[p. 35]
[Gedichten]
Tuin
Tussen het dode hout
ligt de asbijl en wacht, groeit
de pijl in de boom
die van licht is
verstoken, terug in zijn schacht.
Zoals een karaf soms
tot aan haar hals is
gevuld met scherven, beweegt zij
haar handen onder de schors
daalt haast tastbaar de zon
in mijn ogen, leg ik de bijl
aan de wortels
en wacht.
Cocon
Beijing, juni 1989.
Toen zijn tuin weer volledig
van aarde was, de moerbeiboom
geveld, begroef hij zijn vlinders
tussen het gras.
Omdat de stenen hier van steen zijn
omdat het water in zijn veldfles drinkbaar is
staat hij gespeld in zijn
huid, omklemmen zijn handen
de hand in zijn borst, nadert
steeds sneller de rupsband
zijn dorst.
Marc Reugebrink