terug  begin  verderprepost

Een nieuwe loot aan de oude stam: de Zuidelijke Afdeling

Bijna 223 jaar na de oprichting van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden heeft dit gezelschap op een afstand van bijna 223 kilometer van zijn hoofdzetel, die met het openbaar vervoer een reistijd van bijna 223 minuten vergt, een nieuwe afdeling gekregen: op zaterdag 28 januari 1989 werd in Maastricht de Zuidelijke Afdeling opgericht.

Het initiatief om deze nieuwe loot aan de oude stam te laten ontspruiten werd geboren bij de dichter en essayist dr Wiel Kusters uit Maastricht, sedert 1 maart 1989 overigens bijzonder hoogleraar in de algemene en Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Limburg. Hij legde zijn plan voor aan het bestuur van de Maatschappij, dat het met enthousiaste instemming ontving. Het bestuur nodigde dr Kusters uit een voorlopig bestuur te vormen en met dat gremium de oprichting van de Zuidelijke Afdeling voor te bereiden. De initiatiefnemer vond spoedig enkele medeleden van de Maatschappij in het zuiden des lands, die net als hij de behoefte gevoelden elkaar tijdens werkvergaderingen op de hoogte te brengen van hun bezigheden met taal- en letterkunde en geschied- en oudheidkunde. Uit deze medeleden werd een voorlopig bestuur gevormd, dat uit praktische overwegingen werd samengesteld uit leden die in Zuid-Limburg woonachtig zijn. Wiel Kusters bekleedde in dat voorlopig bestuur het voorzitterschap, de dichter Leo Herberghs uit Heerlen bleek bereid de zorg voor de penningen op zich te nemen en schrijver dezes nam het ambt van secretaris op zich.

Rond de jaarwisseling presenteerde het voorlopig bestuur zijn initiatief aan de leden van de Maatschappij die woonachtig zijn in de Nederlandse provincies Noord-Brabant en Limburg, in de omgeving van Nijmegen, in België en in de Duitse grensstreek. Daarmee is meteen het territorium aangegeven dat de Zuidelijke Afdeling als haar werkgebied beschouwt. Zij koos voor Maastricht als plaats van vestiging vanwege het rijke culturele verleden van deze stad, vanwege de gunstige ligging ten opzichte van het buitenland en vanwege de oprechte overtuiging van het voorlopig bestuur dat het in deze stad goed toeven is.

[p. 5]

De bedoeling van de oprichters van de Zuidelijke Afdeling is enerzijds de Maatschappij dichter bij haar leden in het zuiden te brengen, voor wie het bezoeken van werkvergaderingen in Leiden toch nogal eens op praktische bezwaren kan stuiten, en anderzijds om aan het culturele en intellectuele leven in het zuiden een nieuwe impuls te geven. De Zuidelijke Afdeling zal op een zelfde wijze gaan functioneren als de Noordelijke Afdeling, die reeds langer te Groningen gevestigd is. Dat betekent dat haar voornaamste werkzaamheid zal bestaan in het beleggen van werkvergaderingen - vier maal per jaar - waarin leden van de Maatschappij voordrachten zullen houden en/of mededelingen zullen doen over onderwerpen van taal- en letterkundige of geschied- en oudheidkundige aard. Aan de jaarvergadering wil de Zuidelijke Afdeling een bijzonder karakter verlenen door op het besloten vergadergedeelte een openbaar gedeelte te laten volgen, waarvoor telkenjare een gastspreker wordt uitgenodigd. Voor haar vergaderingen mag de Zuidelijke Afdeling de gastvrijheid genieten van de Rijkshogeschool Opleiding Tolk-Vertaler, die gevestigd is in het Kanunnikenhuis aan de Grote Gracht 82 te Maastricht. In dat fraaie achttiende-eeuwse pand staat de Afdeling de zogeheten Spiegelzaal ter beschikking.

Op zaterdag 28 januari - een zonnige dag, te meer omdat zich in de straten van Maastricht reeds de bonte storm van carnaval aankondigde - was het zover. In tegenwoordigheid van de voorzitter en ondervoorzitter van de Maatschappij, van de vertegenwoordiger van de Noordelijke Afdeling, van de wethouder van cultuur van de gemeente Maastricht en van een twintigtal leden van de Maatschappij beleefde de Zuidelijke Afdeling haar officiële oprichting. Dr Wiel Kusters opende de werkzaamheden van de Afdeling met een voordracht over ‘Cyclische verbanden in de Verzamelde gedichten van Jan Hanlo’. Een gedeelte van deze ‘jaarrede’ is te vinden in deze aflevering van het Nieuw Letterkundig Magazijn.

Tijdens het op de openingsvoordracht volgende ver-

illustratie
V.l.n.r.: H. Heestermans, P. Nissen, W. Kusters, L. Herberghs (© De Limburger)

[p. 6]

gadergedeelte werd de Zuidelijke Afdeling door de voorzitter van de Maatschappij, dr Hans Heestermans, geïnstalleerd. Hij prees de voortvarendheid waarmee het voorlopig bestuur de oprichting had voorbereid en het kon dan ook niet uitblijven dat de leden van dit bestuur bij acclamatie voor een eerste zittingstermijn van vier jaar in hun ambt werden bevestigd. Voorts werden het Huishoudelijk Reglement en de begroting voor 1989 goedgekeurd en werden de data van de werkvergaderingen vastgesteld.

Na een pauze, waarin de leden zich niet alleen konden laven aan koffie maar ook - hoe kan het anders - konden genieten van Limburgse vlaai, vond het openbare gedeelte plaats, waarvoor zoveel belangstellenden waren opgekomen dat de Spiegelzaal bijna uit haar antieke voegen barstte. De gastspreker was dr Harry G.M. Prick, die onlangs afscheid heeft genomen als conservator van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag. Hij hield een sprankelende voordracht over ‘Werken aan Frans Erens: winst en verlies’. Centraal daarin stond Erens' autobiografische geschrift Vervlogen jaren, waarvan de spreker reeds in 1958 een uitgave bezorgde en waarvan hij nu, dertig jaar later, voor de reeks Privé-Domein van De Arbeiderspers een ingrijpend herziene editie heeft mogen voltooien. De voordracht van dr Prick zal in enigszins bewerkte vorm in het april-nummer van het tijdschrift Maatstaf verschijnen.

Na de buitengewoon geslaagde oprichtingsvergadering heeft de Zuidelijke Afdeling haar werkzaamheden welgemoed voortgezet. Op vrijdag 3 maart was zij betrokken bij de presentatie van de door G.A. van Oorschot in twee delen uitgegeven Brieven 1931-1969 van Jan Hanlo. Deze presentatie vond plaats in de Redoute van de Stadsschouwburg van Maastricht. Afdelingsvoorzitter Wiel Kusters voerde een gesprek met de drie bezorgers van de brieveneditie, Erica Stigter, K. Schippers en Ser J.L. Prop. Vervolgens bracht J. Bernlef de schrijver en de mens Hanlo in herinnering, zoals hij in zijn brieven en ander werk naar voren komt, maar ook zoals hij hem zelf als medewerker van Barbarber heeft gekend. Ten slotte bood uitgever Wouter van Oorschot, wiens vader reeds tijdens de koffietafel na de uitvaart van Hanlo het plan voor een brieveneditie te berde had gebracht, het eerste exemplaar aan aan Barbara Hanlo, een achternicht van de schrijver.

Op zaterdag 1 april sprak dr Nop Maas tijdens de werkvergadering over ‘De “excentrieke” ideeën van Carel Vosmaer’. Op 20 mei zal dr P.J. Buijnsters spreken over ‘Literatuur en bibliofilie’, op 23 september dr J.R. Smeets over ‘De “Chevalerie de Judas Machabe” van Gautier de Belleporche’ en op 25 november dr J.J. de Jong over een geschiedkundig thema.

 

dr Peter J.A. Nissen

Voor inlichtingen omtrent de Zuidelijke Afdeling kan men zich voorlopig - in afwachting van een postbus te Maastricht - wenden tot de secretaris, Oogstweg 13, 6418 JD Heerlen, telefoon 045-422437.

prepostterug  begin  verder