De redactie van het Nieuw Letterkundig Magazijn vroeg een kort artikel over mijn relatie met Constantijn Huygens. Dat deed plotseling een sinds lang vergeten herinnering in mij opkomen. Als leerling in de vierde of vijfde klas van de Christelijke HBS in Zwolle heb ik mij eens gewaagd aan een opstel, waarvan de titel mij is ontschoten, maar het onderwerp in mijn geheugen bleef opgeslagen: wat zou Huygens opvallen, als hij nog eens kon rondlopen in de wereld van nu (dat wil zeggen van 1923 of 1924) met zijn vliegtuigen, treinen, auto's, elektrisch licht, enzovoort? Natuurlijk verkeerde hij in mijn jeugdige verbeelding in een toestand van permanente verbazing, om niet te zeggen verbijstering, toen hij merkte in enkele uren van 's-Gravenhage naar Groningen te kunnen reizen - een reis waarover hij bij zijn leven vele dagen had gedaan -, in een wat vreemde ‘koets’ zonder paarden door de straten te kunnen rijden of met een simpele handbeweging een vertrek helder te kunnen verlichten.
Ik weet niet meer, hoe ik op dit onderwerp kwam. Mijn kennis van Huygens en zijn werk op velerlei gebied kan in die tijd niet veel groter zijn geweest dan die ik haalde uit Van Schothorsts toen bekende Nederlandse literatuurgeschiedenis met bloemlezing voor het middelbaar onderwijs. Des te merkwaardiger is het, achteraf beschouwd, dat ik mij toen toch enigszins ervan bewust moet zijn geweest dat Huygens onze enige grote zeventiende-eeuwse dichter is die belangstelling had voor techniek, voor uitvindingen.
Mijn tweede ontmoeting met hem had plaats, toen ik als student Nederlands aan de Vrije Universiteit op een college van professor Wille met het toenmaals kleine groepje van acht candidandi Huygens' Oogen-troost las. Het was een responsiecollege. Wij moesten derhalve ons van te voren prepareren op vragen die de tekst stelde, zowel grammatisch als syntactisch als wat betreft de tekstverklaring. Huygens heeft het in dit gedicht over verschillende groepen mensen die geestelijk of zedelijk blind zijn, onder anderen de zangers die, verblind door hun hartstocht voor muziek, van geen ophouden weten. Hij gebruikt dan dit beeld: ‘een lood light op haer Orgel, / het huylt onendelick’ (Oogen-troost, vs. 730/731). Anders dan Eymael en anderen meende ik toen, dat dit niet sloeg op het op de blaasbalg - foutievelijk door de interpreten ‘windlade’ genoemd - liggende stuk lood, maar op de reep lood die op een toets wordt gelegd bij het stemmen van een orgel. Ik zie het nog voor me, hoe Wille verwonderd opkeek van zijn boek: hoe kon die eerstejaars student dat weten? Ik heb het hem niet gezegd; de verhouding tussen een hoogleraar en een beginnend student was in die tijd niet zo, dat de laatste op een college ongevraagd een persoonlijke anekdote kon vertellen. Maar wel gaf het mij voldoening, dat hij, tot mijn verrassing overigens, het met mij eens was. Zelf was hij trouwens een liefhebber van orgelspel.
De anekdote was deze. Mijn vader was amateur-organist en verving af en toe 's zondags de organiste van onze kerk. Ook 's zaterdagmiddags ging hij er soms spelen. Zelfs waagde hij zich wel eens aan het stemmen van het orgel. Enkele keren mocht ik, een kleine jongen nog, met hem mee. Gewapend met het zogenaamde stemijzer verdween hij dan in de orgelkas en ik moest af en toe het lood verleggen. Het hierdoor geproduceerde geluid in een leeg kerkgebouw kan inderdaad niet beter worden gekarakteriseerd dan met het woord ‘huilen’.
Ongeveer vijftig jaar na genoemd college heb ik na herlezing van Oogen-troost in het proefschrift van C.W. de Kruyter in een artikel in het ‘Leidse tijdschrift’ van de Maatschappij (dl. 95, 1979, pp. 38-42) voor de hierboven gesignaleerde interpretatie aandacht gevraagd. Maar natuurlijk kon ik in zo'n degelijk wetenschappelijk periodiek mijn opvatting niet beargumenteren met een anekdotische jeugdherinnering. En derhalve heb ik mij toen ook theoretisch verdiept in orgelbouw en stemprocedures.
Een derde ontmoeting was tevens een ontmoeting met een vertaler van Huygens. Wie zich wel eens heeft verdiept in diens Latijnse proza en poëzie, weet, dat het lezen daarvan geen lichte kost is. Zelfs een ervaren classicus kan hier nog mistasten, zoals mij, een oud-HBSer die door het staatsexamen toegang kreeg tot de universiteit, tot mijn verwondering bleek. Ik wilde toen op een gegeven ogenblik - het was tijdens de Duitse bezetting - nog eens het handschrift raadplegen van Huygens' Latijnse proza-autobiografie in de Koninklijke Bibliotheek. Er bestond nog geen vertaling van, behalve dan het stuk over de schilders door Worp in Oud-Holland. Maar het manuscript bleek zich in Utrecht te bevinden ten behoeve van de classicus dr. A.H. Kan die een vertaling voorbereidde. Ik kwam met hem in contact en toen hij merkte, dat ook ik mij met Huygens had bezig gehouden, in het bijzonder met diens verhouding tot de beeldende kunsten, vroeg hij mij daarover een bijdrage in zijn boek te leveren.
In het najaar van 1945 kreeg ik de drukproeven. Daarbij bevonden zich ook de proeven van Kans vertaling, met de noten. Hoewel hij mij dat niet had gevraagd, heb ik die, vanzelfsprekend, doorgelezen. Daarbij kon ik vaststellen, dat hij, uiteraard, veel beter Latijn kende dan ik, maar tegelijk constateerde ik met enige verbazing, dat ik meer afwist van Huygens en zijn omgeving. Dit bracht mij er toe hem op 18 november 1945 een brief te sturen met een aantal voorstellen tot correctie, niet alleen van geboorte- en sterfdata van schilders (in de noten), waarvoor hij blijkbaar minder nauwkeurige of verouderde literatuur had geraadpleegd, maar ook van de vertaling van woorden, waarvan hij de zaken die deze benoemen, niet kende.
Een wel grappig voorbeeld daarvan was, dat hij de woorden ‘quasi villula urbana’ vertaalde met ‘een soort van landhuis binnen de stad’. Worp had het in zijn vertaling (Oud-Holland, 1891, p. 68) zelfs over een ‘lust-slot’! Het ging echter om een wat omvang betreft nogal bescheiden tuinaanleg vlak bij het Binnenhof in 's-Gravenhage, op last van prins Maurits en later Frederik Hendrik ontworpen door Jacques de Gheyn II. En die bestond, zoals ik enkele jaren eerder had gezien op de gravures in Hendrik Hondius' Institutio artis perspectiva van 1622, uit een tweetal cirkelvormige plantsoentjes met in de ruimte daartussen en daarnaast enkele koepels, een galerij, berceaux, een volière, fonteinen en een rotspartij met een grot, het geheel een soort ‘hortus conclusus’ in streng geometrische stijl. Ik heb Kan voorgesteld de genoemde woorden te vertalen met ‘een soort buitenhuisje in de stad’, hoewel ook dat niet precies aangeeft waarom het ging (A.H. Kan, De jeugd van Constantijn Huygens, 1946, p. 70).
Een twaalftal bladzijden verder vertaalde Kan ‘desidia’ met ‘vadsigheid’. Het heeft betrekking op het feit, dat Rembrandt en Lievens geen behoefte voelden naar Italië te reizen, zoals vele schilders toen. Maar ‘vadsigheid’ was wel in lijnrechte tegenspraak met Huygens' lof voor de grote ijver van de beide jeugdige schilders. Mijn oude ‘Van Wageningen’ gaf als eerste betekenis van ‘desidia’ op: het lange vertoeven op een plaats. Dit is nu precies wat Huygens Rembrandt en Lievens verwijt. Ik suggereerde derhalve ‘honkvastheid’ (Kan, a.w., p. 82). Deze en de andere voorgestelde correcties werden zonder reactie, laat staan discussie aanvaard.
Ik wil het bij deze voorbeelden laten, maar met nadruk vaststellen, dat deze kritische opmerkingen volstrekt niet betekenen dat ik geen grote bewondering zou hebben voor het moeilijke werk om van het Neolatijn van Huygens' proza-autobiografie een voor die tijd goede, zeer leesbare vertaling te maken. Door deze vertaling werd dit geschrift eerst recht toegankelijk voor allen die zich met de studie van Huygens' persoon en werk bezig houden.
Een lange periode na de oorlog heb ik mij niet met hem bemoeid. Als men vier jaren in militaire dienst is, waarvan drie in de binnenlanden van Zuid-Sumatra, is Huygens wel heel ver weg. En dit Huygens-loze tijdperk zou misschien voor mij nog veel langer hebben geduurd, als mijn omstandigheden mij niet opnieuw en op geheel andere wijze met hem in contact hadden gebracht. In 1954 benoemd tot hoofd van de afdeling Kunstzaken der gemeente 's-Gravenhage, werd ik gedelegeerde onder andere bij de vereniging Hofwijck; dat had te maken met het gemeentelijk subsidie voor deze instelling. Het wel en wee van het door haar in stand gehouden kleine, maar voortreffelijk gerestaureerde buitenhuis van Huygens in Voorburg heb ik daardoor vele jaren van nabij kunnen meemaken.
Zo kreeg ik de smaak weer te pakken. Aan de hand van Huygens' Franse journaal van zijn reis naar Venetië in 1620 met het gezantschap van Van Aerssen van Sommelsdijck heb ik in de nazomer van 1959 geprobeerd zijn voetsporen te volgen. Dat wil zeggen: van Zürich af, want betrekkelijk zo kort na de oorlog vonden mijn vrouw en ik het reizen door Duitsland niet prettig. Ik heb getracht zo veel mogelijk te zien wat hij heeft gezien. En dat leverde een bijzonder boeiende reis op: over de Splügenpas - maar dan wat geriefelijker, per auto, dan Huygens die met zijn gezelschap door de sneeuw ploeterde waarin de paarden tot aan hun buik wegzakten - via Chiavenna, Bergamo, Brescia, Verona, Vicenza en Padua naar Venetië. Daar het ook mijn eerste reis naar Italië was, kon ik mij levendig voorstellen, hoe Huygens in een voortdurende opgetogenheid genoot van natuur, beeldende kunst en vooral bouwkunst en muziek. Met hem heb ik rondgedwaald door het reusachtige amfitheater van Verona, werd ik verrast door het Teatro Olimpico - het enig overgebleven renaissance-theater in Europa - in Vicenza, en heb ik daar en elders vele gebouwen van Palladio, Scamozzi en andere contemporaine architecten bekeken. En ten slotte Venetië. De stad moet op Huygens, komende uit het sobere, eenvoudige Holland, een overweldigende indruk hebben gemaakt. Ik moet me beperken. Slechts vermeld ik, hoe ik daar herdacht, dat hij op 24 juni 1620 een vesperdienst in de SS Giovanni e Lucia bijwoonde die op hem een diepe indruk maakte. Het was de grote Monteverdi zelf die er musiceerde met een orkest, bestaande uit vier theorbes, twee cornetten, twee fagotten, drie violen, een enorme contrabas, een orgel en andere instrumenten, en met een klein koor van tien of twaalf stemmen, ‘qui de ravissement me mirent hors de moi’. Het is, geloof ik, de meest directe en meest spontane uiting van zijn gevoelens in alles wat hij ooit heeft geschreven.
Eveneens aan het eind van de jaren vijftig vond ik bij de herordening van papieren een nagenoeg vergeten opstel over Huygens' bemoeienis met de bouwkunst, geschreven in 1944. Het was gebaseerd op een toen nog nooit geraadpleegd handschrift van Huygens in de Koninklijke Bibliotheek, getiteld Domus. Dit bevat een onvoltooide, Latijnse verhandeling over de bouw van zijn huis op het Plein te 's-Gravenhage. Door toevallige omstandigheden kwam ik er over te spreken met professor J.G. van Gelder, op wiens verzoek ik kort daarvoor een uitvoerige recensie had geschreven over het boek van zijn vader H.E. van Gelder, Ikonografie van Constantijn Huygens en de zijnen in Oud-Holland, 1958. Jan van Gelder vroeg het stuk te lezen en drong er vervolgens op aan deze studie, oorspronkelijk bedoeld als een deel van een groter geheel, persklaar te maken en naar de redactie van Oud-Holland te sturen. Hetgeen geschiedde. Zo verscheen het onder de titel Constantijn Huygens, bouwheer of bouwmeester? haast twintig jaar nadat het was geschreven. Het was bijna zoiets als ‘de behouden prullemand’, om Du Perron te citeren.
Maar genoeg over mijn ‘ontmoetingen met Huygens’. Door allerlei oorzaken vertonen deze een nogal grillig patroon. Het heeft echter niet verhinderd, dat deze contacten mijn bewondering en sympathie, niet alleen voor de dichter, maar voor de hele mens en zijn veelzijdige activiteiten, voortdurend hebben doen toenemen. Bovendien, zo merkte ik, leert men op die manier Huygens kennen, dan leert men iets van de geschiedenis en de cultuur van een heel tijdperk kennen.
G. Kamphuis