terug  begin  verderprepost

‘Umbraticae Scholae pulvere’

Van drs. N. van der Blom, ‘Erasmisant’, enthousiast (Neo) Latinist en schrijver van onder meer Grepen uit de geschiedenis van het Erasmiaans Gymnasium, 1328-1978, mocht de redactie van het Nieuw Letterkundig Magazijn drie brieven over het Latijn in het laatstverschenen nummer ontvangen. Speciale aandacht kreeg daarbij Bakhuizen van den Brinks albumblad voor Philomathia. Zo stelt Van der Blom voor in regel 4 van bladzij 7 ‘Waar toch zou het beeld’ te lezen. Het belangrijkste punt in de brieven werd ‘umbraticae scholae pulvere’. Ik citeer: ‘Op p. 7 kan ik niet meegaan met de weer- gave “die zich teruggetrokken hebben van het stof van de gemakzuchtige school (nl. van de Epicureeërs?)

[p. 46]

heeft hij liever willen beschaven” etc.’ Van der Blom wijst op enige hoogst interessante parallellen van het adjectief ‘umbraticus’ in Daniel Wyttenbachs boek over David Ruhnkenius (Leiden en Amsterdam 1799) en speciaal op Ruhnkenius' tirade tegen de ‘dotor umbraticus’. ‘Bakhuizen van den Brink (R.C.) had Ruhnken voor ogen. “Beatus se et solum sapere putare” doet aan Socrates denken. Vermoedelijk heeft de spreker van die avond (wie?) over Socrates gesproken in de zin van Ph.W. van Heusdes De Socratische school. Op die wijze zal men in (op?) Philomathia aan zijn beschaving hebben gewerkt, ‘in amicorum consortio’, ver van ‘umbraticae Scholae pulvere’ [...].’ Ten slotte waagt Van der Blom zich aan een vertaling van ‘umbraticus’: dor, droog. We hoeven volgens hem niet eens aan de Epicureeërs te denken: de gewone, toenmalige scholen, of misschien wel de universiteiten zelf, liggen meer voor de hand. Zijn oplossing draagt door zijn eenvoud alle kenmerken van het ware.

prepostterug  begin  verder