Samenvatting van het dankwoord van F.P. van Oostrom*
Na een korte beschouwing over de verhouding tussen de eer en het geldbedrag verbonden aan de Wijnaendts Francken-prijs, waarbij geheel in stijl een vergelijking met de middeleeuwse hofcultuur niet ontbrak, constateerde Van Oostrom dat in zijn persoon voor het eerst een mediëvist was bekroond. Dat een in aanleg voor geschiedkundig onderzoek bestemde prijs aan een Neerlandicus was toegekend achtte hij een bevestiging van de ontwikkeling dat de banden tussen de geschied- en literatuurwetenschap de laatste tijd weer nauwer aangehaald worden. Is dat op zich een positief gegeven, de omstandigheden waaronder het onderzoek op het gebied van de Nederlandse cultuur moet plaatsvinden geeft allerminst aanleiding tot positieve geluiden. Zo zei Van Oostrom: ‘Aan het instituut voor Neerlandistiek van de Leidse universiteit hebben wij in de laatste twee jaar met lede ogen moeten toezien hoe onze staf met meer dan twintig procent is ingekrompen. Denk niet dat dit komt omdat wij minder studenten kregen: wij hebben er nog onverminderd veel. Ook publiceren wij meer dan ooit, van artikelen van jonge onderzoekers tot en met zware proefschriften en een bekroonde studie als de mijne.’
Deze situatie is niet alleen frustrerend voor de gearriveerde onderzoeker; ook de nieuwe generatie onderzoekers lijdt hieronder. De vroeger vaak zo stimulerend werkende studentassistentschappen bestaan niet meer, bij gebrek aan geld stelt de faculteit al jaren geen assistenten-in-opleiding meer aan. Van Oostrom: ‘Het enige perspectief dat ik mijn cum laude studenten nog kan bieden - gemiddeld bijna één per jaar - is dat we met tien à twintig vergelijkbare gevallen in den lande kunnen gaan mededingen naar de circa vier plaatsen die de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek jaarlijks voor onderzoek op het gebied van de Nederlandse letterkunde - van Maerlant tot en met Meijsing - beschikbaar heeft. Let wel: het gaat hier om concurrentie tussen zeer gemotiveerde mensen met zeer hoge cijfers, gesteund door promotoren van uitstekende naam en faam, met wel doordachte proefschriftplannen op belangrijke onderzoeksterreinen - om baantjes die rondom het minimumloon betalen.’
Dat deze omstandigheden op den duur juist de meest getalenteerde studenten een andere richting zullen doen kiezen mag verwacht worden.
Vervolgens pleitte Van Oostrom ervoor om de studie naar de Nederlandse cultuur tot een van de prioriteiten van wetenschapsbeleid te maken: ‘Dat het krachtig keren van het tij een goede zaak zou zijn, daarvan ben ik heilig overtuigd, en vandaar dat ik naast alle uitdagingen die wij zo graag in allerlei sectoren waarnemen, de volgende uitdaging presenteer: om nu eens een grote, significante inspanning te doen die waarmaakt dat het ons iets waard is om onze cultuur goed bestudeerd, en daarmee levend te houden. Laat men eens de moed hebben om een van die organisatiebureaus waarvan