terug  begin  verderprepost

Toespraak bij de officiële presentatie van de twaalfde editie van de Grote Van Dale op 31 augustus 1992

Onze voorganger dr. C. Kruyskamp, die de achtste, negende en tiende editie van de Grote Van Dale in zijn eentje bewerkte en de zevende in samenwerking met dr. F. de Tollenaere, schreef in zijn ‘Bericht voor de tiende uitgave’: (het uitgangspunt voor de gebruiker moet niet zijn) ‘het staat in de Grote Van Dale, dùs het is zo, want het omgekeerde is veeleer het geval: òmdat het zo is (naar het beste weten van de bewerkers) staat het (zo) in de Grote Van Dale’.

Met deze bijna aforistische uitspraak typeerde dr. Kruyskamp, die op 6 april 1990 overleed, treffend de Grote Van Dale, het woordenboek dat hij het gezaghebbende karakter heeft gegeven dat het nu heeft. Als we zijn woorden anders formuleren, kunnen we zeggen: de Grote Van Dale probeert een spiegel van de werkelijkheid te zijn door alle woorden op te nemen die gedurende drie jaar frequent en over het hele land verspreid zijn aangetroffen. In die zin is de Grote Van Dale descriptief.

Het is elke keer weer boeiend om te zien hoe de taal in de acht jaar die er liggen tussen de elfde en deze twaalfde editie zich heeft ontwikkeld en wat er veranderd is in de samenleving, welke nieuwe technische vindingen er gedaan zijn (ik denk aan: aidsremmer, brailletelefoon, buisbaby, camcorder, chemocar, chipkaart, cijfercode, D.A.T.-recorder, euthanasiepil, sleutelpaal, snelheidsbegrenzer, telefoonkaart, videoclip) en welke maatschappelijke verschijnselen zich hebben voorgedaan (ik denk aan: afvalprobleem, carpoolen, carrièrestop, contactverbod, derde-wereldwinkel, discodoof, energiebewust, huurmoord, samenlevingscontract, smogalarm).

Uit die nieuwe woorden is af te lezen welke sociale verschijnselen er in een land spelen. De periode die lag tussen het verschijnen van de tiende editie (1976) en de elfde editie (1984) werd gekenmerkt door de aandacht van het individu voor zichzelf. Het was het egotijdperk en dus ontstonden er woorden als zelfaanvaarding, zelfbeeld, zelfdoener, zelfhulp, zelfhulpgroep, zelfrealisatie en zelfzorg.

[p. 41]

De meest karakteristieke woordenreeks van de afgelopen acht jaren ligt op een ander terrein. Ons leven wordt vergald en bedreigd door gif: gifaanval, gifalarm, gifdamp, gifgrond etc. en het milieu wordt aangetast: milieuaccountant, milieuarts, milieubijstandsteam, milieucrimineel.

De computer begint een steeds grotere rol in onze maatschappij te spelen, vandaar de vele tientallen woorden met het woord computer als eerste lid: computeranalyse, computeranimatie, computercentrum en computercriminaliteit.

Opvallend is dat de toenemende welvaart zich weerspiegelt in een verandering van onze eet- en drinkgewoonten. We laven ons aan spijzen en dranken uit den vreemde en spreken even gemakkelijk over amuse-gueule, anti-pasto, cannelloni, chipolata, sabayon en scampi als we vroeger over draadjesvlees spraken. Woorden als cateren, catering, eetcafé, foodprocessor, blender en buffetontbijt zijn nauwelijks meer uit onze taal weg te denken. Maar die toenemende welvaart heeft ook haar schaduwzijde. We worden te dik of leven ongezond, wat zich uit in woorden als calorieënverbruik, cholesterolremmer, dieetmenu, dieetprodukt, dieetsoep, dieetvoeding, dikmaker, eetverslaafd, vezelbrood en vezeldieet.

De Grote Van Dale is dus beschrijvend, registrerend, descriptief. Betekent dat nu ook dat ‘alles wat gezegd of geschreven wordt als (goed) Nederlands kan gelden alleen omdat het gezegd of geschreven wordt’? (zoals Kruyskamp dat formuleerde). Allerminst. De Grote Van Dale legt niet alleen vast wat er in de taal gangbaar is, maar geeft ook aan of de ‘spraakmakende gemeente’ een woord correct acht of niet, en of diezelfde ‘spraakmakende gemeente’ het woord in stilistische zin tot de informele of formele stijl vindt behoren of een woord of betekenis afkeurt als volkstaal of vulgair.

Een lexicograaf die zich gewetensvol van deze kwalificerende taak kwijt, brengt daarmee (om de vorig jaar overleden emeritus-hoogleraar C. Stutterheim te citeren) niet ‘alleen een subjectieve gevoelsreactie tot uitdrukking, maar verkondigt daarmee tevens een communis opinio, zij het dan een communis opinio van een betrekkelijk kleine groep Nederlanders’. In die zin is de Grote Van Dale dus normatief, het geeft een waardeoordeel, niet echter het waardeoordeel van de bewerkers alleen, maar van de taalgemeenschap. Dit is een lastige taak en het zal duidelijk zijn dat de taalwerkelijkheid complexer is dan een woordenboek kan aangeven. Een lexicograaf doet er goed aan zich te realiseren dat een woordenboek een gebruiksvoorwerp is, geen puur taalkundig-wetenschappelijk produkt. De gebruiker wil weten hoe hij een woord moet spellen, wat de betekenis van een woord is en wat zijn verbindingsmogelijkheden zijn. Maar ook of het als een germanisme wordt beschouwd en of het informeel, vulgair of volkstaal of gewoon fout is. Vandaar dat uitputtend en klip en klaar in de Grote Van Dale als germanismen worden gekwalificeerd. Bij enigste staat te lezen dat het ‘om het onlogische ervan beter te vermijden’ is. Bij gijzelaar dat dit woord ‘vaak ten onrechte (gebruikt wordt) voor ‘degene die gijzelt’ (terwijl, zoals u allen weet, een gijzelaar iemand is die gegijzeld wordt, niet degene die zelf gijzelt). Bij hun dat het in de volkstaal wordt gebruikt in de eerste persoon (in plaats van zij). Bij éminence grise vindt u dat het ‘eigenlijk onjuist’ wordt gebruikt voor een ‘oudere man die als onbetwist leider op een bepaald gebied wordt beschouwd’, terwijl u allen weet dat de eigenlijke betekenis van éminence grise is ‘vertrouweling van een vorst of staatshoofd, die achter de schermen een grote rol speelt’ en u allen er zich zeer goed van bewust bent dat die betekenis tot de Franse geschiedenis is te herleiden waar de kapucijn père Joseph (in de wereld François Leclerc du Tremblay) de vertrouweling was van kardinaal de Richelieu (die zelf de éminence rouge werd genoemd) en dat kapucijnen een grijs-bruine pij dragen.

Als iemand ernaar streeft zijn taal vrij te houden van woorden, uitdrukkingen of betekenissen die aan het Duits ontleend zijn of van fouten, dan moet het woordenboek hem daarover uitsluitsel geven. Het woordenboek is immers zijn enige gids. Als hij er geen been in ziet zijn taal te doorspekken met germanismen, neologismen of fouten als niet nadat, dan zal hij zich van de kwalificatie ‘germanisme’ of ‘foutief’ of ‘contaminatie’ niets aantrekken. Dezulken zijn niet meer te helpen.

Hierboven heb ik gesteld dat een woordenboek als de Grote Van Dale beschrijvend moet zijn in het opnemen van woorden, maar normatief in het kwalificeren van die woorden. Dat geldt ook voor woorden die beledigend zijn voor groepen uit de samenleving. Ik noem onder andere: jezuïetenstreek, boer, blauwe, schoonmaakturk. Die woorden moeten, als ze tenminste enige jaren gangbaar zijn geweest, worden opgenomen in een woordenboek. Ook hier heeft de lexicograaf een registrerende taak. Als het woordenboek inderdaad een spiegel van de samenleving wil zijn, dan zou het onjuist zijn om de onaangename kanten van die samenleving af te dekken en onzichtbaar te maken. Maar dan moet het woordenboek, als spiegel van de maatschappij, ook weergeven wat het oordeel van die samenleving over die woorden is. De inhoud van een woordenboek wordt immers mede bepaald door in de maatschappij levende visies en opvattingen. Die mening wordt al in 1958 naar voren gebracht door Stutterheim. ‘Wanneer de lexicograaf niets van te voren uitschakelt, zoveel mogelijk alles opneemt, maar daarin toch een op waardering berustende onderscheiding aanbrengt door sommige woorden plat of gemeenzaam te noemen, gaat hij zijn taalwetenschappelijke boekje niet te buiten. Niet door hem, of niet alleen door hem, maar door anderen worden ze als zodanig beschouwd.’ In deze twaalfde editie hebben wij die beledigende woorden dan ook voorzien van de kwalificatie ‘beledigend’.

Twee punten wil ik nog aan de orde stellen. Allereerst de etymologie. Bij circa 37.000 trefwoorden (over het algemeen niet-samengestelde woorden) is in deze twaalfde editie voor het eerst de herkomst van een woord vermeld. Een nieuwigheid waarmee wij zelf erg gelukkig zijn omdat er kort interessante informatie wordt verstrekt. Zo staat bij harakiri te lezen dat het uit het Japans stamt en gevormd is van hara (buik) en kiri (snijden). Bij hart leest u dat het verwant is met Latijns cor en

[p. 42]

Grieks kardia. Bij havik vindt u dat het mogelijk dezelfde stam heeft als hebben en dat havik dus eigenlijk betekent ‘een hebberd’ ofwel ‘vogel die wegpakt’.

De bekende achttiende-eeuwse Engelse lexicograaf Samuel Johnson definieerde het woord net als ‘een hoeveelheid gaatjes met touw er omheen’ en oats (‘haver’) als ‘a grain, which in England is usually given to horses, but in Scotland supports the people’.

Dat brengt mij op het tweede punt: het meest bevredigende maar ook moeilijkste onderdeel van de lexicografie, het definiëren. Ook hier probeert de lexicograaf niet zijn eigen visie of mening te formuleren. Hij probeert op grond van levend taalgebruik, uit de context op te maken welke betekeniselementen een woord heeft volgens de taalgebruikers. (Althans, als het niet gaat om vaktaaltermen, maar om gewone woorden). Het opstellen van een goede definitie is een zaak van eindeloos wikken en wegen, van veel lezen en van veel raadplegen en duurt soms uren. En dan nog zal vrijwel elke definitie niet voor iedereen bevredigend zijn.

Als u de definities van een en hetzelfde woord in verschillende woordenboeken vergelijkt - en ik kan u vanharte aanbevelen dat te doen: het verschaft een groot genoegen - ziet u ook grote verschillen. Zo definieert de Petit Robert het bijvoeglijk naamwoord kafkaïen (‘kafkaësk’ of ‘kafkaïaans’) als ‘qui rappelle l'atmosfère oppressante des romans de Kafka’. Dus als: ‘die doet denken aan de beklemmende sfeer van de romans van Kafka’. Die definitie is niet onjuist, maar wel onvolledig. Kennis van de romans van Kafka is vereist om te weten waar die beklemmende sfeer door wordt opgeroepen. Vaak kan een definitie verbeterd worden door je af te vragen: wie, wat, waar, waarom, waarmee, waardoor? Toen we de definitie van kafkaësk voor de Grote Van Dale opstelden hadden we ons in eerste instantie beperkt tot ‘op raadselachtige wijze beangstigend, bedreigend’, hetgeen min of meer overeenkomt met de ‘beklemmende sfeer’ uit de definitie van de Petit Robert. Toen we ons de vraag stelden waardoor die bedreiging ontstond, hebben we de definitie uitgebreid met ‘(vooral door een overgeperfectioneerde samenleving die zich aan de controle van het individu onttrekt)’. Maar ook deze definitie berust, zoals alle definities, op een interpretatie van de beschikbare gegevens door de bewerkers en op hun kennis en bevat dus subjectieve elementen.

Honderdtwintig jaar geleden, op 19 mei 1872, stierf Johan Hendrik Van Dale, 44 jaar oud slechts, aan de ‘kinderziekte’ zoals men in die tijd zei, dat wil zeggen de pokken. Hij heeft de verschijning van het eerste woordenboek dat zijn naam draagt net niet meer mogen beleven.

Hij moet een enigszins realistisch en dus somber mens zijn geweest. In het Voorbericht op het ‘Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal’ schrijft hij: ‘Het schrijven van een Woordenboek is een ondankbaar, een verdrietig werk. Is er veel, dat men heeft opgenomen of verbeterd, er is nog veel meer, dat men vergeten heeft, dat aan de aandacht ontsnapt is en alzoo onverbeterd is gebleven.’ Is het schrijven van een woordenboek verdrietig werk? Nee. Toch zijn er, zoals ik u heb laten horen, wel grote problemen aan het werk verbonden die de lexicograaf soms uit zijn slaap kunnen houden. Maar ik kan u verzekeren dat collega Geerts en ik met zeer groot plezier aan deze twaalfde druk hebben gewerkt.

 

Hans Heestermans

prepostterug  begin  verder