terug  begin  verderprepost
[p. 41]

De leermeester-leerling verhouding tussen Verwey en Van Eyck



illustratie
(foto Loek Zuyderduin)

Wanneer wij vanmiddag over Albert Verwey en P.N. van Eyck spreken, dan is het deze omgeving die een direct verband tussen die beiden sanctioneert. De halve eeuw die ons scheidt van het heengaan van de oudere heeft een meer toevallig karakter evenals de geboortedag van de jongere een eeuw geleden. Hun verbondenheid kreeg een zichtbaar zegel in het hoogleraarschap dat hen beiden in een Leidse toga stak en in dezelfde stoel plaatste.

Het voor Van Eyck pijnlijke punt van die verhouding is nu wel afgesleten, niet alleen omdat beiden ons ontvallen zijn, maar al na het overlijden van Verwey was er een eind gekomen aan het door de jongere steeds bestreden ‘leerlingschap’. In de in verschillende opzichten belangrijke brieven aan D.A.M. Binnendijk van 16 en 25 februari 1942 legt P.N. van Eyck rekenschap van gevoelens af, zoals dat in zijn jeugd nog heette. Ik formuleer wat te haastig. De vaststelling van Verweys ‘meesterschap’ in die brieven laat de Leidse voorganger toe tot een gezelschap waarin wijzen en heiligen door hun leerling een even eerbiedige als schone groet gebracht wordt. Het doet mij besluiten dat hij in het woord ‘leerling’ een te volgzame kwaliteit speurde, dat hij bovendien sterker bepaald werd door een vooralsnog niet geheel te doorgronden houding van een discipel. Hij had al in verschillende bladen gepubliceerd toen in het mei-nummer van De Beweging van 1907 het gedicht I lock my door upon myself verscheen. Dat zal hij zijn dichterleven lang zijn debuut noemen. Wanneer er in die periode problemen, zelfs conflicten met Verwey ontstaan, dan herinnert hij aan dat begin als aan een beginsel waaraan hij niet kan noch wil verzaken. Pas in 1911 schijnt dat van kracht te worden, want in de eerste Getooide doolhof neemt hij het gedicht niet op!

Soms lijkt een verwijdering de verhouding tot de redacteur en diens Beweging te schaden. Ik denk aan een korte periode na zijn terugkomst uit Italië wanneer het Absolute Idealisme hem in zijn greep dreigt te vatten. Van beschadiging is echter geen sprake. Na dat avontuur schrijft hij het gedicht waarmee de bundel Lichtende golven van 1917 sluit:

Aan Albert Verwey
 
Ik zeg niet dat ik keer, ik heb gevonden
 
Wat ik tot vóór ik U verloor niet had:
 
Dat alle ding in de Eenheid is verbonden,
 
In haar gij mij, ik u aldoor bezat.

En sinds valt er van geen scheiding tussen de beide dichters te spreken, van tegenstellingen en van verschil van mening meer dan eens. Het gesprek op de Monte Mario met de schilder H.F. ten Holt heeft voor een wassend inzicht ruimte gemaakt. In die ruimte komt eens de ontdekking dat beiden, Verwey en Van Eyck, in hun strevingen overeen stemmen, misschien een overeenstemming waarin alle dichters zich en elkander zouden vinden. Ik citeer nòg een strofe uit hetzelfde gedicht:

[p. 42]



illustratie
P.N. van Eyck



illustratie
Portretbuste van Albert Verwey door Ludwig Oswald Wenkebach

[p. 43]
 
[...] Er zijn geen menschenwoorden
 
Waar 't reine Zijn gestalteloos in leeft,
 
En álle lied dat dichters in zich hoorden,
 
Heeft in zijn oorsprong naar die vondst gestreefd.

Door Verwey, schreef destijds een criticus, door Verwey werd Van Eyck zichzelf. Dat lijkt me de kern te raken, al wil ik nog wel proberen van dat ‘zichzelf’ iets te tonen. Daarbij beperk ik me tot drie momenten die naar mijn inzicht van principiële betekenis zijn.

De gang van Van Eycks dichterlijke ontwikkeling is niet eenvoudig, al wenste hij van harte het tegendeel. Wanneer hij op zijn laatste ziekbed zijn poëzie ordent voor een definitieve bundeling - en hoe vaak sprak hij als innige wens uit als dichter voort te leven! - geeft hij in het tweede deel het daarin Verzameld werk de titel van een der laatste bundels: Herwaarts. Van Voorbereiding uit 1927 tot en met Medousa van 1947 is hierin opgenomen. Als dit alles een aansporing meer dan een uitgangspunt is, zoals het gedicht van de titel toestaat vast te stellen, denk ik, dat 't niet ongeoorloofd is de voorafgaande gedichten met een ‘derwaarts’ aan te duiden. Het rijmpje waarbij Jan Luiken - en ook die naam is in dit verband getuigend! - een prentje graveerde, zegt: ‘Aan d'overkant is 't zalig land.’ Het is de droom der vromen, der eenvoudigen van geest - ‘eenvuldigen’ wellicht! - maar het was ook de droom van de jonge Van Eyck, zijn ‘hemeldroom’.

 
Weet gij, welke vreugdbelofte
 
Gij, o God, mijn kindsheid gaaft,
 
Voor mijn weemoed haar verdofte,
 
Wijl haar dorst niet werd gelaafd?

En nog duidelijker in De sterren van 1911 waarin een jonge dromer een pelgrimage onderneemt om het Zuiderkruis te aanschouwen. Een tocht die hij met de dood betaalt. Tussen 1916 en 1927 herdichtte Van Eyck dit lange poëem tot een nieuwe kortere versie onder de titel van dat sterrenbeeld. Derwaarts streefden zijn dromen, zijn gedachten. Als de wending naar een andere visie zich voltrokken heeft, wil hij alleen nog van het hier en nu spreken.

 

Het tweede moment is dat van de weg die deze dichter ging. Werwaarts, kan men denken. Wie zijn werk met enige aandacht leest, ziet zich door een cirkelende gang gevoerd. Dat is in beeld te aanschouwen in titels als De getooide doolhof, een doelloos en zinloos schijnende rondgang door deze wereld en door eigen innerlijk leven, Het ronde perk dat geen enkele toelichting behoeft. Minder in direct beeld dan in dadelijke werkzaamheid is dat af te lezen aan poëzie die later herschreven werd. De sterren noemde ik al, maar er zijn meer voorbeelden met als omvangrijkste en in iedere bewerking steeds dieper dalend in de cirkelgang van een in zichzelf worstelend en wroetend wezen: Medousa. Een verhaal van zinnelijke vervoering in 1904, vier zangen waarin dat vervoerende sleets schijnt te raken in 1908, vier zangen met een voor-, tussen- en nazang in 1947. Dichter en Medousa vullen elkaar aan, putten elkaar uit, want het hoofdmoment is de worsteling om bevrijd te worden uit de ontgoochelingen van de doolhof der zinnen, uit een gespletenheid waaraan zijn generatie ostentatief leed, waar misschien de mens aan lijdt, maar waardoor in elk geval P.N. van Eyck zich verscheurd gevoelde.

 

Dan komt het derde moment in zicht: het verlangen naar eenheid, Van Eycks ernstigste probleem. Als critici hem aanvielen, als collega's hem niet als dichter wilden aanvaarden, dan viel al gauw het woord ‘verstandelijk’, wat in mijn jonge jaren wel werd gekwalificeerd als ‘verhersend’. Verwey heeft daarvan meer dan zijn deel gekregen, maar één van de verschillen met Van Eyck was, dat de Noordwijkse dichter een minder wankelende persoonlijkheid was met een - denk ik - scherper inzicht in wat mensen beweegt. In de briefwisseling waarin ik mij mag verdiepen, komt hij te voorschijn als een wijze mentor die niet alleen de jonge Van Eyck heeft geïmponeerd, maar ook de grijze student.

De jonge dichter die aanvankelijk toegejuicht, vrij snel zijn invloed zag vervloeien, begreep heel goed wat de oprichter en ‘bestuurder’ van De Beweging eens schreef: ‘Tegenover het begrip dat eenheid wenst, staat het leven dat die eenheid is. Het laatste is raadselachtig, het eerste verjaagt en vernietigt het wonder.’ Maar Van Eyck ontkwam niet aan een kwelling die ook een aantal van zijn generatiegenoten trof en die de befaamde grafoloog Ludwig Klages probeerde te vatten in de uitdrukking: ‘Der Geist als Widersacher der Seele.’ In de tweede druk van Inkeer (1927) heeft de dichter juist aan de geest willen ontkomen:

 
O niets meer te willen, te weten,
 
Eén hunkring hijgend en heesch:
 
De Geest, de geest te vergeten
 
In de levende dood van het vleesch.

Een ontsnapping door een terugval in een felle zinnelijkheid. Hij heeft dat gedichtje niet laten herdrukken. Herkende hij achteraf dat zijn weg een andere koers wees? De ziel als levensbeginsel, misschien bij Van Eyck als essentiële partij tegenover een accidentele verschijningsvorm, moest bevrijd worden. In het tweede deel van het Verzameld werk staat onmiddellijk voor Herwaarts het korte gedicht Lente:

 
In bloesemgeur, en zoelte, en vogelkelen
 
zwijgt, lente, gij van 't diepst dat mij beroert.
 
Geen tijdelijk thuis-zijn kan 't gemis verhelen,
 
Dat enkel haakt naar wat van hier ontvoert.

Bleef het derwaarts toch ook 't Herwaarts bepalen, zoals in 't gedicht van die naam de spreuk van Luiken hoorbaar blijft tot in de laatste strofe (‘Aan d'overkant is 't zalig land’)? Misschien is de onthoofding van Medousa de symbolische verlossing van de geest; uít haar steigert Pegasus met een vurige tong op het hoofd naar de hoogste hemelen om daar als sterrebeeld een durend teken te zijn:

 
[...] een lichtend beeld
 
Der ziel, die in zich zelf verdeeld,
[p. 44]
 
Als ver visioen haar ene zelf
 
Ziet schijnen aan 't verbleekt gewelf

En hij vervolgt:

 
Waarnaar wat achterblijft nu haakt
 
Opdat het, aan zijn doel geraakt,
 
Tot de eigen volheid van voorheen
 
Zich met zijn ander zelf vereen.
 
 
 
O leven, bitterlijk gesmaad,
 
Waar bleef dat nooit voldaan beraad?
 
Heb ik U voor altijd misschien
 
In't diepst van Uw geheim gezien?
 
 
 
Dat tijdeloos, ruimteloos en vrij,
 
Eén Geest, éen enig wezen, Gij
 
Dit gans heelal van stof en schijn
 
Door mij Uw eigen vorm doet zijn.
 
 
 
Dat uit mijn ziel Uw werkelijkheid
 
Zich tot een wereld om mij spreidt,
 
Die, droom en waarheid tegelijk,
 
De aardse gestalte is van Uw rijk.

Verwey had het kunnen zeggen. Opziend naar die ene ster, een onbekende, ons aller hoop, zoals Honoré de Balzac haar noemde, vonden de beide coryfeeën van de Leidse universiteit elkaar in een onmiskenbare, in wezen religieuze visie.

H.A. Wage

prepostterug  begin  verder