
Misschien is de Camera Obscura wel het meest gelezen boek dat ons uit de negentiende eeuw is overgebleven. In elk geval bezet het een eervolle plaats naast de Max Havelaar van Multatuli, de Snikken en grimlachjes van Paaltjens en de Gedichten van de Schoolmeester.
Van de auteur Nicolaas Beets kan in elk geval gezegd worden dat hij zijn hele schrijversloopbaan lang door populariteit is achtervolgd. Alles wat er uit zijn pen vloeide leek puur goud in de ogen van het grote publiek. Al in 1834, na het verschijnen van zijn eerste grote dichtwerk Jose, schreef hij voldaan in zijn dagboek: ‘Ik ben tegenwoordig in Leiden in de mode en gewild als een paar oranje handschoenen.’ De Camera moest toen nog verschijnen. Maar ook die bleek een ongekend succes. Nog geen jaar na de eerste druk verscheen er al een tweede; en daarna zouden de drukken - al dan niet geillustreerd - elkaar gedurende de hele negentiende en ook de twintigste eeuw met grote regelmaat opvolgen. De laatste dateert van 1991.
Van al zijn werk heeft de Camera het in populariteit het langste uitgehouden. Wat de rest betreft: recente herdrukken van Beets' romantische epiek zijn inmiddels al lang weer verramscht en zijn moralistische dominees-poëzie is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.
Die populariteit van de Camera lijkt al die jaren door eigenlijk vrij constant te zijn geweest. Een aantal feiten wijst tenminste in die richting. In 1892 hield het tijd-
schrift De Nederlandsche Spectator onder zijn lezer een enquête naar de tien meest gelezen Nederlandse boeken. De Camera kwam als numero één uit de bus, de Max Havelaar werd tweede. Het valt te betwijfelen of de verhouding tussen die twee nu nog ten gunste van de Camera zou uitvallen, maar ook onze eeuw laat een blijvende interesse voor dit boek zien. Het was tot voor kort min of meer verplichte leestof in de derde klas van de middelbare school en werd, mag men aannemen, dus gezien als een aangename kennismaking voor vijftienjarigen met de ‘echte’ literatuur.
Uiterlijke tekenen van die durende belangstelling voor de Camera zijn verder de standbeeldengroep van Camera-figuren opgericht in de Haarlemmerhout, en ook zelfs de borduurpatronen in de Libelle die het de lezeressen mogelijk maakten om Saartje met de mof en Henriëtte achter de piano ook in kruissteekjes vast te leggen.
Waar komt die populariteit toch vandaan? Daar heeft niemand zo maar een afdoend antwoord op, ik ook niet uiteraard. Maar ik wil er vandaag ter gelegenheid van deze tentoonstelling wel wat over speculeren op grond van mijn eigen sympathie voor de Camera, die dateert vanaf het moment dat ik hem als derdeklasser onder ogen kreeg.
De Camera Obscura staat voor een tijd, niet alleen in de historische zin van een periode, de tijd rand 1840, maar ook in de zin van een bepaalde mentaliteit. De titel van deze tentoonstelling is in dit opzicht veelzeggend. Je leest: ‘De tijd van de Camera Obscura’ en een beeld rijst op van crinolines en luifelhoeden, van diligences en trekschuiten, van turfvuren en Goudse pijpen. Maar ook een van herenhuizen en armenhofjes, van mevrouwen en juffrouwen, van meesters en knechten.
Wat heeft die tijd, beter gezegd de uitbeelding ervan in de Camera, maar ook in de verhalen van Gewin, van Kneppelhout en van Hasebroek ons nu nog te bieden? Ze biedt ons een doorsnede van de hele maatschappij uit het midden van de negentiende eeuw. Alle rangen en standen zijn erin vertegenwoordigd: van hoog tot laag. Het Diakenhuismannetje Keesje, de banketbakkersdochter Saartje, de parvenu Kegge, de jonge arts Gerrit Witse, en de baron Van Naghel. De gehele Nederlandse bevolking is present en ieder wordt getekend naar de stand waartoe zij of hij behoort, met de spraak, de kleding en zelfs de genoegens die daarbij passen. De negentiende-eeuwse maatschappij lijkt één groot poppenhuis, waarin elke bevolkingslaag een eigen etage is toebedeeld. Ieder in zijn eigen compartiment, op zijn eigen hem door geboorte aangewezen plaats. Zo is het, zo blijft het en zo is het goed, wat er ook gebeurt. Wanneer Keesje het Diakenhuismannetje, volgens de regels van het huis het geld is afgenomen dat hij twaalf jaar lang gespaard heeft om toch in een eigen doodshemd te mogen worden begraven en niet in zijn diakenhuisgoed, zoals gebruikelijk was, dan nog roept hij in zijn opperste wanhoop, terwijl de tranen hem over de wangen stromen, daarover uit: ‘het geld most weg; dit is 'en wet zo oud als et Huis, en het Huis is zo oud, zo oud als de wereld.’ In al zijn verdriet tornt hij niet aan de regels

De Camera vormde al eerder de inspiratiebron voor tentoonstellingen, zoals in 1940 in Den Haag.
en dat doet ook Hildebrand niet, al komt hij hem wel te hulp. Dat Keesje tenslotte zijn geld zelf mag bewaren, is een concessie, een uitzondering op de regel die vanzelfsprekend gehandhaafd blijft, evenals de regel dat Keesje, weliswaar in zijn eigen doodshemd, eenvoudig met alle armen in een grote grafkuil begraven zal worden. Hildebrand verwoordt dit behoudende standpunt zelf als volgt: ‘De mens is het gelukkigst, die terdege weet wie en wat hij is, wat hij vermag en wat hij wil, zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim zo veilig is als aan de zo kwetsbare omtrek.’ Een standpunt, dat nu onze verbazing, onze verontwaardiging wellicht mag wekken, maar dat ook een andere kant heeft, een geruststellende kant. De wereld van de Camera is een veilige wereld waarin vreugde en verdriet, genoegens en ongenoegens, kortom alles wat het leven te bieden heeft, plaatsvindt zonder dat de vaste normen en waarden daardoor ook maar een millimeter verschuiven. We zijn er allemaal kinderen van een groot gezin, waarin ieder z'n plaats kent, van de jongste tot de oudste, en waarvan vader weet wat goed voor ons is. Dat heeft iets troostends, iets veiligs. En van die wereld wil je als lezer dan ook wel even deel uitmaken: ook een kopje anijsmelk krijgen van juffrouw De Groot in banketbakkerij de Zoete Inval; ook mee aanschuiven aan de theetafel van tante Stastok, waar het water zo
gezellig ruist en de wereld niet groter is dan de tuinkamer. Maar ook ontroerd raken door de dood van juffrouw Noiret en het verdriet van de oude arme Keesje. Want hoe het ook vergaat in het leven, lief of leed, alles heeft in deze wereld een zin; God, ons aller vader, is rechtvaardig en tenslotte, nu of in het hiernamaals, komt het goed. Meestal nú trouwens in de Camera, en ook dat heeft iets zeer bevredigends.
Het is alsof die conservatieve, geruststellende geest zich ook genesteld heeft in de typisch negentiende-eeuwse attributen die deze wereld stofferen. Dingen die we nu vaak niet eens meer kennen, maar die op zich wel iets vertederends hebben: zoals de ongemakkelijke, maar lieftallige en zedige kleding van de vrouwen, hun gebloemde omslagdoeken, loddereindoosjes en sentimentele sieraden voorzien van een lokje haar of een portretje; van de mannen de geborduurde vesten, fraaie snuifdozen en meerschuimen pijpen. Hun besloten overvolle huiskamers vol zorgvuldig bewaarde en gekoesterde ditjes en datjes met daarin de grote ronde tafel als veilig middelpunt. Het is op deze wereld dat de tentoonstelling hier ons een blik wil gunnen. De geordende wereld van de Nederlandse burger in het midden van de negentiende eeuw, nog onbewust van de strijd die hem te wachten staat, de strijd tegen de technologie, tegen de sociale emancipatie en tegen de ontkerstening; een strijd die hij wel moet verliezen op den duur. Maar nu is hij nog even onkundig van dit alles, in zijn eigen vertrouwde omgeving: in zijn eigen land, dat zich zo dapper heeft betoond in de oorlog tegen de Belgen, in zijn eigen stad, waarvan hij de meeste bewoners van naam of minstens van gezicht kent, in zijn eigen huis, waarin hij heer en meester is en 's avonds bij de haard gezeten onder het genot van een kopje slemp of een warme groc God dankt voor het benijdenswaardig bestaan dat hij hem heeft geschonken.
M.G. Kemperink