terug  begin  verderprepost
[p. 45]

Twee ‘hertalingen’ van Hooft*

Sang

Op de wijze: Een saterdaechjen nae den noene etc.

 
Omdat mij zelden meer ten deel valt
 
Het gezelschap dat ik zo graag zag,
 
Schuw ik en vlucht ik
 
Wat mij wel ten deel mag vallen.
 
 
 
Maar, als ik mijn hef hier ontmoet,
 
Alleen, en met haar lang gewaad, over groene paden
 
Schrijdend, hoeveel eer zou ik haar bewijzen,
 
Met hoeveel deemoed haar hart vermurwen?
 
 
 
Hoeveel diertjes zijn er op de wereld?
 
Ik zie er geen op dit moment,
 
Behalve jou, kleine kievit; eenzaam
 
Schijnen wij deelgenoten in het lot.
 
 
 
Waarom wil je eenzaam blijven, gevleugeld beestje,
 
Zonder wijfje, hoewel geen dwang je dwingt?
 
Of zijn de bloemen in het bedauwde veld
 
Je vrolijke vriendinnen en staar je verliefd naar haar?
 
 
 
Heb je misschien je hef verloren
 
Door een hagelbui waarmee de lucht zich wreekt?
 
Of heb je, jong nog, geen hef gekozen
 
Dat je hier zo alleen alleen zweeft?
 
 
 
Het zoete leven kan een dier
 
Niet smaken, alleen en zonder speelgenoot.
 
Heb je er geen,
 
Dan kies er een;
 
Of heb je er een, dan snel haar na.
 
 
 
Snel haar na, maar pluk, voor je je vleugels
 
Spreidt de mooiste bloem en neem haar mee
 
Om haar je lieveling te schenken:
 
Dat deed ik in jouw plaats.
 
 
 
Maar, al zou mijn lichaam zijn getooid met veren,
 
Geen venster zou ik veroveren op de ouders,
 
Die streng en steeds mijn lief bewaken.
 
Zelfs vleugels kunnen mij niet baten.
 
 
 
Toon mij je liefde, beminde, en zing
 
Met zachte zang van wijze woorden
 
Hun honderd ogen in een diepe slaap,
 
Dan zijn deur noch vensterslot bestand.

Aen Joffre Anne Roemer Visschers

Sonnet

 
Als je, met diamant, een vlinder op 't glas graveert,
 
Is het een vlinder. Bedrieglijk echt ziet hij eruit
 
Alsof hij zich wil laven aan 't sap van druiven,
 
Zo levend dat men hem er af zou willen plukken.
 
Neem je penseel of naald: er wordt dal en rots
 
Geschapen, bos en berg, en 't vochtig veld bedauwd
 
Met groene grassen. Het welvarend vee verlangt er naar.
 
Dat haalt adem, schijnbaar, en hetkauwt. De lippen malen.
 
Vormt je vaardige hand een mens van leem,
 
't Steekt Prometheus naar de kroon. Maar als je
 
Je onder muzen schaart en woorden, zo fraai geschreven,
 
Met helderheid en geest bezielt,
 
Dan blijkt dat je al wat lijf of leven mist,
 
Beide geven kunt, maar je verzen 't eeuwig leven.

H. Heestermans



illustratie

*De oorspronkelijke gedichten zijn te vinden in P.C. Hooft, Gedichten (ed. Stoett). Amsterdam. 1899. ‘Sang’ staat in deel 1, 46; ‘Sonnet’ in deel 1, 171.
De hertalingen zijn vervaardigd voor een serie bladen in reliëftechniek van de kunstenares Liesbeth van Dorsser Keus, De gedichten werden gedrukt door de Avalon Pers te Woubrugge.

prepostterug  begin  verder