terug  begin  verderprepost

De financiering van het Woordenboek der Nederlandsche Taal 1849-1892

Het kruideniersargument luidde aldus: wat hebben wij voor ons geld ontvangen?
Flanor [1879]

Op het IIe Taal- en Letterkundig Congres van 1850 dat plaatsvond in Felix Meritis in Amsterdam werd door Alberdingk Thijm voorgesteld, dat de leden van het congres ‘een adres [zullen] richten aan de Goevernementen van Nederland en Belgien en bij elk een subsidie van ƒ 500,- 's jaars aanvragen tot ondersteuning der onderneming’. Pas op het vierde Nederlandsch Letterkundig Congres in 1854 te Utrecht brengt De Vries de financiën ter sprake in zijn voordracht over de stand van zaken met betrekking tot het Woordenboek op 22 september. Bij de voorbereiding deed zich de noodzaak gevoelen, dat de redactie, wilde zij ‘hare taak met kracht doorzetten’, de middelen moest bezitten om de onvermijdelijke onkosten te dekken. Zij diende daarom een aanvraag tot ondersteuning in bij de regeringen van Nederland en België. Op deze aanvraag werd gunstig beschikt, omdat, volgens De Vries, de regeringen van mening waren ‘dat de bloei van Neerlands taal, zoowel in België als in Noord-Nederland, door de beide verlichte Vorsten en hunne raadslieden op den regten prijs wordt geschat’. Door de Nederlandse regering werd een bedrag van ƒ 500,- beschikbaar gesteld, door België 1000 franks, toen nog altijd een bedrag ƒ 467,18,5 waard. Door deze bijdragen was de financiële situatie gezond. Dat bleef zo tot 1861.

 

In die periode maakte de redactie een aanvang met de daadwerkelijke bewerking van het inmiddels verzamelde materiaal. Op dat moment kwam zij tot de slotsom, dat ‘vrijwillige toewijding [...] niet langer [kon] volstaan bij den reusachtigen arbeid, die nu te verrichten stond’. Het werd nu noodzakelijk, dat tenminste een van de redacteuren in staat werd gesteld, om de bewerking van het Woordenboek als levenstaak op te vatten. De regering verleende haar medewerking ‘overtuigd, dat een nationaal woordenboek eene zaak is van nationaal belang’ en besloot de nodige middelen beschikbaar te stellen. Te Winkel werd door de minister uitgenodigd om zich volledig te wijden aan de ‘vaderlandsche lexicographie’. Te Winkel moest, om zijn werk full time te kunnen doen zijn lectoraat aan het Leids Gymnasium en zijn bibliothekariaat bij de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde neerleggen. Zijn salaris moest dus volledig door de overheid worden betaald en daarvoor werd bij Koninklijk Besluit van 10 februari 1860 ƒ 2000,-, waarvan ƒ 1600,- voor Te Winkel, op de staatsbegroting voor 1861 vrijgemaakt.

Een paar dagen voor de discussie in het parlement over ‘Artikel 157 van de VIIIste Afdeeling’ verscheen er echter in De Nederlandsche Spectator een artikel, dat aan

[p. 37]



illustratie

alle leden der Tweede Kamer was opgezonden, ‘waarin de zaak van het Woordenboek, - zo schreef Thijm in 1864 - het zij uit onkunde en vooroordeel het zij uit nijd en kwade trouw, op de domste en bedrieglijkste wijze uit haar verband werd gerukt; ja, de schrijver ontzag zich niet het voor te stellen, als of de waardige Hoogleeraar [De Vries, DW] (het warmste hart, dat er in Holland klopt voor de zaak van het Vaderland, bij het helderste oog, om in het charakter en de geschiedenis des volks te lezen), die de zaak tot de zijne had gemaakt, juist, in plaats van zijne offerwilligheid, daarbij zijn baatzucht had gehoor gegeven!’.

Thijm had wel reden om verontwaardigd te zijn. In het artikel, dat naar alle waarschijnlijkheid door R.G Bakhuizen van den Brink was geschreven, werd immers de vraag gesteld: ‘Is het woordenboek eene zaak zoo noodzakelijk, zoo onmisbaar, dat daaraan jaarlijks en zonder eenig uitzigt op den duur der uitgave eene som van meer dan ƒ 5000 mag worden geofferd?’

‘De taal- en letterkunde beschouwen de zaken niet altijd in hetzelfde licht, waarin de staatkunde op haar standpunt ze beoordeelt’, concludeerde De Vries bitter. Die bitterheid moest wel zijn ontstaan, door de lage kwaliteit van de argumenten, zoals die door verschillende sprekers werden gedebiteerd. Een woordvoerder in de Kamer merkte in het politiek debat op, ‘dat een jaarlijksche subsidie zoo veel zou zijn als een premie, gesteld op de oneindige voortzetting van het werk’. Het kamerlid Cools wilde een termijn bepalen waarbinnen het Woordenboek tot stand moest worden gebracht, want hij meende: ‘telken jare zullen er wel nieuwe woorden worden uitgevonden en men zou naar die mate de uitgave kunnen uitstellen.’ Een ander kamerlid, Hoëvell, was tegen de subsidie omdat het Woordenboek nog niet gepubliceerd was: ‘Het boek is nog niet gereed en nu wil men een jaarlijksch tractement geven om de voltooijing te bevorderen. Zal dat niet strekken om het gewenschte doel, het uitgeven van het werk te vertragen?’ Dat bleek, toen de Kamer het voorgenomen besluit van de regering moest bekrachtigen. Men achtte het verkeerd, ‘dat de staat zich op eene onmiddellijke wijze mengt in datgene, wat alleen gedijen kan door individueele kracht, zich in volkomen vrijheid bewegende’. Men meende, dat daardoor ‘de eigen werkzaamheid van particulieren eer wordt verslapt, dan opgewekt en verhoogd en overtuigd’, dat alleen ‘door de ontwikkeling van eigen krachten leven en beweging ontstaat’. Men begreep dat de onderneming van het Woordenboek ‘aan hare eigene ontwikkeling behoorde te worden overgelaten’. Thorbecke was ook tegen de subsidie: ‘In vroeger tijd kon een maecenaatschap over kunsten en wetenschappen aan de overheid passen, en zelfs met vrucht door haar worden uitgeoefend’, zo stelde hij, thans moest zij datgene, wat zij ‘voorheen als hare zorg beschouwde’, laten aankomen op het publiek, ‘den grooten Maecenas, waarvan nu de wetenschap leven moet’. Het voorstel om de gevraagde subsidie ten behoeve van het Woordenboek niet te verlenen werd met 39 tegen 27 stemmen goedgekeurd.

Goede raad was duur, merkte De Vries op, maar er waren bondgenoten. De minister van Binnenlandse Zaken, Van Heemstra, zegde hem toe, dat hij bij de volgende begroting een nieuw voorstel aan de volksvertegenwoordiging zou doen. Er dreigde een problematische financiële situatie te ontstaan, die tot gevolg zou kunnen hebben, dat het werk aan het Woordenboek zou moeten worden gestaakt. De Belgische regering verleende, naast de gewone subsidie nog ‘een hulpgeld’ als ‘nieuw blijk van hare gezindheid jegens de taal harer Vlaamsche landgenoten’. Wat nog ontbrak werd uiteindelijk aangevuld door de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen uit Haarlem, die ƒ 600,- schonk. De regering ontving van diverse kanten brieven die op toekenning van subsidie van de overheid aandrongen. Daaronder was een brief van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waarin zij te kennen geeft ‘dat zij zich verpligt rekent, thans, nu andermaal op de Staatsbegrooting, zoo als die van Regeringswege is aangeboden, een post is uitgetrokken, ten einde de onkosten te dekken, die de voorbereiding van een Algemeen Woordenboek der Nederlandsche Taal vereischt, zich tot de Vertegenwoordigers van het Nederlandsche Volk te wenden met het verzoek, dat die post hunne goedkeuring wegdrage’.

Inderdaad werd bij de staatsbegroting van 1862 de toelage voor het Woordenboek wederom aan de orde gesteld. In de zitting van 16 december 1861 werd weliswaar

[p. 38]

opnieuw het bezwaar naar voren gebracht ‘dat ondersteuning van wetenschappelijken arbeid’ niet tot de verantwoordelijkheid van de staat behoort, maar er waren andere sprekers, die de toepassing van dit bezwaar op het Woordenboek met kracht bestreden. Met 39 tegen 30 stemmen werd de subsidie nu toegekend.

 

Het jaar 1878 was in het nog jonge bestaan van het Woordenboek der Nederlandsche Taal een absoluut dieptepunt. De Vries deelde toen aan minister Kappeyne van de Cappello mee, dat het Woordenboek zich in een uiterst moeilijke situatie bevond. In een brandbrief verzocht De Vries de minister om een geringe toelage om tenminste nog de materiële kosten te dekken om zodoende de voortgang van het Woordenboek te verzekeren. Het antwoord van de minister luidde, dat de gevraagde subsidie van ƒ 400,- werd toegestaan, maar dat hij ‘geen vrijheid vond op de Staatsbegroting van het volgend dienstjaar wederom gelden te brengen voor ondersteuning van regeringswege aan eene wetenschappelijke onderneming, waarvoor reeds gedurende meer dan 25 jaren Rijkssubsidiën zijn verleend, zonder dat er gegronde hoop bestaat, dat dit werk binnen kort tijdsverloop tot een goed einde zal gebragt zijn’.

De Vries raakte door dit bericht zeer ontmoedigd: ‘Ik moet bekennen, dat was mij te veel. Van de Regeering, meer dan iemand omtrent mijne bedoelingen ingelicht en in de eerste plaats geroepen om een vaderlandsch werk te steunen, dat overal elders van staatswege bekostigd wordt, in zulke omstandigheden zulk een antwoord te ontvangen: dat had ik niet kunnen verwachten. De moed ontzonk mij.’

Maar overal ontstond er verontwaardiging over de beslissing van de minister. C. Vosmaer (‘Flanor’) verwees naar het feit dat reeds in 1860 het Deutsches Wörterbuch staatszaak geworden was. Hij stelde: ‘Zeer juist verklaarde [...] de duitsche rijksdag, dat het duitsche woordenboek, door de Grimm's gesticht, eene Reichsangelegenheit is. Bij ons daarentegen is het woordenboek met kinderachtigen spot van onkundigen of boozen vervolgd en ten vorigen jare heeft de regeering de toelage voor dat woordenboek geschrapt.’ Spottend gaat hij door: ‘Wat zei de minister, hebben wij nu voor ƒ 26.000,- ontvangen? Eenige afleveringen, en nog geen enkele letter voltooid.’ Een ‘kruideniersargument’, want voor het overheidsgeld ‘is door het woordenboek de spelling kwestie geregeld. Indertijd kostte die regeling alleen (door Siegenbeek) ƒ 20.000,-.’ Ook wees Vosmaer op ‘de afleveringen, waarin een schat van monografieën voorkomen, vol gewichtige taalvorschingen, honderden vellen druks beslaande, op zich zelf reeds een gewichtig werk’, waarbij ‘er voorhanden [is] het geheele bestaande materiaal, dat voor bewerking gereed ligt.’

Taco de Beer deed in 1878 het voorstel, dat als de regering geen subsidie wil betalen ‘wanneer zij niet zeker is, dat er een voldoend getal afleveringen het licht ziet, welnu, zij doe als in Pruisen met het Duitsche Woordenboek, waar 900 Mark subsidie betaald wordt, zo vaak er eene aflevering verschijnt’.

H.E. Moltzer wees in 1878 reeds op de rol van het Woordenboek als nationale onderneming: ‘Allen, die op beschaving ontwikkeling en wetenschap prijs stellen en hunne moedertaal lief hebben, eene echt nationale onderneming als de uitgave van het Woordenboek zullen steunen beide moreel en financieel, want - zij verdient het ten volle, zij strekt ons dierbaar vaderland tot eer.’

In augustus 1879 was het Woordenboek een belangrijk onderwerp op het XVIIe Taal- en Letterkundig Congres in Mechelen. In de derde zitting van de vierde afdeling stelde de heer Van Lee aan uitgever Sijthoff de vraag: ‘Zou die Heer niet zoo goed willen zijn ons omtrent het Woordenboek in te lichten? Hij zal ons wel kunnen vertellen, of dat kind werkelijk definitief geboren is of nog geboren moet worden.’ Sijthoff antwoordde hierop: ‘Op de vraag wat er is van het Woordenboek, dat voedsterkind van het Congres, antwoord ik, dat het XVIIIe Congres waarschijnlijk den doodsbrief ervan ontvangen zal.’ Sijthoff gaf daarbij aan, dat hij tussen 1 januari en 27 augustus 1879 geen kopij van de redactie had ontvangen. Hij stelde voor de zaak van het Woordenboek bij de Nederlandse en Belgische regering te bepleiten. Na enige overweging besloot het Congres een motie dienaangaande aan de Algemene Vergadering voor te leggen. Dat gebeurde dan ook bij monde van de heer D. van Eck uit Den Haag. Het voorstel vond vrijwel algemene instemming. Alleen Van Vloten maakte bezwaren. Hij wilde dat een of andere taalgeleerde de bewerking van het gehele woordenboek op zich zou nemen: ‘Dan zouden wij in eenen betrekkelijken korten tijd tot een goeden uitslag komen.’ Op dat voorstel ging het Congres niet in. Op 20 oktober 1879 ging er een request van het Congres naar de Nederlandsche en Belgische Regering. De subsidie werd het jaar daarop weer uitgekeerd.

 

De subsidiekwestie van 1878 was goed afgelopen, dank zij de massale steun van de buitenwacht. Liefst elf verzoekschriften om handhaving van de subsidie droegen bij tot het gewenste resultaat.

De problemen rond de subsidie, die ieder jaar weer opnieuw moest worden aangevraagd, bleven echter. In een brief van 28 juni 1880 schreef een wanhopige De Vries aan de minister van Binnenlandse Zaken: ‘De verklaring in Uwer Exc. schrijven, dat Uwe Ecx. bezwaar moet maken tegen het uitkeeren van een subsidie van ƒ 2000,-, ontneemt mij de hoop dat ik de zaak van het Woordenboek zou kunnen hervatten.’ Op 24 augustus deelde hij aan de minister mee: ‘Op dit oogenblik is de kas nagenoeg uitgeput. Zij bevat nog maar ƒ 48,-. Zonder spoedige hulp zou derhalve de arbeid binnenkort geheel gestaakt moeten worden.’

Ook toen werd de subsidie alsnog uitgekeerd en betaalde België 4000 franken.

Voor De Vries werd de taak om het Woordenboek financieel te dragen te zwaar. Te meer daar de regering ieder jaar weer met tegenzin de subsidie uitkeerde. In 1884 nog gaf de minister in de Tweede Kamer lucht aan zijn bezwaren tegen het Woordenboek. In de Tweede Kamer, bij de beraadslagingen over de Staatsbegroting van 1884, uitte met name De Corver Hooft fikse kritiek op de trage voortgang van het Woordenboek: ‘Er is één deel van

[p. 39]



illustratie

uitgekomen en twee andere deelen gedeeltelijk. Het zou voltooid zijn in 8 deelen. Maar wat is er na? Er is de halve letter A tot aan Alleen, de halve letter G tot Gekheid en de halve letter O tot Onderrichten. Ziedaar hetgeen van het Woordenboek in 20 jaar is uitgekomen. Is dat nu eene onderneming, die van staatswege moet ondersteund worden? Wanneer die op dezelfde wijze voortgaat als tot nu toe, kan men rekenen, dat men zoowat 60 à 70 jaren bezig zal zijn met dat werk.’ Met duidelijke tegenzin betaalde hij de gevraagde subsidie. Voor De Vries moet die situatie van voortdurende onzekerheid heel moeilijk zijn geweest.

Maar spoedig zou juist op dat punt het tij keren.

 

Het XXe Taal- en Letterkundig Congres vond plaats te Amsterdam op 16 september 1887 in de zalen van het toen nog niet ontbonden ‘Felix Meritis’. Daar maakte de openingsrede over ‘De Macht der Taal’ van mr. H.P.G. Quack, ‘fonkelend van geest en poezie’, zoals Jan ten Brink schreef, bij de aanwezigen veel indruk. Juist toen Quack de woorden uitsprak: ‘en ziet, een man werd gevonden, die uw aller opdracht ging volvoeren’ en hij hulde bracht aan De Vries ‘den onvermoeiden arbeider en schepper van het Woordenboek’, trad deze binnen. Zijn komst was vertraagd door iets te late treinenloop. Een stormachtige ovatie viel hem ten deel. Na een voordracht door De Vries over het Woordenboek werd door E. Laurillard het voorstel gedaan om een Commissie van Bijstand in het leven te roepen. Belangrijkste taak van die Commissie zou moeten worden zorg te dragen voor de verwerving van fondsen en subsidies. De Vries zou dan daarvan ontlast zijn. De redactie kon zich dan zuiver en alleen met ‘den wetenschappelijken arbeid’ bezig houden. In september en oktober werd de Commissie van Bijstand samengesteld. Quack werd voorzitter, Wertheim ondervoorzitter en Laurillard secretaris. De Commissie ging meteen aan het werk.

Op zondag 13 november 1887 zaten de leden van de Commissie bij elkaar in het studeervertrek van De Vries. Quack schetste de taak van de Commissie. Deze hield in: het verkrijgen van ogenblikkelijke financiële hulp. Hij gaf in grote lijnen ‘den financieelen toestand van dat Woordenboek, dat werkelijk op het punt was zijn loop te staken, daar prof. de Vries, de wetenschappelijk leider, alleen werd gelaten, en natuurlijk niet in staat was geheel de financieele zwaarte der zaak verder te dragen’. Er werd een begroting ontworpen van de gelden die nodig waren en een plan opgemaakt hoe men deze gelden bijeen zou kunnen krijgen. Uiteindelijk zou de redactie van het Woordenboek haar gelden moeten krijgen uit regelmatige subsidies van de twee staten Nederland en België. Er moest echter eerst geld worden gevonden voor een overgangsregeling van tenminste drie jaren. Twaalf duizend gulden was daarvoor nodig. Op 29 no-

[p. 40]

vember 1887 verstuurde de Commissie een circulaire aan ‘enkele vermogende vrienden’ met daarin ‘de dringende vraag’ of zij ‘professor de Vries in zijn heerlijk werk’ zouden willen steunen en of zij daarvoor drie jaren lang een bijdrage zouden willen toezeggen. De reacties waren gunstig en ook ‘Zuid-Nederland liet zich niet onbetuigd’. De regering daarvan beloofde boven de gewone subsidie extra toelagen. Het Nederlandse genootschap ‘Felix Meritis’, dat zich na een bestaan van meer dan honderd jaar ontbond, gaf bij zijn liquidatie de som van ƒ 7000,-. In de vergadering van 28 september 1889 kon men dan ook vaststellen, dat de financiële situatie van het Woordenboek ‘geene zorgen’ bood. Op het 22ste Congres in Arnhem vertelde Quack, dat die bijdragen van particulieren een fonds bijeengebracht hadden van ƒ 18.200,-. In 1893 was daar nog ƒ 5044,- van over. ‘Natuurlijk moest dat fonds slinken. Het vormde den overgang om te komen tot een volkomen normalen geldelijken toestand’, zei hij.

De Commissie van Bijstand deed bij monde van Quack verslag voor het XXIe Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres in Gent in augustus 1891. Hij deelde op ‘allerwelsprekendste wijze’ mee, wat door de Commissie van Bijstand tot stand was gebracht. Hij kon vaststellen dat ‘de bijenkorf’ veilig was voor allerlei gevaren. De middelen waren voldoende. Sinds de oprichting van de Commissie waren naast de subsidies van België en Nederland aan giften en bijdragen ongeveer ƒ 18.000,- ontvangen. Op 1 juli 1891 was daarvan ƒ 8700,- uitgegeven, zodat er nog ƒ 9500,- in de kas was.

Na allerlei onderhandelingen met de beide regeringen waren de bepalingen voor de subsidies, dat voor elke aflevering Nederland 1000 gulden en België 1000 franken betaalden en de uitgever een honorarium van 200 gulden gaven. Het Woordenboek ging dus met kracht vooruit, concludeerde het congres tevreden.

Voortdurend ging er ‘een daverend bijvalsgejuich’ op. Vooral toen Paul Fredericq op de gedachte kwam om ‘een welverdienden gelukwensch per draad’ namens het congres te zenden ‘aan den vader en schepper van het Woordenboek, Prof. de Vries te Leiden’. De ‘waardige en achtenswaardige grijsaard’ zat in zijn stil studeervertrek te werken aan het woord argeloos. ‘Getroffen antwoordde hij terstond de dankbare regelen, die later in de openbare zitting werden meegedeeld.’

Quack herdacht in de vergadering van het XXIIe Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres, in augustus 1893 te Arnhem, het overlijden van De Vries. Zijn dood was voor het Woordenboek een bittere slag, zei hij, maar, dank zij het besluit van het congres in 1887, toen de Commissie van Bijstand werd ingesteld, kon het werk zonder storing voortgezet worden: ‘De draden van het weefgetouw werden niet gebroken.’

Dick Wortel

Ik dank Lut Colman voor haar medewerking aan de totstandkoming van dit artikel.

Literatuur

J.A. Alberdingk Thijm, ‘De “Heeren” en de “Konst” ’ in: Dietsche warande 6 (1864), pp. 45-65.
[R.C. Bakhuizen van den Brink (?)], ‘De Staatsbegroting voor 1861, in verband met onderwijs, kunst en wetenschap’ in: De Nederlandsche Spectator 1860, p. 381.
Jan ten Brink, ‘Het XXIe Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres te Gent’ in: Haagsche Stemmen 4 (1891), p. 478.
Eerste Verslag der Commissie van Bijstand van het Woordenboek van Professor de Vries. Gent 1892.
C. Vosmaer (‘Flanor’), ‘Vlugmaren’ in: De Nederlandsche Spectator 1879, pp. 322-323.
M. de Vries, Inleiding tot het WNT. [1882].

prepostterug  begin  verder