terug  begin  verderprepost
[p. 28]

De Alkmaarse jaren van A.L.G. Toussaint

De jaren, door de schrijfster A.L.G. Bosboom-Toussaint als jonge vrouw in haar geboortestad doorgebracht, zijn niet altijd gelukkig geweest. Door velerlei oorzaken paste zij onvolkomen in haar omgeving, die van een typisch negentiende-eeuwse provinciestad. Ook waren er huiselijke moeilijkheden: dol op haar vader (de ‘Père’), kon zij het slecht vinden met de onevenwichtige ‘Mère’. Na de geboorte van een broertje, lievelingskind van de moeder, die dat kind onverstandig verwende en voortrok, werden de spanningen zo groot, dat de Père het verstandig oordeelde zijn dochtertje elders te laten opvoeden: in Harlingen bij zijn moeder en twee zusters. Dit verblijf, van haar achtste tot haar zestiende jaar, is een zegen gebleken. Niet alleen leefde zij er in een ordelijke, harmonieuze en werkzame omgeving, maar ook kreeg zij er uitzonderlijk goed onderwijs.

Terug in Alkmaar, probeerde zij zich zo snel mogelijk van het ouderlijk huis onafhankelijk te maken. Een poging daartoe, een tweejarig verblijf in Hoorn als gouvernante bij de patricische familie De Bruyn Kops, werd een mislukking: zij kon de kinderen niet de baas. Wel leerde zij er de voortbrengselen der nieuwste Nederlandse en Franse letterkunde kennen.

Met hangende pootjes in het ouderlijk huis weergekeerd, zette zij zich aan het vertalen, maar slaagde pas in het vinden van een levensvervulling, toen zij zelf ging schrijven. In 1837 verscheen haar eerste novelle Almagro, die dadelijk succes had; drie jaar later maakte de Hervormingsroman Het Huis Lauernesse haar beroemd. Zij verkeerde nu in de toonaangevende culturele milieus van die dagen: de kring van de Amsterdamse Gids en die van de pastorie te Heilo, waar broer en zuster Hasebroek hun vrienden ontvingen. Het waren echter twee zeer verschillende sferen, de een liberaal, de ander religieus geaard. Dit leidde tot botsingen, waarbij Toussaint betrokken raakte en die haar onder psychische druk zetten. Ongelukkige verliefdheid op Hasebroek maakte haar daarbij dubbel kwetsbaar.

Was het ook enigszins een vlucht, die haar in 1841, vijfentwintig jaar oud, deed besluiten zich te verloven met R.C. Bakhuizen van den Brink, mederedacteur van Potgieter aan De Gids, een geniale maar in alle opzichten slordig levende geleerde? Het werd een ongelukkige verbintenis. Nog voor het huwelijk moest Bakhuizen zijn schuldeisers door vertrek naar het buitenland ontvluchten. Toussaint beloofde hem trouw te blijven, waarbij zij brak met iedereen die Bakhuizen nu vallen liet. Deze bekommerde zich weinig om haar en toen zijn berichten steeds schaarser werden en de positie van Toussaint onduidelijker, wenste ook de Père, die altijd haar steun was geweest, dat zij de verloving verbrak.

Als consequentie verliet zij daarop het ouderlijk huis, ging bij vrienden logeren en besloot in Alkmaar op kamers te gaan wonen en ten slotte een eigen huis te betrekken: Bierkade 23. Zij had toen haar vijf jaar durende verloving met Bakhuizen verbroken en het besluit genomen met de Haagse kunstschilder Johannes Bosboom te trouwen. Dit huwelijk vond plaats in 1851, toen de bijna veertigjarige bruid haar geboortestad blijvend verliet om zich in de residentie te vestigen.

 

Hoe A.L.G. Toussaint zelf de jeugdjaren in Alkmaar heeft ervaren, kan worden opgemaakt uit de vele brieven die van haar bewaard zijn gebleven. Opvallend is daarbij het verschil in waardering tussen voor en na haar vertrek naar Den Haag. De veelal negatieve opmerkingen over de geboortestad uit de periode dat zij er woonde, contrasteren sterk met prijzende uitlatingen van later datum.

Hier moet rekening worden gehouden met het gevaar, dat de brief inhoudt als bron van letterkundig onderzoek. De brief immers wordt veelal onder de indruk van het ogenblik geschreven en niet zelden min of meer onbewust in de geest van de geadresseerde. Hoe onzekerder de briefschrijver is van zichzelf, des te sterker zal dit laatste een rol gaan spelen. Zeker is dit het geval bij Toussaint, die zich tegenover intellectuelen als Potgieter een onwetende vrouw, een autodidacte uit de provincie zonder mondaine attractie voelde. En zo, al schrijvende, stelde zij haar grieven overdreven voor en dreef zij de spot met datgene, waar zij in wezen niet geheel los van stond.

Stellig was in die dagen Alkmaar geen ideale omgeving voor een onafhankelijke, ongehuwde vrouw, een verwaarloosde verloofde, die de ‘effronterie’ zo ver dreef, dat zij beroemd werd in het gehele land! Van haar kant uitte zij de nodige bezwaren tegen haar vaderstad. Allereerst wat kunst en letteren betreft, leefde zij er op ‘Groenland’, zoals zij bij Potgieter, of op ‘Spitsbergen’, zoals zij bij Van Lennep verzuchtte. Bronnen voor haar historische studies waren er inderdaad niet te verkrijgen. Thuis had zij alleen de goede, maar kleine bibliotheek van de Père en van zichzelf wat onke deeltjes van Nederlandse klassieke schrijvers, door haar broer als oud papier op een veiling gekocht. In dit gebrek zou later worden voorzien na kennismaking met Potgieter, die haar onbekrompen uit zijn rijke bibliotheek leende.

Culturele genoegens waren er ook weinig te beleven in de negentiende-eeuwse provinciestad, of het moest zijn het dilettantentoneel, dat de toneelliefhebster Geertruida Toussaint zeer kon vermaken, al was het op een andere manier dan bedoeld werd.

Van een geheel ander dan cultureel gemis werd de jonge schrijfster zich bewust, toen zij kennis had gemaakt met de pastorie van Heilo, waar naast culturele verfijning vooral de religieuze sfeer van het Réveil heerste. Hierdoor onderging zij een geestelijke vernieuwing, die nog gestimuleerd werd door haar verliefdheid op de gastheer - de onder het pseudoniem Jonathan schrijvende J.P. Hasebroek - en door haar innige vriendschap met diens zuster Betsy. Nadat deze Heilo verlaten hadden, vond Geertruida een vergoeding voor dit grote gemis in de bezielde prediking van de jeugdige dominee J.J. van Oosterzee, nog van voor de tijd dat Potgieter hem als het ‘nijlpaard’ kon typeren. Na diens vertrek uit Alkmaar viel de armoede van het kerkelijk leven haar dubbel zwaar te verdragen en vele zijn de klachten

[p. 29]

erover in haar brieven. ‘De vrienden Pierson konden haast niet begrijpen, hoe ik hier leefde in deze Alkmaarsche atmospheer waar 't in het geestelijke nog meer dan in de natuur altijd eenige graden kouder is dan elders’, schrijft zij in 1847. Niet zozeer de ziekmakende kou in de Grote Kerk, ook niet de grote afstand die haar, later op de Bierkade, ervan scheidde, maar de minder dan middelmatige prediking maakte dat zij er niet meer deelnam aan de godsdienstoefeningen. Liever ging zij dan ook naar de Remonstrantse Kerk, waar de dominees W. van Oorde en M. Cohen Stuart haar betere geestelijke steun te bieden hadden en waar zij zelfs naar het H. Avondmaal ging. Dit kwam haar te staan op een vermanend huisbezoek van de Hervormde Gemeente - huisbezoek waar zij, toen zij er behoefte aan gevoelde, tevergeefs naar had uitgezien.

Er zijn gelukkig ook ‘andere Töne und freudenvollere’ aan te heffen. Geertruida Toussaint mocht zich in Amsterdam, Den Haag of elders tegoed doen aan alles wat daar voor haar te genieten viel, maar als de zwakke jonge vrouw uitgeput in Alkmaar terugkwam, waren daar steeds de kalmte en rust waarin zij naar wens kon studeren en schrijven. Over een verblijf in Rotterdam - waar zij bij Van Oosterzee logeerde - schreef zij: ‘[ik verlangde] hartelijk naar mijn werk en kamer, hoe kil en koud de laatste met zijn witte muren ook zijn mogt.’

Ook zou de schrijfster al heel ondankbaar moeten zijn geweest, als zij alleen maar kritiek had geuit op een stad, die haar reeds vroeg in het openbaar hulde bracht. In 1845 werd zij benoemd tot honorair lid van de plaatselijke afdeling van het Nut van 't Algemeen, een bescheiden onderscheiding, die zij aannam ‘zooals het gegeven werd met een goed hart’. Van grotere allure was het gebaar van de Raad van Alkmaar: haar benoeming tot ereburgeres in hetzelfde jaar. Bewogen schreef zij in een dankbrief: ‘de eere mij toegebragt door den Raad van mijne geboortestad (de eerste openlijke voor mij in mijn vaderland) [is] mij de waardste en zij zal mij de meeste blijven.’ Potgieter schreef zij erover: ‘de Alkmaarsche [hulde] is eene zeer hartelijk gemeende en gracieus volvoerde.’ Ten slotte was de bruid zeer getroffen door de serenade op de Bierkade, die haar en Bosboom de avond voor hun trouwen werd gebracht.

Na vestiging in Den Haag wijzigde inderdaad mevrouw Bosboom-Toussaints houding ten aanzien van Alkmaar, want evenals het gewoon is dat jonge mensen op een bepaald tijdstip in hun ontwikkeling zich afzetten tegen hun omgeving, is het ook niet ongebruikelijk, dat zij in later jaren daar juist met een zekere vertedering aan terug denken en zelfs vaak geneigd zijn die te idealiseren.

Tot 1865 bezocht het echtpaar Bosboom bijna jaarlijks Alkmaar, bij voorkeur met oudejaar, de trouwdatum van de ouders. Ruim een jaar nadat mevrouw Bosboom Haagse was geworden, schrijft zij al: ‘Het terugzien van Alkmaar, mijne ouders en menigte van vrienden en kennissen maakt mij zeer gelukkig, vooral omdat ik het nu zóo zien kan.’ En in 1860, drieëneenhalf jaar na vertrek: ‘Ik ben toch eigenlijk geboren om [in] een klein stadje te leven. Alkmaar is [in] mijne proportie of ik in de hare.’

Aan de traditionele bezoeken van de Bosbooms aan Alkmaar kwam een einde, toen in 1865 de apotheek van de Père werd opgeheven. Nadat deze in 1859 was overleden, probeerde zijn zoon het kwijnende apothekersbestaan nog te rekken, totdat in 1864 de Wet op de Geneeskunde hem en zijn collegae beroofde van de voornaamste bron van inkomsten: het geven van recepten. Daarna kwamen de Bosbooms nog enkele keren om de Ontzetsfeesten bij te wonen, de schrijfster uit vaderlands gevoel, de schilder voor de Grote Kerk, die hem als kunstenaar fascineerde.

Alkmaar, van haar kant, vergat de ereburgeres evenmin. Als geen andere Nederlandse stad heeft zij een beroemde inwoonster geëerd. Na haar dood werd een gevelsteen aan haar geboortehuis onthuld. In 1912, bij de honderdste geboortedag, kreeg zij een standbeeld, waarop de enige kritiek zou kunnen zijn, dat het niet de jeugdige Alkmaarse Anna Louisa Geertruida Toussaint voorstelt, zoals zij daar eens, lang geleden, rondliep.

Niet minder belangrijk is het feit, dat de actieve directrice van het Alkmaarse Stedelijk Museum, mevrouw A. de Vries, in de ‘Bruinvis-kamer’ een permanente tentoonstelling over Bosboom-Toussaint heeft ingericht, die op 8 oktober 1985 geopend werd, met de typerende titel ‘Een Kennemersche in 't hart’.

En nu, op de honderdvijfenzeventigste geboortedag, heeft de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde haar eerste vrouwelijke erelid geëerd met een gedenksteen aan Bierkade 23. Een nieuwe toeristische bezienswaardigheid tegenover de historische Accijnstoren? Laat ons er méér van hopen, namelijk dat voorbijgangers, bij het lezen van de tekst op de steen, belangstelling krijgen voor leven èn werk van de belangwekkende vrouw, die zich steeds Alkmaarse is blijven voelen.

 

Hierop dankte de voorzitter het Stedelijk Museum voor de geboden gastvrijheid. Deze feestelijke bijeenkomst werd besloten met een geanimeerde receptie in de hal van het Museum.

prepostterug  begin  verder