[p. 13]
Ockenburgh
't Was in de aula warm als in een stal.
Het is, dacht ik, naar buiten kijkend langs
zijn kist naar de Japanse kers en de
weldadige magnolia's, nog niet zo gek
om er zachtjes van door te gaan, nadat
je de verwarring die door je bestaan
veroorzaakt is, tot dit mal, lief gedoe
hebt teruggebracht. Ik zag me al een uur
lang diep betreurd met lint en Aronskelk,
Mahler, enig gesnik en toespraken en al
er ook zo bij liggen. En daarna jij en Ad,
Christine, familie, vrienden, wat collega's
bij schrale koffie maar wat raak kletsen
over mijn eigenschappen die ik nooit bezat.