terug  begin  verderprepost
[p. 48]

Mijn vader was een porgel

Het is typisch Brits om nonsensliteratuur typisch Brits te vinden. Eenkennige Engelsen beheersen naast hun eigen taal hooguit nog het Honds uit Sylvie and Bruno van Lewis Carroll, en weten dus niet dat er nog een elegante Franse en een diepzinnige Duitse school bestaan. Op hun beurt hebben Fransen en Duitsers geen weet van de eigensoortige nonsenstraditie die onze praktische polders opvrolijkt. Als voorbereiding op het Blauwbilgorgeljaar 1993 (het zal dan een halve eeuw geleden zijn dat het bekendste nederlandstalige nonsensgedicht, ‘De blauwbilgorgel’van C. Buddingh', voor het eerst ‘openbaar’ gemaakt werd, samen met ‘De bozbezbozzel’, in de derde jaargang van De schone zakdoek, in een oplage van één exemplaar) enkele notities over de Nederlandse School.

 

Hier zou allereerst een kordate definitie van nonsensliteratuur moeten volgen, maar helaas is zelfs de Duitse school, die inmiddels toch niet zonder finesse onderscheid maakt tussen Nonsense, Unsinn, Quatsch en Höherer Blödsinn, nog niet op een echt bruikbare definitie gestuit. In dit korte bestek mag misschien worden volstaan met te attenderen op het parodistische karakter van alle nonsensliteratuur: ook waar geen stijlparodie beoogd wordt is er tenminste een parodie op de logica, de betekenisdwang. De parodie heeft geen serieuze bijbedoeling, in tegenstelling tot de satire, die dan ook eigenlijk verklede ernst is. Nonsensicale humor is, zou men kunnen zeggen, humor die nergens goed voor is.

 

Dat soort humor kreeg in de 19e eeuw metrische pasvorm in het Nederlands dank zij De Schoolmeester, opmerkelijk genoeg onafhankelijk van de Engelse nonsensklassieken uit dezelfde eeuw. Hij kende waarschijnlijk wel de humoristische maar niet echt nonsensicale Ingoldsby Legends van Barham die vanaf 1837 verschenen, maar moet zijn in 1859 postuum als Gedichten van Den Schoolmeester gebundelde verzen geschreven hebben zonder de nonsensgedichten van Edward Lear in A Book of Nonsense (1846) of die van Lewis Carroll in The Adventures of Alice in Wonderland (1865) te hebben gelezen. Na hem is er echter zo dikwijls sprake van inspiratie door een vreemdtalig voorbeeld dat dit wel karakteristiek mag heten voor de Nederlandse School. Dat komt niet doordat Nederlandse nonsensdichters minder begaafd zijn - soms wordt het voorbeeld overtroffen - maar omdat ze hun talen kennen.

 

Met name werk van Edward Lear (1812-1888), Lewis Carroll (1832-1898) en Christian Morgenstern (1871-1914) stond model voor Nederlandse nonsenspoëzie (om me daartoe te beperken, in spijtige navolging van de handboeken die steevast alleen nonsenspoëzie als lemma geven). Jan Hanlo schreef in Barbarber 54: ‘Morgenstern was voor mij een verrassende ontdekking, niet zo dierbaar echter als m'n kennismaking met Edward Lear, de grote Engelse nonsense-poëet, was. Bij Lear, d.w.z.

illustratie
‘De muze van de nonsens’ door de Amerikaanse nonsensdichter Gelett Burgess (1866-1951)

niet zozeer in z'n limericks maar in z'n “songs”, hoor ik tamboerijnen, ergens fladderen spreeuwen; woestijnzand, pelikanen en wandelende stoelen zijn niet ver. De kinderkamer is niet ver, het lijkt wel of het geluid van tamboerijnen uit de kinderkamer komt. Maar hoe zouden kinderen zo bekwaam zijn deze te bespelen? 't Is dan ook niet dóór kinderen, maar vóór. En voor volwassenen als ze het horen willen. Of: voor volwassenen, én voor kinderen als die 't horen willen.’ Een verre echo van het refrein van Lears ‘Mr. & Mrs. Spikky Sparrow’ (‘Twikky wikky wikky wee/Wikky bikky twikky tee/Spikky bikky bee!’) kan men eventueel beluisteren in Hanlo's bekende klankdicht ‘De mus’ (‘Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp’ enz.). In andere gevallen is de navolging evidenter. Het op één na bekendste Nederlandse nonsensvers, ‘Spleen’ (1954) van Godfried Bomans, is zelfs een regelrechte parafrase, en wel van de slotregels van de ‘Ballade der groszen Müdigkeit’ (‘Neidvoll gewidmet den beiden Foxterriers Tommy und Molly, fünf Monate alt und zugehörig einer nicht viel älteren Besitzerin, zu Paris, im Jardin du Luxembourg, an einem warmen Septembertag des Jahres 1938.’) van Friedrich Torberg (1908-1979).

 
ich möchte alles, was ich fühl, nicht fühlen
 
und ganz allein sein... Nein, nicht ganz allein:
 
Ich möchte gern zwei kleine Hunde sein
 
und miteinander spielen.
 
 
 
Spleen
 
 
 
Ik zit mij voor het vensterglas
 
onnoemelijk te vervelen.
 
Ik wou dat ik twee hondjes was,
 
dan kon ik samen spelen.

Een van de aardigste Nederlandse Carroll-imitaties is hoegenaamd niet als zodanig bedoeld. Het is de ‘Serenade’ van Charivarius, geschreven als parodie op dada. De meest geslaagde Carroll-navolging is echter van Daan Zonderland en ook uitdrukkelijk aldus bedoeld, zoals al

[p. 49]

uit de titel blijkt. Een gedicht uit Carrolls minder gelukte latere werk Sylvie and Bruno diende duidelijk als voorbeeld. Van beide hier een strofe.

The Mad Gardener's Song
 
He thought he saw an Elephant,
 
That practised on a fife:
 
He looked again, and found it was
 
A letter from his wife.
 
‘At lenght I realise,’ he said,
 
‘The bitterness of life!’
Carrollade voor Lewis
 
Hij dacht dat hij een filmster zag
 
Die soep dronk door een riet.
 
Maar toen hij weer keek was het slechts
 
Een woordeloos verdriet.
 
‘Gelukkig,’ zei hij opgelucht,
 
‘Want zoiets doet men niet.’

Op deze poëzie lijken de ordentelijke rubriekjes ‘ernst’ en ‘humor’ niet berekend. Het gaat hier om een soort humor die niet het tegendeel van ernst is. De lijn Carroll-Zonderland zet zich voort in de recent verschenen bundel van Simon Knepper: De geur van Zeeuwse meisjes. Knepper lijkt daarin deze dichttrant intussen als typisch Zonderlands te beschouwen, of geeft de titel van zijn gedicht aan dat nonsenspoëzie geen welbepaald land van herkomst heeft?

Liedje zonder land
 
 
 
Er zat een dame langs de straat
 
Met roodbeschreide ogen,
 
Die zelfgemaakte verzen zong
 
Van schuld en onvermogen.
 
 
 
Zij droeg een zwarte nachtjapon
 
En bordjes aan haar oren,
 
Waarop met krijt geschreven stond
 
‘Uit zondigheid geboren’.
 
 
 
Wanneer men echter stil bleef staan,
 
Door meegevoel bewogen,
 
Verklaarde zij met luider stem
 
Dat alles was gelogen.

Ook in de Galgenlieder van Morgenstern, wel eens metafysische wiegeliederen genoemd, murmelt deze droeve geestigheid. In domineesland, waar de compartimentering van ernst en luim traditioneel zo rigoureus was dat ernst wel eens wat schril werd, en luim wat al te luimig, werd deze dubbeltonigheid dankbaar overgenomen, bijvoorbeeld in sommige Gorgelrijmen van Buddingh'. Bij Morgenstern wemelt het van de ‘dieren die nog niet in Brehm staan’, zoals de Mitternachtsmaus, het Mondschaf en het Nasobem, en al beweert de blauwbilgorgel ook ‘Mijn vader was een porgel’, bij de ‘gorgelgenese’ speelde stellig ook Morgenstern een rol. Ook de naam van De schone zakdoek, het blad waarin de blauwbilgorgel voor het eerst gesignaleerd werd, is ontleend aan

illustratie
Tekeningetje van Edward Lear

een gedicht van Morgenstern. Daarin gaat iemand ongesnoten voort omdat artistieke scrupules het hem onmogelijk maken zijn fraaie rode zakdoek te smetten.

 

Nonsensliteratuur mag dan niet typisch Brits zijn, typisch Brits is wel een zeker animo om eigen of andermans werk tot de nonsensliteratuur te rekenen. In Nederland prefereert de tendensvrije humorist een dadaïstische, surrealistische of postmodernistische feestmuts. Het zorgelijke gevolg is dat de Nederlandse School dreigt te verpieteren tot een wat treurig residu van meligheid.

 

Niet alles is overigens navolging wat zo klinkt. Zo zou men zeggen dat het fraaiste Nederlandse abracadabraïstische gedicht, ‘Barlemanje’ van Marten Toonder, overduidelijk ingegeven is door ‘Jabberwocky’ van Carroll, de bekende parodie op de romantische ballade uit Through the Looking-Glass. Van beide de eerste strofe:

 
'T was brillig, and the slithy toves
 
Did gyre and gimble in the wabe:
 
All mimsy were the borogoves,
 
And the mome raths outgrabe.
 
 
 
't Was grol en gloei
 
En slomig broei
 
In lure, slore stirren.
 
Het was sar stomig in mijn krol,
 
Daar stonk een kwalm van schit en brol,
 
Er sloomden glome knirren.

Desgevraagd bleek dat toch niet het geval. Er is zelfs een wezenlijk verschil tussen beide gedichten: ‘In Jabberwocky is het denken al Woord geworden. [...] Barlemanje berust meer op de oertrilling, die aan het Woord vooraf gaat, maar waar, historisch gezien, het Woord uit voortkomt’ (brief 21-4-1991). Het zuivere denken is volgens Toonder woordloos. Dit werpt natuurlijk nieuw licht op het fameuze dictum van Heer Bommel: ‘Ik ben vaak sprakeloos omdat ik zeg wat ik denk.’

 

Tysger Boelens

prepostterug  begin  verder