terug  begin  verderprepost
[p. 14]

Nieuw licht op het begin van de Indisch-Nederlandse letterkunde



illustratie

Op 19 december 1667 vertrok de Papenburg vanaf Texel. Het was een zogenaamde fluit van vijfhonderd ton die in de loop van hetzelfde jaar te Amsterdam was gebouwd. Aan boord was een zekere Laurens van Elstland, een Haarlemmer die het dichten had geleerd in de Vlaamse rederijkerskamer van zijn geboortestad. De reis naar Indië verliep voorspoedig: op 29 april 1668 vertrok de Papenburg vanaf Kaap de Goede Hoop, om twee en een halve maand later aan te komen in Batavia. De indruk die deze stad bij aankomst op hem maakte, heeft Van Elstland als volgt verwoord:

 
Toen ik aanlande in dees wijt vermaarde Stat
 
doe dagt ick, dit is t puyck dat Asia bevat
 
en haare boesen ciert, maar dieper ingekomen
 
'k sag gragten, sonder wal, met hoge klappus bomen
 
niet na de orde, maar in t hondert heen geplant
 
de huysen meest van riet, en daaglycks was er brand
 
[...]

Deze verzen komen uit een nethandschrift dat te Parijs in de Bibliothèque Nationale berust, onder signatuur: MS. néerlandais, No 61. Het is beschreven door Busken Huets zoon Gédéon in de Catalogue des Manuscrits Néerlandais uit 1886. Huet schrijft hierin dat het handschrift Van Elstlands Mengeldichten bevat met satires, brieven, een Jeremia-bewerking en een klucht, getiteld Jan onder de Deecken. Over de auteur deelt hij mee dat deze aan het eind van de zeventiende eeuw te Batavia op de Indische Archipel leefde en wellicht ook de Molukken heeft bezocht, omdat het handschrift een satire bevat op de gouverneur van Banda. De dichtbundel bevat ook een datering: een rijmbrief aan vrienden in Holland is gedateerd ‘uit Batavia, 2 december 1693’. Nog steeds volgens Huet is de bundel nooit uitgegeven en dan komt de opmerking: ‘enkele stukken zijn merkwaardig met het oog op de geschiedenis der zeden’. Het handschrift wordt gekarakteriseerd als een ‘Nieuwe aanwinst’. We mogen er dus vanuit gaan dat de Parijse bibliotheek de bundel tussen circa 1850 en 1886 heeft verworven. Het is jammer dat momenteel verdere provenancegegevens ontbreken.

Ondanks deze beschrijving lijkt nooit iemand de bundel nader te hebben bekeken. In studies over de oudere Nederlandse letterkunde in Indië zoals die van De Haan, Du Perron en Nieuwenhuys zal men dan ook de naam Van Elstland vergeefs zoeken. Toen ik in mei 1985 de gelegenheid kreeg om een paar dagen in de Parijse bibliotheek te werken, heb ik de bundel opgevraagd en nijver aantekeningen gemaakt. Daarna ben ik pas zeer geleidelijk het belang van die bundel gaan inzien. Tenslotte heb ik een microfilm laten maken die sinds een half jaar in mijn bezit is.

Reeds bij oppervlakkige kennisname van het handschrift begon ik mij af te vragen hoe goed Gédéon Huet indertijd de bundel had bekeken. Zo was het mij een raadsel hoe hij over het hoofd heeft kunnen zien dat het handschrift uit meer bestaat dan de 66 bladen met Van Elstlands Mengeldichten. Achterin bevindt zich namelijk een lang gedicht in een andere hand dat maar liefst elf bladen beslaat. Dit gedicht is ondertekend met ‘Jan van Elsland’ [sic]. Deze Jan blijkt een neef te zijn van Laurens van Elstland [sic], die het werk van zijn oom aan een min of meer kritische beschouwing onderwerpt. Bij nadere bestudering bleek mij dat Laurens vanuit Indië de door hem samengestelde bundel in december 1693 aan zijn neef Jan in Haarlem heeft toegestuurd die daarop heeft gereageerd met zijn lange gedicht. Een afschrift van zijn gedicht heeft neef Jan (of iemand anders) samen laten binden met Laurens' Mengeldichten. Het bijzondere van zijn bijdrage is dat ze niet alleen allerlei relativerende opmerkingen bevat over de Indische eigenaardigheden in het werk van zijn oom, maar ook dat ze een zeker inzicht geeft in het onthaal dat de Indische bundel in Holland te beurt viel. Zo heeft neef Jan enkele gedichten van zijn oom voorgedragen bij twee rederijkerskamers, namelijk bij de Witte Angieren (de Vlaamse kamer) en de Wyngaerdrancken. De gedichten van oom Laurens blijken een groot succes te zijn geweest bij de Haarlemse rederijkers. Niet dat neef Jan zelf zo'n fervent rederijker was: die rederijkers geven zich, volgens hem, veel te veel over aan het kaartspel (om maar één duivelse uitspatting te noe-

[p. 15]

men). Zelf dweept deze matige dichter eerder met het Amsterdamse dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum, want dat leert ons tenminste:

 
[...] hoe wanschaapen,
 
veel digtren, zig te bot vergaapen
 
met ongelijke zaaken 't saam
 
te mengle; als kees, die, als hij visten
 
van vooglen sprack; en als hij pisten
 
van eeten, [...]
 
of op een feest, van hecubaas
 
en andromagges dood te spreeken,
 
en traanen doen uijt de oogen leeken:

Het zijn natuurlijk de gedichten van oom Laurens die de meeste aandacht verdienen. Blijkens zijn bundel gaat Van Elstlands literaire voorkeur uit naar Vondel en Hooft, wat opmerkelijk mag heten gezien de vurige antiroomsheid die regelmatig opvlamt in zijn gedichten. Bepaalde ‘vaarzen’ van beide grootheden heeft hij met liefde en respect nagevolgd. Maar niet in de eerste plaats omwille van de creatieve ‘imitatio’ intrigeert een ‘Zang’ in navolging van Vondel. De eerste strofe hiervan luidt als volgt:

 
Als nu Partheniam, niam
 
haar Jaar-bancket zou geven
 
Evoe Evoe
 
en toen dien dag aanquam
 
[...]

Wat hier vooral intrigeert is dat dit lied kennelijk werd geschreven voor een feest dat jaarlijks te Batavia werd gehouden door ‘Partheniam’. Helaas weten we over ‘Partheniam’ tot nu toe nog niets, maar bij die naam ben ik toch geneigd te denken aan een vereniging en misschien zelfs aan een literaire vereniging, opgericht in navolging van de rederijkerskamers ‘in patria’. Zo lijken de meeste gedichten van Van Elstland een functie te hebben gehad binnen de Hollandse gemeenschap te Batavia en bevatten ze soms eigenaardige details voor wie in de mentaliteit van toen en ginds geïnteresseerd is. Zo schrijft hij een satire in de trant van Juvenalis op de Indische vrouwen, nadat hij door een vriend met trouwplannen om raad is gevraagd. Hij onderscheidt daarbij drie soorten vrouwen in Batavia: ‘witte’, ‘bontjes’ en ‘swarte’. Geen enkele soort deugt natuurlijk, maar een speciale nare eigenschap van de ‘swarte’ vrouwen is toch:

 
[...] dat die geslagten
 
noch bont noch witten agten
 
Fluks is hun seggen, is ons bloet
 
zoo root niet als 't de witte doet?

Vooral deze laatste zin maakt duidelijk dat blanken en kleurlingen een bepaald zelfbewustzijn bij de inlandse vrouw onderkenden en als onaangenaam ervoeren. Ook de twee hekeldichten aan het adres van de gouverneur van Banda die als een soort Faeton wordt voorgesteld, zijn nogal merkwaardig vanwege hun pre-multatuliaanse trekjes.

 
Want als hy [de gouverneur] in de Hooge sweeft
 
Zoo schemert hem 't gesigt [...]
 
en maeckt dat ijder voor hem beeft
 
hoewel hy als een zot
 
Syn Eygen werck bespot.
 
 
 
Help god uyt banda al die geen
 
die dit zoo niet verstaan
 
die onregt doen, dat ze oock betreen
 
haar selfs gemaackte baan
 
laat regt in 't lant syn, stelt te vreen
 
die wagten met gedult [...]

Wanneer dezelfde gouverneur het waagt om deel te nemen aan het Avondmaal, begint Van Elstland een hekeldicht met:

 
Hier zuygt een vercken hemelzoch
 
was 't hem niet nutter aan de trogh
 
op dat hy leerde weten
 
wat kost de verckens Eeten?

Naast deze ‘Indische’ passages, waarvan er natuurlijk veel meer zijn dan ik hier kan citeren, bevat de bundel ook een aantal gedichten waarin hij zich richt tot familie en vrienden in het verre vaderland. Soms kan hij daarbij zijn heimwee nauwelijks in toom houden.

 
[...] och dat ick oock myn uuren
 
in 't lustig Haarlems bos, by nimfen en gebuuren
 
mijns levens tyt met vreugt verslyten mogt,
 
Nu wandelt mynen geest tot Haarlem in de Stat
 
en ga de straat in daar 'k mijn wiege en bakermat
 
toen ick de werelt eerst beschreijde, heb gevonden.
 
[...]
 
Hier sta ick heel verstelt, en denck, is dit het siecken
 
staat hier het pesthuijs, daar ick dicmaal kerssen, kriecken
 
en druijven snoeide; en snoepte en als 't daar kermis was
 
gelijck de jongens doen, liep buijtelen in 't gras
 
of zag het ligste volck den smallen weg betreden:
 
niet, die na boven leijt, maar die regt na beneden
 
syn perck, en mijlpaal heeft, [...]

Over het begin van de Indisch-Nederlandse letterkunde weten we nog lang niet genoeg. Misschien duiken er in de toekomst nog andere dichtbundels op, maar Van Elstlands werk maakt toch een goede kans om blijvend als een van de interessantste bundels uit de begintijd te worden beschouwd. De eenvoudige Indische Haarlemmer, die het in Batavia nog zou brengen tot ‘Meesterknegt der geelgieters’ [= koperslagers], komt uit zijn werk niet naar voren als een literaire grootheid, maar uit het weinige dat hier is geciteerd, moge reeds blijken dat zijn werk cultuurhistorisch gezien van eminent belang is. Het is daarom zaak dat het in zijn geheel wordt uitgegeven!

K. Bostoen

Fragment van de rijmbrief aan de Haarlemse kamer der Witte Angieren waarin Laurens van Elstland verhaalt over de indruk die Batavia op hem maakte bij eerste kennismaking.
prepostterug  begin  verder