[p. 17]
Tijd
I
Het Al dijt haastig uit, maar ik krimp langzaam in -
De tachtig jaar voorbij - naar lichaam, ziel en zin
In tijd en ruimte zwelt het Al, ik schrompel tussen
Een ongeweten einde, een vergeten begin.
II
Euklides, Newton, De Sitter, Riemann: ik weet hun namen
En hun heelallen kan ik somtijds vaaglijk ramen,
In een formule - t betekent daarin tijd -
Vat Einstein alles (wát precies?) symbolisch samen.
III
Wat Einstein heeft bedoeld wil ik begrijpen
Daartoe moet mijn verstand nog jaren rijpen.
Wat tijd is weet ik niet, ik weet alleen
Dat míjn tijd jammerlijk begint te nijpen.
C.F.P. Stutterheim