Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 7. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1989  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De Ab Visser Sociëteit

Op 15 oktober vorig jaar is tijdens een bijeenkomst in het Letterkundig Museum de Ab Visser Sociëteit opgericht. De sociëteit stelt zich tot doel ‘het bevorderen van de belangstelling voor het letterkundig werk, hetzij eerder in druk verschenen, hetzij nog in manuscript voorhanden, en voor het leven van de schrijver Albert (Ab) Visser’, zoals de formulering in de statuten luidt. De stichting probeert dat doel mede te bereiken door de uitgave van de Ab Visser Cahiers, waarin onder meer ongepubliceerd of moeilijk terugvindbaar werk, herinneringen aan Visser, beschouwingen over zijn oeuvre, nagelaten correspondentie en bibliografische overzichten worden gepubliceerd.

Hiermee is Ab Visser een van de weinige leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde die postuum door een eigen genootschap wordt geëerd. Omdat Visser, ondanks een enorme produktie, niet direct tot Nederlands bekendste literatoren gerekend mag worden, volgt hieronder, naast enige biografische gegevens, een kort overzicht van Vissers oeuvre.

 

Ab Visser werd op 13 februari 1913 te Groningen geboren. Na een opleiding tot meubelmaker op de ambachtsschool, bezocht hij een aantal jaren de kweekschool, maar deze studie maakte hij niet af. Toen hij 22 was gaf hij gehoor aan zijn diepste wens: schrijver worden. Een ambt waarin hij zich reeds op zeer jeugdige leeftijd had bekwaamd, zoals blijkt uit een aantal ‘boeken’ die, geïllustreerd met uit tijdschriften geknipte plaatjes, in een oplage van één exemplaar voor de huiselijke kring en verdere familie werden uitgegeven. Bij zijn overlijden op 9 mei 1982 liet Visser een indrukwekkend oeuvre na: het aantal afzonderlijk gepubliceerde werken bedraagt inclusief herdrukken meer dan 110 en daarnaast schreef hij talloze recensies, feuilletons, losse verhalen en gedichten, en redigeerde hij diverse reeksen en jaarboeken. Desondanks is het bestaan als ‘broodschrijver’ hem allerminst licht gevallen, want zijn leven wordt gekenmerkt door een chronisch geldgebrek. Bij ieder boek dat van de pers kwam hoopte Visser weer dat het eindelijk de bestseller zou worden waar hij al zo lang op wachtte, maar dat geluk is hem nooit te beurt gevallen. Het was voor hem dan ook vaak moeilijk om zijn werk bij uitgevers ondergebracht te krijgen: zelfs het boekje Wat moet ik ermee waarin hij verslag doet van zijn rijke ervaringen met de Nederlandse uitgeverswereld, werd door ten minste twaalf uitgevers geweigerd, voordat het in 1979 bij Elsevier Manteau verscheen. Hoewel Visser door collega-auteurs zeker werd gewaardeerd viel hem slechts één maal een literaire prijs ten deel, namelijk de Hendrik de Vriesprijs in 1958.

In de jaren voor en tijdens de oorlog vervulde Ab Visser een niet onbelangrijke rol in de toen zeer actieve Groninger literatorenbent. Een periode waarvan hij onder andere verslag doet in 't Peerd van Ome Loeks.

[p. 19]

Na de oorlog ging hij zijn eigen weg en verhuisde naar het westen. Hij koos uiteindelijk domicilie in Amsterdam, maar maakte herhaaldelijk grote reizen onder andere naar Marokko, Zuid-Frankrijk en Italië. Dit onder meer om in de zuidelijke zon enige verlichting te vinden tegen de voortdurende pijn die hij ondervond door de ziekte van Bechterew. Een ziekte aan de wervelkolom die hem in de loop der jaren een hoe langer hoe krommer voorkomen gaf, maar waarmee hij - getuige een aantal anekdotes - met een soms cynisch soort humor leerde leven. In de jaren 1948 tot 1953 verbleef hij tussen de reizen door veelvuldig op de Pauwhof, een werk- en recreatieoord voor kunstenaars en wetenschappers te Wassenaar. Zijn herinneringen hieraan legde hij vast in Het klooster van Sint Jurriaan. Is dit werk, evenals de twee hierboven genoemde geschriften, onverhuld autobiografisch van aard, ook in een aantal romans is door Visser veel autobiografisch materiaal verwerkt, met name in de Jo Rutgers-serie. Daarnaast kan nog gewezen worden op De laatste Casanova, een biografische schets die onmiddellijk na Vissers overlijden door zijn vriend Hans van Straten werd geschreven.

 

Ten tijde van Vissers eerste literaire activiteiten, heerste er in Groningen een zeer vruchtbaar letterkundig klimaat, wel gekarakteriseerd als de ‘Groningse renaissance’. Drie maal werd een poging gedaan om door middel van een bloemlezing een overzicht van de rijkdom aan Gronings dichttalent te geven en in alle drie was Visser vertegenwoordigd. Het waren achtereenvolgens Groningsche dichters uit 1934 (door Visser niet geheel conform de waarheid tot zijn ‘officiële poëziedebuut’ bestempeld), Groningsche poëzie uit 1941 en, min of meer als mosterd na de maaltijd, Sint Maarten op de Montparnasse uit 1946. Visser profileerde zich niet alleen als Gronings dichter, hij schaarde zich ook nadrukkelijk bij de jong-protestante dichters. Deze groep werd eveneens in bloemlezingen vereeuwigd, onder meer in 1936 (Spectrum) en 1939 (Reünie van Jong-Protestantsche dichters). De meeste van Vissers vroegste gedichten zijn dan ook te vinden in christelijke tijdschriften als Opwaartsche Wegen en De Werkplaats.

Was het wel mogelijk om bij diverse bladen een voet tussen de deur te krijgen, moeilijker was het om voor geheel eigen publikaties een uitgever te vinden. Vissers eerste bundels Facetten (1936) en Dubbelster (1937) verschenen dan ook voor eigen rekening. Facetten kwam bij een drukker voor trouw- en geboortekaartjes van de pers, iets dat aan de typografie van het boekje duidelijk te zien is.

Toen Visser zodanig naam had gemaakt dat echte uitgeverijen zich over zijn werk wilden ontfermen, gooide de oorlog roet in het eten. Rondelen verscheen weliswaar nog net legaal, maar Arcadia, dat het jaartal 1939 in het impressum heeft, verscheen in werkelijkheid illegaal in 1942. Nog verscheidene illegale drukken zouden volgen zoals Alter ego en de planodruk Lied in de lente. De meest spectaculaire uitgave echter werd Bosidylle, gezet en gedrukt door niemand minder dan H.N. Werkman, nadat een andere zetter voor het karwei bedankt had omdat hij het gedicht pornografisch vond.

In 1946 verscheen bij De Arbeiderspers Na de reis, een bundeling van gedichten uit de periode 1933-1941. Daarnaast kwam bij De Bezige Bij Millennium van de pers, een bundel waarvan in 1951 een sterk uitgebreide tweede druk verscheen, waarmee ook de poëzie uit de jaren 1942-1949 in één boek bijeengebracht was. Daarna is het dichtwerk binnen Vissers oeuvre een marginale plaats gaan innemen. Wel verscheen in 1955 een bibliofiel bundeltje Recitatief, in 1956 gevolgd door een uitgebreide handelseditie.

 

Vissers eerste prozabundel dateert uit 1937. Het is het thans vrijwel onvindbare Meubelmaken III. Vertellingen uit de ambachtsschool. In 1938 volgde zijn romandebuut De mensch wikt.... Visser beschouwde dit achteraf als een jeugdzonde, iets dat mede bepaald zal zijn door de soms niet malse kritiek. Zo bestempelde A. Marja dit zwaar christelijke boek tot ‘harmoniumliteratuur’ in een bespreking die hij afsloot met: ‘De mensch wikt... maar Ab Visser weet er wel een punt aan te draaien.’

Tijdens de eerste oorlogsjaren revancheerde Visser zich met boeken als Het gevloekte landhuis - vanwege contractuele verplichtingen elders, gepubliceerd onder het pseudoniem A. Ferwerda - en de novellenbundel Erotisch duel. Zijn omstreden historische roman Rudolf de Mepse stuitte echter op een veto van de Duitse censuur en kwam eerst na de oorlog van de pers. In de daarop volgende jaren kwam er een grote stroom van novellenbundels en romans uit Vissers pen, waarvan het mysterieuze verhaal De corjaal (1946), de verzameling historische novellen Galg en rad (1946), de ‘gothic novel’ De man zonder hoofd (1947) en het ontroerende verhaal Het agentschap (1949) met name genoemd mogen worden. Na 1959 concentreert Visser zich hoe langer hoe meer op het detectivegenre, het vertaalwerk en de literair kritische arbeid en neemt het fictionele proza sterk in omvang af. Postuum, maar wel door Visser zelf samengesteld, verscheen onder de titel Tegendraads in 1985 nog een selectie uit zijn kritieken in De Leeuwarder Courant.

 

Binnen Vissers oeuvre neemt de semi-autobiografische Jo Rutgers-serie, een reeks van vijf romans, een markante plaats in. Drie ervan spelen in Groningen (De buurt, De vlag halfstok en De valstrik), één in de kunstenaarskolonie Cagnes-sur-Mer (God in Frankrijk) en één in het na-oorlogse Amsterdam (De hel met de negen deuren). Hoewel de vijf delen van nogal wisselend niveau zijn, behoren ze tot het gedeelte van Vissers oeuvre dat ook thans nog zeer aanspreekt. Zo kan De buurt zonder meer één van Vissers beste boeken genoemd worden. Tegelijkertijd is het bij uitstek illustratief voor de moeite die hij had om zijn werk uitgegeven te krijgen. Het manuscript werd door De Arbeiderspers geweigerd en begon een reis langs diverse uitgeverijen. Nummer tien daarvan was De Bezige Bij; de lectoren

[p. 20]



illustratie

© Edith Visser


Adriaan Morriën en Bert Schierbeek oordeelden positief, maar tot een uitgave kwam het niet. Vervolgens zorgde Helmut Salden ervoor dat het manuscript bij Geert van Oorschot op het bureau kwam. Deze retourneerde het met de boodschap dat hij het bij tweede lezing zo mogelijk nog vervelender vond dan bij de eerste. Juist in die tijd vroeg Reinold Kuipers van De Arbeiderspers of Visser De buurt inmiddels al onderdak had. Toen deze daarop suggereerde dat Van Oorschot belangstelling had, bleek De Arbeiderspers plotseling weer zeer geïnteresseerd en verscheen het boek in een enorme oplage in de zogenaamde Arboreeks. Ook De vlag halfstok kwam in deze reeks uit, maar God in Frankrijk werd vervolgens door De Arbeiderspers geweigerd. Dit boek en de twee laatste delen van de Jo Rutgers-serie kwamen uiteindelijk in zeer bescheiden oplagen bij A.A.M. Stols-J.-P. Barth uit en gingen maar moeizaam van de hand.

 

De veelzijdigheid die het oeuvre van Visser kenmerkt, keert ook in de door hem geschreven jeugdboeken terug. Zo schreef hij twee door Johanna Bottema geïllustreerde boekjes met kinderversjes, avontuurlijke jongensboeken als Paarden op transport, Ballingschap in St. Tropez, Het verdronken rijk en Vlucht naar Engeland, terwijl ‘oudere meisjes’ door hem vergast werden op Agneta in de tros van 't grote leger en Een ander geluk. Dat liefst zeven van Vissers jeugdboeken één of meerdere keren herdrukt werden en dat Ballingschap in St. Tropez het enige boek van hem is dat het tot een buitenlandse uitgave bracht, geeft aan dat ook deze kant van zijn schrijverschap de nodige waardering kreeg. Aan één van zijn jeugdboeken, namelijk Agneta, bewaarde Visser echter slechte herinneringen. Weliswaar beleefde het als enige van zijn werken zeker vier en mogelijk zelfs vijf drukken, maar toen Visser bij de uitgever Bert Bakker naar het honorarium voor de herdrukken vroeg, bleek dat hij bij de eerste druk de rechten aan de uitgeverij had overgedaan.

 

Binnen Vissers grote produktie nemen vertalingen een relatief bescheiden plaats in. Allereerst verscheen in 1936 een bewerking van G.A. Bürgers ballade Lenore. Hierop volgde in 1938 25 Jonge Fransche dichters, een bundel met gedichten van grootheden als Claude Bohème, Fernand Favetto en Louis Tricot. Dat het in werkelijkheid grotendeels jeugdverzen van Visser waren en dat hij de namen van de poëten aan een Franse courant ontleend had, bleef jarenlang een goed bewaard geheim.

Vissers eerste grote prozavertaling was Bright day van J.B. Priestley. De opdrachtgever Reinold Kuipers was over het resultaat niet erg te spreken en gaf het manuscript ter revisie aan Max de Jong. Het werk verscheen uiteindelijk als De toverkring, vertaald door Max Visser. Andere, wel zelfstandig door Visser vertaalde werken, zijn onder meer Mijn naam is Michael Sibley van J. Bingham, Boodschapper van Sirius van C. Jenkins en het bij de NVSH verschenen Het heilig vuur van B.Z. Goldberg.

 

In 1952 organiseerde uitgeverij Bruna een prijsvraag voor detectiveromans. Visser had juist in die periode ‘voor de lol’ een door het werk van Agatha Christie geïnspireerde detective Uitnodiging tot moord voltooid en op instigatie van Jaap Romijn - de directeur van Bruna met wie hij tijdens een verblijf op de Pauwhof had kennisgemaakt - stuurde hij het in. Zijn roman kreeg een eervolle vermelding en werd met twee andere bekroonde werken in een detective omnibus uitgegeven. In latere jaren publiceerde Visser nog verschillende andere misdaadverhalen waaronder De samenzwering, De kat en de rat en Het kind van de rekening. Vissers grootste verdiensten op het gebied van de detectiveliteratuur liggen echter eerder bij zijn beschouwend dan bij zijn oorspronkelijk werk. Vanaf de jaren vijftig ontwikkelde Visser zich als een autoriteit op het gebied van de misdaadliteratuur. Deels door studies als Kain sloeg Abel, Onder de gordel, Wie is de dader en De mythe van de Mafia, deels door het opzetten van jaarboeken als Dubbel M, Pulp en Plot, maar vooral ook door de honderden recensies die hij over detectives schreef. Deze grote produktie kon hij mede halen doordat hij gedurende acht jaar naast zijn werk voor De Telegraaf ook - onder het pseudoniem Carel J. Bicker - voor Het Vrije Volk recensies verzorgde. Daarnaast was Visser redacteur van verschillende misdaadseries als Mixed Pickles en de Zodiac Mysteries, en stelde hij voor Kruseman zes maal een detective omnibus samen.

 

Kees Thomassen

Voor nadere inlichtingen kan men zich wenden tot het secretariaat van de Stichting Ab Visser Sociëteit, Thorbeckelaan 271, 2564 BL 's-Gravenhage. Men kan donateur worden door overmaking van ƒ 20.00 op postgironummer 532836 t.n.v. Ab Visser Sociëteit te Den Haag.