
Niemand zal durven beweren dat het lid van de Commissie tot de Bibliotheek der Maatschappij, J.T. Bodel Nijenhuis, honderdvijftig jaar geleden echt onomwonden voor meer schenkingen pleitte, maar duidelijk was hij eigenlijk wel: ‘Ziet daar, Mijne Heeren, wat ik vermelden moest. Heeft Ulieden deze dorre schets niet geheel verdroten, mij verdroot de optelling en uitéénzetting derzelve, hoe droog uit haren aard ook, zoo weinig, dat ik, op dien koop, gaarn, een volgend jaar, een, door uwe giften nog uitvoeriger, tafereel aan uwe belangstelling voordragen wil.’
Een kleine vijftig jaar later, tijdens de Algemene Vergadering der Maatschappij van 1885 was de zaak nog steeds actueel, getuige het pleidooi van de toenmalige bibliothecaris, J.J.A.A. Frantzen: ‘Mochten toch alle onze Medeleden het hunne er toe bijdragen, onze met zooveel kosten en moeite gecompletteerde verzameling over Nederlandsche taal en letterkunde volledig te houden, door van al wat van hunne hand het licht ziet, een exemplaar aan onze boekerij aan te bieden. Daargelaten nog, dat de Maatschappij niet alles kan koopen, heeft zij in menig geval billijke aanspraak op zoodanige welwillendheid, daar zij aan allen, die voor een of ander onderzoek hare hulp noodig hebben, met de meeste bereidwilligheid haren boekenschat ter beschikking stelt. Ik veroorloof mij hierop de aandacht te vestigen, daar het in den laatsten tijd eens is gebeurd, dat aan de Maatschappij een presentexemplaar werd geweigerd van een werk, dat zonder hare onbekrompen hulp niet tot stand zou gekomen zijn...’
Het jaar daarop echter kan men uit het Verslag der Boek- en andere verzamelingen der Maatschappij ge-
durende het jaar 1885-1886 voorgelezen door de waarnemende bibliothecaris, dr. A. Kluyver, opmaken dat deze nog geenszins tevreden was: ‘Groot was ook dit jaar weder het getal van hen die boeken onzer Maatschappij ter leen vroegen, doch het Bestuur gevoelt zich gedrongen nogmaals zijn leedwezen te betuigen over iets wat reeds meermalen ter sprake kwam: niet alle schrijvers, die van de Bibliotheek partij trekken, hebben de goedheid haar een exemplaar hunner werken aan te bieden. Ik neem daarom de vrijheid haar nogmaals in ieders belangstelling aan te bevelen, onder dankzegging aan allen, die haar dit jaar hebben verrijkt.’
In 1899 daarentegen was er reden tot juichen, zij het aan het (open) graf van dr. R.J. Fruin, in wie de vaderlandse wetenschap, aldus voorzitter dr. A. Beets, zoveel verloor, dat men niet mocht verwachten het door zijn mond te horen herhalen: ‘Wat zou het anders kunnen zijn, dan de zwakke naklank van hetgeen die hier tot oordelen bevoegd zijn, door geschrift of woord, tot zijnen lof hebben gemeen gemaakt?’ De juichkreten werden overgelaten aan L.D. Petit, bibliothecaris, die getuigde van Fruins ‘toewijding voor de belangen der Maatschappij en van zijne groote liefde voor hare Bibliotheek’, wat wel mocht blijken uit de uiterste wilsbeschikking van ‘onze diep betreurde vriend’ waarin hij te kennen gaf ‘dat door de executeurs aan onze Maatschappij zouden worden aangeboden alle wetenschappelijke boeken uit zijne boekerij, die in onze verzameling mochten ontbreken en door ons gewenscht zouden worden’. Dat leverde een keus op van ‘eene vooralsnog ontelbare menigte boeken, te zamen meer dan 100 planken vullende’, voorwaar een ‘aanwinst die in kostbaarheid, omvang en zeldzame werken alles [overtreft] wat ooit aan onze Maatschappij geschonken of gelegateerd is’.
Vijftig jaar geleden, in 1937, is er sprake van een voorstel om jaarlijks, in ieder geval tot en met 1942 een post van vijftig gulden op te nemen, bestemd voor het bibliotheekfonds. Het voorstel wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De bibliothecaris, dr. A.A. van Rijnbach, maakt dankbaar melding van uitgevers die ‘wederom bereid gevonden werden exemplaren hunner uitgaven voornamelijk op bellettristisch gebied aan de Bibliotheek af te staan’ en spreekt zijn waardering uit voor ‘leden en niet-leden der Maatschappij, zoomede van instellingen en bibliotheken, die ons met geschenken verblijdden’. Bij de aanwinsten noteren we naast Slauerhoffs Jan Pieterszoon Coen onder meer een Gids voor Lochem en omstreken met wandelkaart, 5e druk, 1902 en K. Heeroma's De Nederlandsche benamingen van de uier (met 4 kaarten).
Nu, in 1987, wil ik me scharen in de rij van mijn voorgangers: dank aan al diegenen die de bibliotheek van de Maatschappij het afgelopen jaar verrijkt hebben met hun schenkingen; een oproep aan alle anderen om exemplaren van hun werken aan onze boekerij af te staan. Wellicht besteedt over honderd jaar de bibliothecaris aandacht aan juist uw gebaar.
J.J.M. van Gent, bibliothecaris