terug  begin  verderprepost
[p. 26]

Interview met de bibliothecaris van de Maatschappij, drs. J.J.M. van Gent

Wist u in 1984 dat een bibliothecariaat in Leiden zich niet zou beperken tot de universiteitsbibliotheek maar zich ook zou uitstrekken over de bibliotheek van de Maatschappij?

 

Ja, daarvan was ik op de hoogte en ik vond dat ook een aantrekkelijke gedachte. Maar de aanvaarding van het ene heeft niet gelijk met dat van het andere plaatsgevonden. Mijn voorganger als bibliothecaris van de UB, mr. J.R. de Groot, had de wens te kennen gegeven nog enige tijd bibliothecaris van de Maatschappij te willen blijven. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar wel even van opkeek. Van de ene kant kwam het me goed uit; ik had het erg druk, moest me inwerken en werd binnen de UB al direct geconfronteerd met de noodzaak aanzienlijke bezuinigingen door te voeren. Maar van de andere kant achtte ik het van een groot belang dat de ‘personele unie’ tussen bibliothecaris van de UB en Maatschappij gecontinueerd zou worden. Uiteindelijk is toen afgesproken dat ik na een jaar het bibliothecariaat van de Maatschappij zou overnemen en dat is ook gebeurd.

 

Bibliothecaris zijn van de Maatschappij, houdt dat in dat u zich persoonlijk bemoeit met alles wat er met betrekking tot de Maatschappijbibliotheek plaatsvindt? Zit u bijvoorbeeld geregeld gebogen achter een dikke stapel catalogi en bibliografieën om de aanschaf voor de bibliotheek te bepalen, of wordt dat voor de diverse vakgebieden overgelaten aan de desbetreffende vakreferenten?

 

Ik denk dat ieder het bibliothecariaat uit moet voeren op een manier waarop hij vindt dat aan die functie optimaal inhoud wordt gegeven. Ik ben bibliothecaris en voel me dus verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de bibliotheek, net zoals ik mij dat voel voor de Leidse universiteitsbibliotheek. Maar dat houdt niet in dat ik een volledig inzicht zou kunnen of moeten hebben in wat door de vakreferenten op de grote verscheidenheid aan vakgebieden wordt aangeschaft. Van huis uit ben ik een antropoloog; ik heb geen Nederlands gestudeerd, geen geschiedenis gestudeerd en wil dus niet pretenderen een zodanige kennis te hebben van de Nederlandse taal- en letterkunde en cultuurgeschiedenis - als je de gebieden waarop de Maatschappijbibliotheek zich richt zo even mag karakteriseren - dat ik daarin een bijdrage zou kunnen leveren aan de collectievorming. Wat is dan mijn taak? Mensen te vinden die dat wel kunnen. Want er zijn nog zoveel andere dingen die ook moeten gebeuren en waarvoor ik eveneens verantwoordelijkheid draag. De bibliotheek van de Maatschappij is - als bruikleen weliswaar - volledig geïncorporeerd in de universiteitsbibliotheek. Dat wil zeggen, het magazijnbeheer wordt uitgevoerd door medewerkers van de UB, het onderhoud van de boeken wordt uitgevoerd door medewerkers van de UB, de feitelijke aanschaf, ik bedoel nu de administratieve afhandeling daarvan, gebeurt door medewerkers van de UB, en datzelfde geldt ten aanzien van de catalogisering, de beschikbaarstelling aan het publiek en alle andere zaken en handelingen binnen de dagelijkse bibliotheekpraktijk. Nou dat zijn allemaal handelingen die verricht moeten worden en waarover ik de supervisie heb. En dat is tegelijk de reden waarom ik zo hecht aan de personele unie waarover ik al eerder sprak. Je zou ongetwijfeld problemen krijgen als deze verantwoordelijkheid door twee personen gedragen zou worden. Weliswaar ziet iemand als dr. C. Reedijk bijvoorbeeld, in zijn bijdrage aan de afscheidsbundel voor mijn voorganger, de voordelen van een personele unie vooral op het gebied van coördinatie van de collectievorming, maar mijns inziens is die beheerskant minstens even belangrijk.

De collectievorming voor de bibliotheek van de Maatschappij is thans in de praktijk gedelegeerd, maar dat betekent niet dat ik mij daarvan geheel afzijdig houd. Ik zie de lijsten van wat er voor de Maatschappij wordt aangeschaft en wanneer er bijzondere aankopen gedaan moeten worden vindt er overleg terzake plaats.

 

Het bruikleen van de bibliotheek van de Maatschappij aan de UB is geregeld in een in 1876 opgesteld contract. In 1969 zijn daarin een paar wijzigingen aangebracht. Een opvallende wijziging is dat bij een eventuele opzegging van het bruikleen niet meer een termijn van één maar van drie jaar zal worden aangehouden. Wat is de zin daarvan? Zou die langere termijn de gevolgen van een scheiding voor de bibliotheken minder ernstig maken? En is zo'n scheiding - gezien het feit dat de Maatschappijbibliotheek geïncorporeerd is in de UB - überhaupt mogelijk?

 

Om met dat laatste te beginnen. De Maatschappijbibliotheek is er via de diverse catalogi en het aanwinstenjournaal in theorie wel weer uit te halen. Bovendien staan in de magazijnen de boeken als eenheid bij elkaar en datzelfde geldt naar ik meen ook voor de handschriften en oude drukken. Maar de gevolgen van een scheiding zouden desastreus zijn. Zowel voor de UB als voor de Maatschappij. Ik denk dat de naam en faam van de Leidse Universiteitsbibliotheek mede gedragen wordt doordat wij het bruikleen hier hebben. Niet alleen door de omvang, ik praat over zo'n 100.000 boeken, maar ook door de kwaliteit van de collectie, die vele zeldzaamheden en ook volstrekte unica bevat. En daarbij komt dan nog de zeer rijke en gevarieerde verzameling handschriften. Nee, het zou voor de UB verschrikkelijk zijn. Maar dat is niet het enige. In de praktijk heeft de collectievorming van de UB zich natuurlijk aangepast aan het feit dat de Maatschappijbibliotheek er is. Dubbele aanschaf van boeken wordt zo veel mogelijk vermeden. De consequentie daarvan is dat je bij een scheiding niet alleen het traditionele bezit van de Maatschappijbibliotheek weghaalt maar dat wat betreft de meer recentere boeken een geweldig gat zou

[p. 27]

vallen in de collectie van de UB. Nee, een scheiding op zich is weliswaar voorstelbaar - het is tenslotte een bruikleen - maar de schade die dat voor de UB zou hebben is onvoorstelbaar. Dat geldt mutatis mutandis echter ook voor de Maatschappij. Waar zou zij de middelen vandaan moeten halen om haar collectie op verantwoorde wijze te huisvesten, te beheren, te ontsluiten, ter beschikking te stellen? Wie zich verdiept in de geschiedenis van de bibliotheek begrijpt dat het niet voor niets was dat de bibliotheek op zeker moment bij de UB is ondergebracht. Overigens zou ik over het gebruik van de bibliotheek zelf, nog wat willen opmerken. Mocht het vroeger nog zo zijn geweest dat boeken van de Maatschappij niet zo maar door iedereen konden worden geraadpleegd, dan zeg ik nu - ik heb dit standpunt ook aan het bestuur laten weten - dat je voor de gebruikers van de Maatschappijbibliotheek geen andere regels kunt laten gelden dan die je voor de gebruikers van de Universiteitsbibliotheek hanteert. Met andere woorden: boeken van de Maatschappij kunnen door al degenen geraadpleegd worden die ingeschreven zijn als gebruiker van de Universiteitsbibliotheek. Daar staat tegenover dat wat betreft de UB de categorie van mensen die bevoegd zijn zich als gebruiker in te laten schrijven uitgebreid moet worden met die van leden van de Maatschappij, ongeacht hun woonplaats. Natuurlijk is er wat betreft het algemeen gebruik van de collectie een categorie waarbij enige voorzichtigheid betracht moet worden, n.l. die van de Nederlandse letterkunde. Het moet niet zo zijn dat iedereen die in de catalogus de nieuwste roman van Mulisch tegenkomt die maar gaat lenen alleen omdat hij dat boek graag lezen wil. Daarvoor bestaan er uiteindelijk Openbare Bibliotheken. Maar in de afweging wetenschappelijk versus recreatief gebruik, daarin zit wel een moeilijk punt.

 

Een andere wijziging uit 1969 zal door de toenmalige bibliothecaris met vreugde zijn begroet, namelijk dat het ‘journaal ingaande met den eersten dag van het jaar 1877, vermeldende alle boeken en bladen, na dien dag door de Maatschappij verworven’ niet meer in duplo maar slechts in enkelvoud hoefde te worden bijgehouden.

 

Ongetwijfeld, maar anno 1989 zou ik - met alle respect voor de tradities binnen de Maatschappij - toch graag ook nog van de verplichting van dat ene exemplaar afwillen. Het met de hand bijhouden van het journaal mag iets vertederends hebben, maar het kost wel veel tijd. Ook de Maatschappij ontkomt niet aan veranderingen. Zo heb ik, toen ik als bibliothecaris kwam, nog een of twee keer het groene laken gebruikt dat over de tafel werd gelegd als het bestuur bijeenkwam om te vergaderen. Ik doe het niet meer, maar er heeft nog nooit iemand tegen me gezegd dat dat niet kon. Ik ben één keer de voorzittershamer vergeten en toen heeft de voorzitter toch wel gevraagd of ik die nog even wilde halen. Maar dit terzijde, we hadden het over het journaal. Net als alle boeken die voor de UB worden aangeschaft, worden ook de aanwinsten van de Maatschappij via het computersysteem van PICA beschreven. Dus wat betreft de gedrukte boeken zou bij wijze van spreken één druk op de knop volstaan om over elke gewenste periode een keurig verzorgd journaal uit de laserprinter te laten rollen.

Trouwens, die geautomatiseerde ontsluiting van het bezit is weer bij uitstek zo'n punt waaruit blijkt dat de incorporatie van de bibliotheek ook voor de Maatschappij zeer voordelig kanten heeft. De wijze waarop het recentere bezit van de Maatschappij via de online publiekscatalogus van de UB toegankelijk is, zou binnen een zelfstandige vestiging niet gauw gerealiseerd kunnen worden. Iets dergelijks geldt ook ten aanzien van het brievenbezit van de Maatschappij. In het kader van het landelijk brievenproject zijn al die brieven via het PICA-catalogiseersysteem op afzenders en geadresseerden ontsloten en sinds enige tijd kunnen die gegevens in vele bibliotheken in het land via een online systeem door onderzoekers worden geraadpleegd.

 

Over de onmiskenbare voordelen van het samengaan kunnen we het eens zijn, maar er staat toch nog wel een zeker nadeel tegenover: er is wel gezegd dat de bereidheid van de leden van de Maatschappij om boeken om niet af te staan, sterk geslonken is omdat men de bibliotheek te weinig herkende als iets eigens. Dit ondanks het feit dat ieder nieuw lid bij de toetreding nadrukkelijk wordt uitgenodigd de eigen publikaties aan de boekerij present te doen. Houdt iemand zich daar nog aan? Misschien wilt u hier nu een krachtig pleidooi houden...?

 

Ik heb in het Magazijn al een paar keer zeer nadrukkelijk gewezen op wat mijn voorgangers daaromtrent gezegd hebben. Het heeft niet veel uitgehaald. Indertijd waarschijnlijk ook al niet zo, want zij bleven er steeds op terugkomen. In de vorige eeuw constateerde de bibliothecaris al dat het met de schenkingen niet zo goed zat. Als ik echter even naar de situatie van nu kijk, dan geloof ik dat een aparte, in een eigen pand zittende, herkenbare bibliotheek, waarin de leden van de Maatschappij zich kunnen terugtrekken, meer kans zou hebben op schenkingen van door de leden geschreven werken. Maar ik denk dat er toch ook in de tijdgeest een verandering is gekomen. Men geeft niet zo gemakkelijk meer. Dat merk ik ook ten aanzien van de UB. Ik heb dat nog wel in vrij sterke mate mogen ervaren in Friesland. Daar was men wat gauwer geneigd om exemplaren aan de Provinciale Bibliotheek af te staan. Dat was dan ook ‘Us Bibleteek’, zo van ‘die is van ons en die moeten we in ere houden’. Maar nee, als ik kijk wie er zo al lid zijn van de Maatschappij en dan zie wat er aan schenkingen binnenkomt, dat staat in geen enkele verhouding. Je suggereert een krachtig pleidooi. Dat zou ik zeker willen houden. Ik vind dat als het enigszins kan de Maatschappij de boeken zou moeten krijgen die door de leden geschreven zijn. En zeker wanneer die boeken geschreven zijn met behulp van de bibliotheek van de Maatschappij. Het zou handig zijn als je daardoor wat middelen kon vrijhouden om andere dingen te kopen.

prepostterug  begin  verder