel een beetje Engels mogen lijken, maar dat ze zich minderwaardig moeten blijven voelen. De blanken zullen zich in de koloniën echter niet staande kunnen houden, want ‘tegen de tropische natuur en de vruchtbaarheid van de ingeboren bevolking kunnen zij toch niet op. In Afrika kwijnen ze aan de randen van de zee, in China gaan ze in de menigte verloren.’ Over de levenssfeer van de tropenblanke schreef Slauerhoff een verhaal - Such is life in China - en enige gedichten. In Afrikaansche elegie staan de regels die de dichteres Vasalis zo graag mag citeren:

 
Vanavond danst de dronken varensgast
 
Met zijn barmeid, tot hij is volgebrast,
 
Terwijl ik hier zit voor een slecht glas toddy,
 
Moeheid van zes jaar tropen in mijn body.
 
Ik heb al sinds verleden week geen zin
 
In de omhelzing van mijn negerin.

Zo tussen de regels door belijdt Slauerhoff wel zijn voorkeur voor de ‘fiere en toch kinderlijke bewoners van Afrika's oerwouden en savannen’, maar hij doet dat eigenlijk alleen in anekdotische zin. Van een hang naar primitieve culturen, of een idealisering van het leven van de ‘edele wilde’, is bij hem geen sprake. Voor hem geen Zuidzee-idylles, zoals Herman Melville en Gauguin die beleefden. Hij was weliswaar een kunstenaar die ‘op de grens van verscheidene beschavingen was gezeten’, zoals Herman van den Bergh het uitdrukte, maar zijn belangstelling ging primair uit naar de vervallen beschavingen van China en Portugal. Daar had de geschiedenis ten minste haar sporen nagelaten.

Slauerhoff reed wel per ezeltje het Chinese binnenland in, maar hij dacht er niet aan de ware rimboe in te trekken. Hij had een realistisch oog voor het gezondheidsrisico in de tropen - ‘Waar de natuur, voor 't dier waanzinnig mild, De mensch leegslurpt in stille heete wrok’ -, staat er in Herfsttij van een koloniaal. Voorts geloofde hij, net als Joseph Conrad, in diens Heart of darkness, dat de negers geheel verslingerd waren aan kannibalisme en offerfeesten.

Wie alleen naar de Nederlandse literatuur kijkt, denkt al gauw dat het nestvliedende gedrag van Slauerhoff een grote bijzonderheid was in het interbellum. Goed, je had nog A. den Doolaard, Henri Borel en niet te vergeten F.C. Terborgh, maar veel méér globetrotters waren er niet. Bloem nam vishengels in beslag in Sint-Nicolaasga en Roland Holst bezong de wilde kim vanaf het strand bij Bergen. Vanuit Engeland echter trok een stroom van schrijvers en dichters over het aardoppervlak. ‘Zit er momenteel geen enkele schrijver meer in Engeland?’, vroeg Lawrence Durrell zich in 1936 op Korfoe af. Collega's als Robert Graves, Norman Douglas, Aldous Huxley, Graham Greene, W.H. Auden, Peter Fleming, V.S. Pritchett, Christopher Isherwood, W. Somerset Maugham, Robert Byron, D.H. Lawrence en Evelyn Waugh waren overal te vinden, maar meestal niet op Engelse bodem. Om deze reisdrang te verklaren, heeft men wel gewezen op de traumatische ervaringen die menige schrijver in de loopgraven en in het verarmde en van de buitenwereld afgesloten Engeland had opgedaan. ‘Ik wilde dat ik weg kon naar Tibet, of Kamtsjatka, of Tahiti - naar ultima, ultima, ultima Thule’, schreef D.H. Lawrence in 1915 in een brief aan een vriend. Hij, en anderen, stonden afwijzend tegenover een leefklimaat, waarin kleinburgerlijkheid en fatsoensrakkerij de toon aangaven. Hun cultuurkritiek richtte zich - in het algemeen gesproken - op de moderne, industriële maatschappij. Zij wilden in de jaren twintig, dertig maar één ding: het vaderland zo snel mogelijk achter zich laten, naar onherbergzame oorden trekken en over hun reiservaringen boeken schrijven. In tegensteliing tot Slauerhoff waren zij geen zee- en kustreizigers, maar landreizigers. Peter Fleming cirkelde niet om China heen, maar drong diep het land binnen, bezocht de frontlijn tussen de troepen van Mao en Tsjang Kai Tsjek en wist ten slotte India te bereiken. In Dairen overnachtte hij in het destijds vermaarde Yamatohotel, waar ook Slauerhoff enige jaren eerder had gelogeerd. Hoewel Fleming menige tocht naar Tsjong King heeft meegemaakt, zoals door Slauerhoff beschreven in Het leven op aarde, is er aan hem nooit een tentoonstelling gewijd onder de titel Fleming en China, waar Chinese woordenboekjes en inktstaafjes te zien waren, zoals op de expositie Slauerhoff en China, die vijf jaar geleden in het Letterkundig Museum werd gehouden. Hij laat zijn Chinese reisboek One's company zelfs voorafgaan door een ‘waarschuwing aan de lezer’. Dit boek heeft geen diepgang, luidt de waarschuwing, want: ‘De geschreven geschiedenis van de Chinese cultuur beslaat een periode van 4000 jaar. De bevolking van China wordt geschat op 450 miljoen. China is groter dan Europa. Toen de auteur dit boek schreef, was hij 26 jaar oud. Hij bracht in totaal zeven maanden in China door. Hij spreekt geen Chinees.’

Een paar jaar eerder was Fleming in Brazilië. Hij

[p. 39]

maakte daar geen kort wandelingetje in een havenplaats, zoals Slauerhoff, maar hij trok met een stel kornuiten diep het Amazone-oerwoud in. De taak, die hij zich had gesteld, ruikt naar jongensboek-romantiek - hij wilde licht brengen in de zaak van de in Amazonia verdwenen kolonel Fawcett, die de weg meende te weten naar een in de rimboe verborgen Eldorado.

Net als Slauerhoff, was Robert Byron bekend met het werk van de Tibet-reizigster Alexandra David-Neel. Hij beklom echter ook daadwerkelijk een yak, trok de Himalaya in en wist een eindweegs dit echte Verboden Rijk binnen te dringen. Evelyn Waugh zag in 1930 hoe Haile Selassie, de Leeuw van Juda, tot keizer van Ethiopië gekroond werd en zes jaar later is hij er getuige van hoe de negus door de Italianen wordt verdreven. Tussen de bedrijven door, ging hij nog te paard en te voet door het oerwoud van Brits-Guyana; hij was nu eenmaal geïnteresseerd in ‘verre en barbaarse oorden’, schrijft hij in Ninety-two days, en vooral in het grensgebied tussen botsende culturen, waar allerlei ideeën van hun wortels afgesneden raken en wonderlijke wijzigingen ondergaan. Met dezelfde afkeer waarmee Slauerhoff naar katholiek geworden broeknegers keek, keek Waugh naar de nieuwe geloofspraktijken van gekerstende Indianen.

In 1932 en 1933 maakte Slauerhoff verschillende reizen naar de havens van West-Afrika. Een purser aan boord zou zich later herinneren dat de dokter 's avonds laat nog aan dek te vinden was, waar hij tussen stapels boeken een pijp rookte. ‘Hij las, schreef en peinsde’, vervolgt de purser, ‘terwijl de rustige golfslag misschien de maat aangaf voor de gedichten die in hem opwelden.’ Dat is toch een mooie herinnering, nietwaar? In 1934 arriveerde Graham Greene in Freetown, om vervolgens door te reizen naar Liberia, om daar aan zijn Journey without maps te beginnen. Zowel Greene als Slauerhoff laten zich negatief uit over de blanken die zij aan de slavenkust aantreffen. Greene merkt op dat hun conversatie vaak genoeg met politieke of religieuze onderwerpen aanvangt, maar dat die steevast op het thema ‘ziekte’ uitkomt en vervolgens in dronkemanspraat ten onder gaat. Slauerhoff heeft het over de ‘enkele Europeanen [die] zich het merg in hun botten laten koken om na tien jaar binnen te zijn en de rest van hun leven 't verworven vermogen te besteden aan 't opknappen van de opgedane kwalen’. Het achterland maakte op Slauerhoff een unheimische indruk - ‘Het verraad schijnt van achter bomen te loeren’, schrijft hij. Greene trok dit achterland binnen, dat voor hem een ‘angstdroom’ was, die zowel afschrok als fascineerde. De reis vanuit het door het westen aangetaste en verloederde kustland naar het primitieve binnenland, is voor hem een symbolische reis van de corrupte volwassenheid naar de zuiverheid en tijdeloosheid van de jeugd.

Mensen als Greene, Byron, Fleming en Waugh zijn de èchte reizigers, die de steppen, oerwouden en hooggebergten, waar Slauerhoff slechts over schreef, aan den lijve ervoeren. Slauerhoff is een impressionistisch reiziger, die aan dek van een passerend schip, beurtelings in de boeken en om zich heen kijkt. Hij neemt, tussen de thuisblijver en de echte reiziger, een middenpositie in. Natuurlijk is het zo dat - literair gezien - de impressionistische reiziger evenveel recht van spreken heeft als de echte reiziger. In een eerste, korte ontmoeting met vreemde volkeren en culturen, kan een buitenstaander tot treffender inzichten komen dan iemand die al lange tijd in zo'n cultuur is opgenomen. Het is dus niet zo dat, als een schrijver als Cees Nooteboom in Mali of Serawak landt, het belang van zijn woorden wel moet wegschrompelen in vergelijking met die van een ter plekke werkzame antropoloog. Het is echter óók zo dat de kracht van schrijvers als Slauerhoff en Nooteboom vooral gelegen is in de confrontatiekant van hun werk, in de wijze waarop zij als individu en als vertegenwoordiger van het westen de ontmoeting met een andere wereld ondergaan. Hun gevoelens zijn goed herkenbaar voor hun lezers, hun blik is een lezersblik.

Als de reislust van Engelse schrijvers na de eerste wereldoorlog al verklaard moet worden uit oorlogsfrustraties, dan gaat die verklaring in het geval van Slauerhoff niet op. C.J. Kelk deelt in zijn Leven van Slauerhoff weliswaar mee dat er bij het uitbreken van die oorlog een ‘schok’ door dit ‘uiterst gevoelige hart’ gaat, en dat hij eens een paar geïnterneerde Belgische soldaten mee naar huis neemt, maar die ervaringen zullen hem toch niet tot een zwervend leven hebben voorbestemd. Evenmin was Slauerhoff via banden van het bloed aan Friese vikingen verwant, zoals Kelk ons vertelt; deze correctie kreeg ik te horen van een achterneef van de dichter, een Vlielandse Pronker - de moeder van Jan Slauerhoff was een Pronker - die de stamboom van zijn familie tot vele eeuwen her had uitgeplozen en geen enkele zeeschuimer was tegengekomen. Laten we het er maar op houden dat zijn fantasie en talent ruimte nodig hadden en dat ook de lectuur van Baudelaire en Corbière hem het zeegat uit dreef. Puberale opstandigheid lag in ieder geval niet ten grondslag aan zijn reiskoorts; hij liet zich niet door zijn aandriften meesleuren en trok nooit als een berooide en naar de verte hunkerende ‘Wandervogel’ over de Europese wegen. Nee, hij studeerde eerst netjes af en ging pas op vijfentwintigjarige leeftijd, en verzekerd van een traktement, scheep naar de ‘zalige streken’.

Het gouden tijdperk van de Engelse reisliteratuur eindigde met de tweede wereldoorlog. Evelyn Waugh verklaarde het genre direct na de oorlog dood; in een onvrije wereld van prikkeldraad en ‘displaced persons’ is geen plaats meer voor onbekommerde reizigers.

Zo werd na de oorlog ook het werk van Slauerhoff dood verklaard, onder anderen door Herman van den Bergh en Marja. Na Hirosjima, zegt Van den Bergh, heeft Slauerhoffs romanteske exotisme alle belang verloren. Na Dachau, zegt Marja, heeft het ideaalbeeld van de gedoemde dichter geen betekenis meer. En wie ondergedoken is geweest of in een kamp heeft gezeten, heeft geen boodschap aan de ridiculisering van het verlangen naar de huiselijke haard en een paar pantoffels. Weliswaar slaat hij Slauerhoff hoger aan dan de ‘Kringen Eylders-bohémiens, die precies weten bij welke borrel zij moeten ophouden en hoe zij de lues moeten

[p. 40]

ontlopen’, maar hij is het toch eens met de dichter Leo van Breen die eens schreef:

 
'k Wil eerlijk zijn. Ik vond u wat would be:
 
Het leed smaakt even goed in Krommenie.
 
In Buiksloot kan men ook heel aardig zwerven.

Nu, vele tientallen jaren later, weten wij dat de oorlog geen einde heeft gemaakt aan het reizen en zelfs niet aan het romantische levensgevoel. Nu er geen witte plekken meer op de kaart zijn en de huiskamer is aangesloten op satelliet-televisie, bloeit het reisboek zelfs allerwegen op. En Slauerhoff, wiens ‘eenmansheelal’, volgens Van den Bergh, alle betekenis had verloren, wordt nog steeds gelezen. Hij reist nog steeds de wereld rond, dit keer in de vorm van zijn Verzamelde gedichten, die, zo is mij opgevallen, dikwijls in de bagage van antropologen kan worden aangetroffen. Slauerhoff mag dan zelf niet onder Touaregs, Bergpapoea's en Eskimo's hebben verkeerd, zijn gedichten hebben het wel. Welke gedichten zou een veldwerker lezen bij het flakkerlicht van traanlamp en kampvuur? De zeegedichten, de historische gedichten of de liefdesverzen? De laatste, denk ik. Niet die over hete negerinnen, maar de verzen waarin landelijke liefdes worden bezongen.

Antropologie oefent een zekere romantische aantrekkingskracht uit op mensen die nog weinig hebben meegemaakt. Dikwijls projecteren zij het onbehagen in de eigen cultuur op exotische samenlevingen, waar iemand op zijn veertigste hoogbejaard is en waar voor non-conformisme geen enkele ruimte is. Zij hebben Claude Lévi-Strauss nog niet gelezen, die van mening is dat al het gereis en alle avontuur juist de zinloze kant van het antropologische vak vertegenwoordigen. Uit een onderzoekje naar de karaktereigenschappen van een aantal beroemde antropologen, bleek dat zij op jeugdige leeftijd rebelleerden tegen het milieu waar zij uit stamden. Een ander onderzoek, onder antropologiestudenten dit keer, toonde aan dat de meesten van hen in conflict leefden met hun ouders, waarbij de keuze voor antropologie soms zelfs een rechtstreekse uiting was van die conflicten, aangezien dit vak door de ouders zeer negatief werd gewaardeerd. Sommige studenten zagen zelfs in dat hun wens om een vreemd volk te gaan bestuderen, alles te maken had met hun behoefte om tegenover de ouders hun zelfstandigheid te bewijzen. Een enkeling verkneuterde zich al bij het vooruitzicht hoezeer zijn vader en moeder in de rats zouden zitten als hij naar de kannibalen zou zijn afgereisd.

Als hij in de bush eenmaal ontdekt heeft dat het paradijs op aarde niet bestaat, dan dienen zijn Notes and queries en Manual for fieldworkers waarschijnlijk als brandstof voor zijn laatste kampvuurtje. Slauerhoff gaat natuurlijk mee terug; wie weet heb je hem in de toekomst nog 's nodig, misschien voor een causerie voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Ik kan er over meepraten.

 

Gerrit Jan Zwier

prepostterug  begin  verder