
Zaterdag 22 juni j.l. is op de leeftijd van 88 jaar in zijn woonplaats Oegstgeest overleden prof. dr. C.F.P. Stutterheim, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde te Leiden en oud-voorzitter en erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De redactie vraagt mij een kort In Memoriam aan hem te wijden. Dat kan alleen een nogal persoonlijk In Memoriam worden; tot iets anders voel ik mij, ook emotioneel, op het moment waarop ik dit schrijf, niet in staat. Ik hoop dat vele lezers zich in mijn woorden zullen herkennen.
Kees Stutterheim heeft in mijn leven een bijzondere en belangrijke plaats ingenomen. Vanaf oktober 1956 was hij als opvolger van Kloeke mijn hoogleraar, vanaf februari 1957 - ik werd toen zijn assistent - ook mijn baas. Tot aan het begin van zijn emeritaat in 1971, de laatste jaren als medewerker, had ik het voorrecht met hem te mogen samenwerken. Daarna hadden we in de vriendschappelijke sfeer regelmatig contact met elkaar. Bijna 35 jaar omgang met elkaar is nu afgesloten. Ik probeer een aantal indrukken op grond daarvan hier weer te geven.
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik voor Kees Stutterheim een diepe bewondering had, bewondering voor zijn vitaliteit, zijn creativiteit, zijn kritische zin, zijn geweldige geest. Tot het laatste toe voelde ik me ‘klein’ bij hem, een ervaring die wel eens moeilijk was maar die ik toch ook niet graag wilde kwijtraken. Toen ik de laatste keer dat hij bij mij was, merkte dat hij opeens
heel oud geworden was en een groot deel van zijn vitaliteit had ingeboet, voelde ik mij daar zeer ongelukkig over. Het behoort tot het verdriet in het leven mensen tegen wie je opziet en tegen wie je ook gráág opziet, lichamelijk of geestelijk te zien achteruitgaan. Gelukkig manifesteerde die achteruitgang bij Kees Stutterheim zich pas korte tijd vóór zijn dood en gelukkig bleef zijn geest helder. Zijn vele vrienden hebben zich verheugd in de vele jaren van zijn emeritaat dat hij vitaal en creatief bleef; een belangrijk deel van zijn werk is nog na 1971 tot stand gekomen.
Kees Stutterheim was een grote geest. Het is bijna onvoorstelbaar op hoeveel terreinen hij zich bewogen heeft: literatuurwetenschap, taalkritiek, teksteditie en -annotatie, historische taalkunde, moderne grammatica, stilistiek etc. En hij had een encyclopedische kennis ook waar het terreinen betrof waarop hij zelf niet bezig was. Wie iets van hem leest, komt onder de indruk niet alleen van zijn kennis maar ook van de scherpzinnige wijze waarop hij problemen wist te analyseren. Een oude studievriend van mij drukte dat heel treffend uit: als je Stutterheim leest dan hoor je hem als het ware boven je hoofd lopen. Kritische zin was misschien wel het belangrijkste dat hij zijn studenten trachtte bij te brengen. Niemand van zijn leerlingen kan zich met een onderwerp bezighouden zonder zich bewust te zijn van de afgronden van problematiek die zich kunnen openbaren en zonder zich voortdurend af te vragen of wat hij zelf of een ander schrijft, de toets van de ‘transcendentale en immanente’ kritiek wel kan doorstaan. Kenmerkend voor hem was dat ik hem nooit heb horen zeggen: dat is beslist waar; ik heb hem wèl vaak horen zeggen: dat is perse niet waar.
Maar Kees Stutterheim was behalve een groot wetenschapper ook een zeer sociaal mens. Hij genoot van het contact met vakgenoten en studenten. Hij was dan ook vaak op vergaderingen, congressen en gezellige bijeenkomsten te zien en de laatste jaren liet hij zich graag per taxi daarheen vervoeren en naar ontmoetingen met oude vrienden en vriendinnen. Het sociale aspect van zijn persoon leerde ik al in mijn assistententijd kennen. Na afloop van het kandidatencollege dat ik bijwoonde, gingen we altijd naar de Turk in de Breestraat en daar brachten we dan de rest van de middag door. Ik vroeg me dan wel eens af: wanneer schrijf je toch al die boeken en artikelen? Ook dat lijkt me een kenmerk van grootheid: veel tot stand brengen en toch alle tijd van de wereld hebben. Bij dat sociale aspect hoorde ook zijn gevoel voor humor. Anekdotes uitwisselen in verband met Kees Stutterheim is nog altijd één van de prettigste dingen die ik met oude studievrienden doe. Zijn humor kwam ook tot uiting in zijn publikaties. Wie zijn Taalbeschouwing en taalbeheersing heeft gelezen, dankt daaraan een prachtige collectie onzin.
Tenslotte, wat mij het meest van Kees Stutterheim zal bijblijven, is zijn houding tegenover de werkelijkheid. Dat was een houding van verwondering. Dat is toch gek, Cor, heb ik hem vaak horen zeggen. Hij had een merkwaardig gevoel voor het absurde, en misschien kwam het daardoor dat hij er ook zo vaak mee in aanraking kwam. Wie deze kant van Stutterheim wil leren kennen, kan zijn novelle De man die niet Wilgenburg wilde zijn lezen. Maar het ging bij hem toch dieper: hij was zich diep bewust van de uiteindelijke ongrijpbaarheid van de problematiek waarmee hij zich bezighield. Ook over zichzelf kon hij verbaasd zijn. Hij beschouwde zichzelf niet als religieus, en dat was hij ook niet, in ieder geval niet in dogmatische zin. Maar één keer zei hij - en het trof me - dat het hem verbazen kon dat hij niet godsdienstig was en toch geen muziek kende die hem dieper ontroerde dan nu juist godsdienstige muziek.
Met Kees Stutterheim is een bijzonder en markant mens van ons heengegaan. Ik heb slechts enkele aspecten van zijn rijke persoonlijkheid kunnen belichten. Hij is iemand over wie vele verhalen te vertellen zijn. Gelukkig heeft hij ons een groot en boeiend oeuvre nagelaten. Maar voor zijn vrienden en leerlingen zal hij vooral in vele hartverwarmende herinneringen voortleven.
Cor van Bree
