Sprak Albert Verwey Amsterdams? vraagt C.A. Zaalberg zich in Nieuw Letterkundig Magazijn, jrg. V, nr. 2, af. Ja, antwoordt hij, zoals J. Huizinga Gronings sprak. De vraag ligt voor de hand: maar is er dan geen opname van Verweys stem bewaard? Bij voorbeeld in het Historisch Archief van de NOS (nu NOB)? Het antwoord luidt: Nee. Maar we bezitten nog wel de getuigenissen van twee radiomedewerkers: P.H. Ritter Jr. en Gustav Czopp.
Albert Verwey is een van de weinige letterkundigen-tijdgenoten met wie Ritter vrijwel geen contact heeft gehad, schriftelijk noch mondeling. In zijn Ontmoetingen met schrijvers (het Boekenweekgeschenk van 1956) schrijft Ritter:
‘Albert Verwey heb ik maar een enkele maal in mijn leven ontmoet. In de tijd, toen hij woonde op zijn Noordwijkse duintop, waar hij regelmatig de uitnemendste dichters van het land verzamelde en met zijn ideeën bevruchtte. Ik verloor het contact met de Verwey-groep, omdat ik, toen Verwey en Van Deyssel uiteen gingen [1904: Verwey verlaat de redactie van De XXe eeuw, Lodewijk van Deyssel blijft aan, vH] mij aan Van Deyssel vasthield, die de grote bezieler is geweest van mijn eigen werk.
Maar de mikrofoon-arbeid geeft gelukkig gelegenheid verzuimen te herstellen, die men in zijn jeugd heeft begaan. Ik moest aan Verwey een vraaggesprek afnemen en begaf mij naar het stille studeervertrek, omtorend door boekenkasten, terwijl om mij heen het hele huis in opschudding werd gebracht doordat overal draden werden gespannen. De reportage-wagen heeft lang moeten wachten, want het vóórgesprek dat gevoerd werd, bracht Verwey aanstonds op gang. Ik kwam te zitten tegenover een kleine, ietwat gedrongen figuur. Mijn indruk was: “Nu ontmoet ik een mens, die in een bestendige geestdrift verkeert. Zijn ideeënwereld heeft hem voortdurend in zijn greep. Er is niet anders in en om deze persoonlijkheid dan het geestelijk leven”. Het deerde hem niet, dat er allerlei onrustige belletjes klingelden, die aanmaanden tot het beginnen van het eigenlijke interview. Verwey spon zijn ideeën, hij bepaalde het wezen der poëzie, hij las voor uit zijn verzen met die eigenaardige, ietwat platte stem, die de bezieling van zijn voordracht versterkte.’
De datum van opname en uitzending is niet meer bekend. Het moet vóór 8 maart 1937 zijn geweest, want toen overleed Albert Verwey. Mogelijk was de uitzending op of omtrent 15 mei 1935, want Verwey werd toen zeventig jaar en het was in een tijd, dat men auteurs en acteurs bij het bereiken van kroonjaren tijdens banketten huldigde, kranteartikelen over hen schreef en radio-vraaggesprekken met hen had. Aan te nemen is dat de AVRO-verslaggever Gustav Czopp in zijn De wereld kreeg radio. Uit het dagboek van een radioreporter (Amsterdam 1939), over hetzelfde bezoek aan de Noordwijkse duintop schrijft:
‘Ik had een samenspraak met wijlen Prof. Verwey, onzen grooten dichter, opgenomen in zijn hooggelegen villa te Noordwijk. We waren met onzen microfoon beiden verscholen tusschen de boeken en het was één van die weinige oogenblikken, waarin ik in de vervulling van mijn ambt een voorrecht zag. Het vraaggesprek ging over de kunst en de roeping van den kunstenaar. Verwey zei, gevraagd naar de toekomst van het dichterschap, het volgende:
“Het is ons niet gegeven, te weten, wat er in de toekomst verborgen ligt. We zien voortdurend, niet alleen de wereld in haar geheel, maar zelfs het landschap om ons heen veranderen en als ik er aan terugdenk, wat voor veranderingen ik in dat landschap gezien heb, dan zeg ik: ik zou onmogelijk kunnen bepalen, hoe dat er over 100 jaar uit zal zien. - Zoo vind ik het ook met de wereld en ook met de litteratuur. Op het oogenblik beleven we een slechten tijd in menig opzicht. Maar ik geloof, dat als in iemand een bepaalde gaaf, een letterkundige gaaf geboren is, dan geeft die tijd, die slechte tijd, hem juist een bepaalde opgaaf. Hij moet dan in dien tijd stand houden, tegenover dien tijd zijn houding bepalen. - We hebben dat in alle tijdperken gezien, dat er telkens weer andere dichters opstonden, die heel anders waren, omdat hun tijd anders was. In een slechten tijd juist dichters, die datgene naar voren brachten, dat niet verandert, maar blijft.
En dat nu geloof ik, dat ik van de toekomst blijf verwachten, al weet ik van de toekomst niets. Ik stel me voor, dat als de omstahdigheden voortgaan slecht te zijn, dat er dan een nieuw geslacht van menschen komen zal, dat zich opmaakt, om in die slechte toestanden met de zelfde kracht te leven en te dichten als hun voorgangers het in minder slechte omstandigheden hebben gedaan. - Hoe de vormen daarvan zullen zijn, weten we niet, maar het komt in alle poëzie, even goed als in andere daden van de menschen, toch eigenlijk aan op de zielskracht en op het vermogen om aan die zielskracht een vasten vorm te geven. Ik geloof dat dit onder alle omstandigheden mogelijk is en dat, hoewel we omtrent vorm en inhoud niets kunnen voorspellen, we toch moeten blijven gelooven, dat na eenigen tijd, ook onder de allerslechtste omstandigheden, er weer een dichter zal zijn, die dan de dichter mag heeten van dien nieuwen, slechten tijd.”
Hij zei deze, uit het hoofd gesproken woorden in een taal die, als men tegenover hem zat, rustig en haast welluidend klonk. Er was een dichter aan het woord. Maar de dichter, die verzen van onvergankelijke schoonheid schreef en die zijn taal wist te vormen als een beeldhouwer zijn klei, vermocht haar niet met volle zuiverheid uit te spreken. Zijn studenten wisten het: hij sprak een beetje plat. Zijn S en zijn L waren niet mooi. Het was niet erg, maar door de radio klonk het honderd maal versterkt. Immers voor den luisteraar zat niet de grijze dichter met zijn vriendelijke oogen. De luisteraar hoorde alleen een platte uitspraak en moest wel gedesillusioneerd zijn.
Ik had het gesprek met Verwey niet moeten uitzenden.’
Beide ervaringen worden hier vastgelegd met de volgende toevoegingen:
Vóór Gustav Czopp (met Ritter als kruiwagen?) in dienst van de AVRO trad, was hij Ritters secretaris.
Ik heb sterk de indruk, dat Albert Verwey zijn antwoorden, of misschien een deel ervan, opgeschreven had en ze meegaf aan Czopp, die ze - handschrift, nietwaar, van een vereerd dichter - bewaarde. Overigens is hij om dat boekje De wereld kreeg radio, met uitspraken erin, die AVRO's directeur Willem Vogt niet zinden, in 1939 ontslagen. Ik kwam op 1 februari 1940 als nieuwe medewerker van de AVRO aan zijn bureau te zitten. Hij overleed in een Duits concentratiekamp. Zijn weduwe heb ik nog weleens bezocht in de Utrechtse Voorstraat, niet meer dan een paar honderd meter van de Universiteitsbibliotheek, waar nu het Archief Ritter (60.000 brieven, 14 strekkende meter) ontsloten is.
Jan J. van Herpen