In het korte dichtgenre is Constantijn Huygens een meester. Dat is algemeen bekend. Duizenden van zijn epigrammen of sneldichten, vindt men verspreid in de negendelige standaardeditie van zijn werk. Dat de secretaris van twee Prinsen van Oranje mogelijk ook belangstelling had voor wat hij op straat aan ‘sneldichten’ tegenkwam, was tot nu toe niet bekend.
In januari van dit jaar maakte mevrouw M. Bosch-Gans te Valkenburg (Z-H) mij, naar aanleiding van een artikel in het Leidsch Dagblad over nieuwjaarsdichten, attent op een blad in haar bezit met negen gedichtjes volkspoëzie in zeventiende-eeuws handschrift. Zeven gedichtjes zijn met de pen en twee met potlood geschreven, waarbij men kan vaststellen dat er tevens sprake is van twee verschillende handen, hoewel de verschillen tamelijk subtiel zijn.
Het blad stamt uit de nalatenschap van dr. J.J. Mak. Links boven is de hoek afgescheurd tot onder het midden. De twee auteurs hebben hun tekst aan de vorm van het blad aangepast, wat betekent dat zij de versjes noteerden op wat voor hen een kladblaadje was. Op de versozijde bevat het blad een potloodaantekening in een negentiende-eeuwse hand die luidt: ‘eigenhandig schrift van Constantijn Huygens en uit zijn portefeuille afkomstig’. Mevrouw drs. Tineke ter Meer, die een proefschrift voorbereidt over de epigrammen van Huygens, was zo goed het handschrift van het blad te vergelijken met die van Huygens' autografen in de Koninklijke Bibliotheek. Daaruit bleek dat de zeven gedichtjes in inkt niet van Huygens' hand zijn,1 maar de twee gedichtjes in potlood mogelijk wel. Van wiens hand de in inkt opgetekende versjes dan wel mogen zijn, blijft vooralsnog duister.
Het blad heeft geen watermerk, de kettinglijnen lopen horizontaal. De hoogte van het blad is 220 mm, de breedte: 100 mm (boven), 125 mm (midden) en 153 mm (onder). Het is boven en onder afgesneden. Op de rectozijde onderaan rechts staat in potlood: ‘op opschrift. 23’, maar deze aantekening is niet van Huygens' hand.
De negen versjes in kwestie, zijn opschriften van winkels te Amsterdam (5), Rotterdam (2), Leiden (1) en Gent (1). Een aantal ervan is inhoudelijk zeer verwant aan bepaalde versjes uit de bekende verzameling Koddige en Ernstige Opschriften van Huygens' kunstbroeder Hiëronymus Sweerts,2 met wiens meer serieuze werk de grote Constantijn in elk geval bekend was, aangezien hij Sweerts op 13 december 1672 vereerde met een lofdicht voor diens Innerlykke Ziel-Tochten Op 't H. Avondmaal. De versjes behoren tot het type volkspoëzie dat we bijvoorbeeld kennen uit de omvangrijke verzamelingen loterijprozen in handschrift.3
De versjes mogen dan volkspoëzie zijn geweest, voor Huygens waren ze kennelijk de moeite van het bewaren waard. Misschien waren ze voor hem wel schoolvoorbeelden van een soort ‘natuurlijke’, inheemse variant van het ‘kunstige’, klassieke epigram? Ze zijn in elk geval onbekend en vanwege hun herkomst en de vragen die ze oproepen alleen al hel publiceren waard. Ter vergelijking heb ik de verwante versjes uit de verzameling van Sweerts mee opgenomen.
[fol. 1r]
[in inkt]


[fol. 1v]
[in potlood, in een andere hand]
Van de zeven in inkt geschreven versjes blijken er vier te zijn waarvan er een variant in het werk van Sweerts te vinden is. Zijn de versjes in inkt soms van Sweerts' hand en heeft hij ze aan Huygens gegeven die er nog twee ‘straatversjes’ in potlood aan toevoegde? Om dit vast te kunnen stellen, hebben we een autograaf van Sweerts nodig. Een routineonderzoekje via de bekende ingangen op handschriften in een aantal bibliotheken leverde geen autografen op.13 Maar wie weet, zijn die nog ergens elders te vinden.
Mochten die versjes inderdaad in Sweerts' hand zijn, dan leidt dit tot vragen naar zijn werkwijze. Zijn de oorspronkelijke van straat geplukte opschriften in zijn verzameling Koddige en Ernstige Opschriften misschien door hem bewerkt, verbeterd en samengesteld uit verschillende varianten? Met andere woorden: zijn ze meer ‘literair’ gemaakt met het oog op hun publikatie? Dit zijn suggestieve - wellicht daardoor onterechte - vragen, maar ze geven aan dat het inderdaad van belang kan zijn om vast te stellen of die versjes al dan niet van Sweerts' hand zijn.
Indien de twee met potlood genoteerde opschriften van Huygens' hand zijn, kunnen we een poging wagen de datering vast te stellen. Met name het opschrift uit Gent biedt in dit verband een aanknopingspunt, omdat Huygens blijkens zijn dagboek slechts eenmaal in Gent is geweest.14 Op 9 augustus 1649 vertrok hij, na de Kruisschans te hebben aangedaan, zonder reisgenoot per schip naar Antwerpen, waar hij overnachtte. Op verzoek van Amalia van Solms bezocht hij aldaar de schilders Thomas Willeboirts (1613-1654) en Gonzales Coques (1614-1684) die hem de proeven en modellen lieten zien van de stukken die bij hen voor Huis ten Bosch waren besteld. Bij die gelegenheid droeg hij hun op dit materiaal naar Den Haag te sturen ter beoordeling door de Prinses.15
De volgende dag vertrok hij naar Gent en bezocht gedurende de hele daaropvolgende dag de stad. Op 12 augustus verliet hij Gent met de trekschuit op Brugge.
Dat naast Sweerts, waarschijnlijk ook Huygens ‘straatversjes’ noteerde laat eens te meer zien dat de dichter van Trijntje Cornelis (1653) en van de vele sneldichten genoegen beleefde aan de taal en humor van de straat. Met zijn voorkeur voor het ‘parlando’ in de poëzie moet Huygens er steeds op gespitst zijn geweest om levend Nederlands te schrijven. Het is niet verwonderlijk dat ook de poëzie van de straat daarbij zijn belangstelling had. Het nu teruggevonden blad met de negen opschriften stamt uit zijn portefeuille: deze poëzie van de straat lijkt in elk geval niet aan zijn blik te zijn ontsnapt.
Karel Bostoen
