Bibliotheca selectissima heette de catalogus, waarmee Salomon Schouten te Amsterdam in 1744 de collectie boeken en handschriften aanbood die door Isaäc Le Long verzameld waren. En al moet men altijd voorzichtig zijn met hooggestemde juichkreten die auctionarissen ook toen niet vreemd waren, in dit geval was de titel terecht gekozen. De kerkhistoricus en bibliograaf Le Long, onder meer vanwege zijn Boek-Zaal der Nederduytsche Bijbels (1732) nog steeds niet vergeten, had inderdaad een uitgelezen collectie bijeengebracht. Het is nog steeds een genoegen de catalogus te lezen, niet in het minst omdat er veel aandacht is besteed aan de authenticiteit van de handschriften, met name aan de herkomst en datering. De Leidse bibliotheek en in het bijzonder de Maatschappij kregen, vaak langs omwegen, heel wat stukken in bezit die door de handen van deze aartsverzamelaar waren gegaan en die waarschijnlijk met pijn verstrooid zag wat hij met zo veel moeite en kosten had bijeengebracht. Nog tijdens zijn leven vond de veiling plaats, vermoedelijk door hem zelf nog voorbereid, want de handschriften hebben vaak voorin een beschrijving die van vertrouwdheid met de inhoud getuigt, in een karakteristieke ronde hand, en vrijwel eensluidend met de aankondiging in de veilingcatalogus.
Onder de handschriften, die in een apart stuk van de catalogus met eigen paginering beschreven zijn, leest men op p. 14 (hss. in quarto, nr. 13):
‘De Souter of Psalter Davids, seer cierlyk op Perkement geschreven/ met Roode en Blaauwe Voorletters/ omtrent den jaare 1400, en by uytnementheit Sinnelyk bewaart/ noch in syn Eerste bandt; gekomen uyt het klooster van St.Clara te Enckhuysen. Seer Raar.’
Dit boek kwam enkele maanden geleden op mijn tafel toen de particuliere eigenaar mijn opinie vroeg. Aanvankelijk kon men nog twijfelen aan de identiteit. De datering op ca. 1400 was natuurlijk te vroeg, zoals meestal in veilingcatalogi uit de achttiende eeuw. Het handschrift kan nu veilig op ca. 1470 worden gesteld. Ook kon het vanwege het formaat (170x110 mm) moeilijk als een quarto worden beschouwd. Maar oude veilingcatalogi blijken boeken wel vaker een slag groter te klasseren dan een objectieve waarneming toelaat. Een strookje voorin het handschrift bevatte een voor Le Long karakteristieke beschrijving die vrijwel woordelijk met de regels in de veilingcatalogus overeenkwam met vermelding van de herkomst uit Enkhuizen. Het was een mededeling die stoelde op een contemporaine inscriptie aan het einde van het boek: ‘Dit boeck toe behoert die susteren van sinte claren tenchusen’. Dat strookje nam elke twijfel over de identiteit weg. Een verloren gewaand handschrift van Le Long was teruggevonden en daarmee bleek bovendien de enige geschreven reliek van Sint Clara in Enkhuizen bewaard.

Dit huis van Tertiarissen leidde, ook al omdat de archieven vrijwel verdwenen zijn, in de literatuur een schimmig bestaan, zo zeer zelfs dat het vaak de Clarissen is toegerekend. Zelfs Van Heel nam het niet op in zijn Tertiarissen van het Utrechtsche Kapittel. Wij hebben nu voor het eerst een boek van dit huis in handen, dat ook bijna 250 jaar na Le Long nog steeds ‘by uitneementheyt sinnelyk bewaart’ mag heten. Want dat het ter plekke geschreven is lijkt wel zeker.
De fraaie openingsinitiaal laat zich zonder moeite in het Noorden van Holland lokaliseren en vertoont hetzelfde eigenaardige groen (misschien het beste nog als kopergroen te typeren) als sommige andere handschriften die aan de Zuiderzeestad kunnen worden toegeschreven zij het om andere redenen dan een ex-libris. Meestal wordt de herkomst afgeleid uit de kalender als op 11 oktober het feest van Sint Gommarus, in het bisdom Utrecht exclusief voor Enkhuizen, als hoogfeest is opgevoerd. Een kalender heeft het hier besproken handschrift nooit gehad, maar het boek was blijkens de onderverdeling van de psalmen (hier natuurlijk zoals overal elders in Holland in de vertaling van Geert Grote-Scutken) naar de kanonieke uren op de dagen van de week stellig voor (para)liturgisch gebruik bestemd. In Sint Clara leidde, evenals elders, een voortschrijdende verstrakking van de conventsregels tot een nauwer op de monastieke liturgie aansluitend gebedsleven, wellicht ten koste van de eenvoudiger getijdenboeken, zij het dat ook hier weer eigenaardige aan klooster of congregatie gebonden varianten optreden. Dat laatste is een kwestie die nog eens verdient uitgezocht.
Sluiten wij het boek dan valt het oog op het fraaie, haarscherp bewaarde paneelstempel voorstellend de moeder Gods met kind met de randspreuk aue gracia plena dominus tecum * maria mater dei * memento mei (78x52 mm). Hetzelfde stempel komt ook op andere banden in Noord-Holland voor, die niet direct met Enkhuizen te verbinden zijn (o.m. hs. Leiden, UB, Ltk. 289).
Uiteraard moest zelfs in deze barre tijden een poging worden gewaagd om het interessante handschrift voor de Maatschappij aan te schaffen, zodat ook dit tweede Enkhuizer handschrift uit het bezit van Le Long - het andere is Ltk. 245 - er een veilig onderdak zou vinden. Dit lukte dank zij het verwervingsfonds van de bibliotheek, dat daarmee andermaal zijn nut bewees; voortaan zal de band bekend staan als hs. Ltk. 2206.
P.F.J. Obbema
| C.C. de Bruin, ‘Isaäc Le Long (1683-1762)’, in: Boeken verzamelen, Opstellen aangeboden aan J.R. de Groot. Leiden, 1983, pp. 66-88. |
| J.A.A.M. Biemans, Middelnederlandse bijbelhandschriften. Leiden, 1984. |
| E. Heynen, ‘De preek op den gulden berg’, in: Tijdschrift voor taal en letteren 28 (1940), pp. 277-283 (zie pp. 282-283 over een ander boek met hetzelfde bandstempel). |
| D. de Kok, Monasticon batavum, dl. I, Supplement. Amsterdam, 1942, p. 50, met de daar aangehaalde literatuur. |