terug  begin  verderprepost
[p. 12]

Het genootschap Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen

Kunst en wetenschap stonden in de achttiende eeuw in hoog aanzien. Een groot aantal genootschappen en maatschappijen op dit gebied werd in de Eeuw van Verlichting opgericht. In het jaar 1766 aanschouwden zelfs twee van dergelijke verenigingen in Leiden het licht: de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde die haar eerste bijeenkomst hield op 18 juli en het taal- en dichtlievend genootschap Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen, met zijn eerste vergadering op 11 november van dat jaar. De boekverkoper-dichter Cornelis van Hoogeveen was, samen met zijn collega Cornelis Heyligert, de auctor intellectualis van dit gezelschap, dat zich zou richten op het beoefenen van de toneelpoëzie. Kort daarop vonden ze Johannes van der Zijp, Gerrit van Gulik, Jan Moelée en Jan Hollebeek bereid toe te treden en het aantal leden bleef stijgen.

Al gauw vond men onder de bekendste letterkundigen in het gehele land de buitenleden. Jaarlijks hadden de algemene vergaderingen plaats, maar zeer trouw werden de maandelijkse bijeenkomsten bezocht. Het was, zoals een tijdgenoot schrijft, een broederschap gelijk aen die, welke voorheen elders waeren en aen die welke nog heden in stand zijn, een voortzetting dus van de oude Rederijkerskamers, maar op bredere grondslag. Enige vroedschapsleden traden spoedig als beschermheer op, zoals Daniël van Alphen, waardoor het gezelschap uiteraard meer luister, maar waarschijnlijk ook meer materiële middelen kreeg.

Men kende naast de beschermheren hoofdleden, medeleden en honoraire leden. Hoofdleden waren de oorspronkelijke (zes) leden van het genootschap; later werden ook anderen als hoofdlid toegelaten. Hoofdleden waren ook eigenaar van de bezittingen. Nieuwe leden werden verkozen op advies van de leden. Ze moesten voldoen aan een aantal eisen: van onbesproken gedrag zijn en kundig zijn in taal en poëzie.

Het bestuur telde aanvankelijk zes leden: de voorzitter, twee secretarissen, de penningmeester en twee opzichters over de eigendommen. In 1774 werd het bestuur met vier leden uitgebreid.

De maandelijkse vergaderingen vonden plaats op de eer-

illustratie
P.C. La Fargue, De vergaderzaal van Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen, 1774. Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden.

[p. 13]

ste woensdag om half zes en duurden tot uiterlijk negen uur. Op de agenda stonden huishoudelijke zaken en het voordragen van gedichten door de leden.

De jaarlijkse vergaderingen werden op Hemelvaartsdag gehouden, van 's middags twee tot 's avonds acht uur. De voorzitter opende met een gedicht.

 
Wees driewerf welkom, braeve Rij
 
Van Phoebus echte Zoonen!
 
Die Neêrlands Tael en Poëzij,
 
Ten smaed der kreuple bastaerdij,
 
Uw' bijstand wilt betoonen.
 
 
 
De Dood heeft sints een jaer getracht
 
Zes onzer te doen sneeven,
 
Doch een alleen viel in zijn magt,
 
Al de andren zijn terug gebragt,
 
En juichen in dit leeven.
 
 
 
Wees driewerf welkom, op deez' dag,
 
In Phoebus glorietempel,
 
Waer Vriendschap, met een' blijden lach,
 
Ontrust door droefheid noch geklag,
 
De wacht houdt aen den drempel.

En zo ging Van Hoogeveen nog zes coupletten door.

Vervolgens werden nieuwe leden voorgesteld, over wie met witte en zwarte bonen gestemd werd. Daarna las de secretaris het verslag van de belangrijkste gebeurtenissen en de ledenlijst voor.

Vervolgens werd aandacht besteed aan de prijsvragen. Bij deze letterkundige prijsvragen onderscheidde men drie typen: prijsverzen, levensbeschrijvingen van dichters en theoretische verhandelingen. Het onderwerp werd door de hoofdleden en beschermheren bepaald en aan kranten en tijdschriften doorgegeven. Iedereen mocht meedingen, ook niet-leden, uitgezonderd hoofdleden, beschermheren en medebestuurders. Het ingezonden stuk moest voorzien zijn van een zinspreuk. Beoordeling geschiedde door beschermheren en hoofdleden. De prijs werd pas toegekend bij drievierde meerderheid.

Voor de levensbeschrijvingen werden jaarlijks vier dichters uitgekozen van wie het leven beschreven kon worden en voor de theoretische verhandelingen werd de stof bepaald door de vergadering van beschermheren en bestuurders.

Als prijs werd een zilveren penning uitgeloofd. Deze was ontworpen door het medelid Nicolaas Reyers. Op

illustratie
P.C. La Fargue, Dezelfde zaal, anno 1780. Stedelijk Museum de Lakenhal, Leiden (in bruikleen van het Rijksmuseum, Amsterdam).

[p. 14]

de voorzijde was Apollo te zien, leunend tegen een afgebroken zuil waarop het wapen van Leiden. In zijn linkerhand hield hij zijn lier, terwijl hij met de rechterhand een lauwerkrans aanbood aan de voor hem knielende dichter. Verder was het opschrift Praemium Poesias Laurus (lauwer is de ereprijs der dichtkunst) te zien. De keerzijde vertoonde een krans waaromheen de naam van het genootschap vermeld was. Binnen die krans kon de naam van de winnende dichter gegraveerd worden.

Tien achtereenvolgende jaren was Cornelis van Hoogeveen jr. voorzitter (1766-1776). Hij stelde in zijn huis aan de Lange Pieterskerkkoorsteeg (thans nr. 20) een ruimte ter beschikking, die als vergaderzaal gebruikt kon worden. De vierde april 1770 werden de leden uitgenodigd om op 11 april de zaal in te wijden. Een jaar later begon een van de leden, de schilder Paulus Constantijn La Fargue, met de opzet van een schilderij, dat die vergaderzaal in beeld moest brengen. Op de jaarvergadering van 1774 kon hij het voltooide schilderij aan de verzamelde leden tonen. Johannes Le Francq van Berkheij beloofde een dichtstuk op de zaal te maken, hetgeen hij echter nooit verwezenlijkte. Hij kreeg bij deze gelegenheid wel de penning uitgereikt, voor een gedicht dat hij in 1772 had voorgedragen.

In dat jaar (1772) was het Pan Poëticon Batavum aangekocht, een kabinet met laadjes, waarin 327 portretten van Nederlandse dichters en schrijvers werden bewaard. Die verzameling was in eerste aanleg vervaardigd en verzameld door de Amsterdamse amateurschilder Arnoud van Halen (1673-1732). Al in 1719 had hij 200 portretten en grisaille naar prenten gekopieerd en in de prachtige ladenkast opgeborgen. De volgende bezitter werd Michiel de Roode. Na zijn dood kwam het kabinet op een veiling in Amsterdam, waar het echter niet werd verkocht. Een jaar later werd Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen de trotse eigenaar. De nieuwe bezitter ging door met het aanvullen van de collectie portretten, waarbij vooral de schilder Nicolaas Reyers (1719-1796) een belangrijke rol speelde. Zelfs de bode Jan Klinkenberg, die zaal en collectie aan de geïnteresseerde toeristen mocht tonen, kreeg een plaatsje toebedeeld. Zijn portret rustte in de onderste lade, naast de sleutels die hij bij de rondgang nodig had.

In het midden van de zaal bevond zich een grote langwerpige tafel, die - zoals een van de buitenlandse bezoekers in zijn reisverslag meldde - plaats bood aan 90 personen! Op het schilderij van La Fargue uit 1774, in de Lakenhal aanwezig, zien we een langwerpige zaal met een koofvormige zoldering, links drie ramen, die uitkijken op een binnenplaats, rechts de schouw versierd met een allegorie in een rococolijst. Rechts in de hoek staat een grote fauteuil, een stoflaken is teruggeslagen, zodat we het rijke borduurwerk van de rugleuning zien. Waarschijnlijk is dit de zetel van de voorzitter. Tegen de achterwand staan regence-stoelen, waaronder twee met armleuningen. In het midden het vermaarde Pan Poëticon Batavum, met erboven het door Nicolaas Reyers geschilderde wapenbord van de vier beschermheren Johannes van der Marck, Daniël van Alphen, Jan van Royen en Johannes Schultens. Aan weerskanten hangen acht ingelijste gedichten betreffende het beleg en ontzet van Leiden van de hand van Lucretia van Merken, verder zes wapenschildjes, portretten en andere schilderijen. Rechts in de hoek een gebronsd Apollobeeld, dat bij de buskruitramp van 1807 sneuvelde. Naast de schouw een portret, mogelijk prins Maurits voorstellende, en geheel rechts een model van het monument voor Vondel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

In 1780 kon de eigenaar van het pand, Cornelis van Hoogeveen, de zaal niet langer verhuren, wat misschien de aanleiding was voor het tweede schilderij door La Fargue, nu gezien naar de andere kant en gedateerd 1780. Men kocht een ander onderkomen, op de Langebrug, waar op een buitengewone jaarlijkse vergadering (6 december 1780) de nieuwe zaal ingewijd werd.

Aan het eind van de achttiende eeuw hadden de leden meer oog voor politieke functies en daardoor weinig tijd voor de dichtkunst. Fusies met twee zustergenootschappen in Amsterdam en Rotterdam werden ondernomen en uiteindelijk werd Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen een afdeling van de Bataafse Maatschappij van Taal- en Dichtkunst, sedert 1806 de Hollandse Maatschappij van fraaye kunsten en wetenschappen, met later nog afdelingen in Den Haag en Dordrecht.

Door de buskruitramp was ‘de grote zaal geheel onbruikbaar geworden, het levensgrote beeld van Apollo ter neder geslagen en verpletterd, het Pan Poëticon vergruisd, de uitmuntend gelijkende beeltenissen der dichters beschadigd en alom verstrooid, lusters, spiegels en kostbaarheden gebroken’.

De collectie werd in 1818 en 1849 geveild en daarna verspreid.

In de loop van de negentiende eeuw leden verschillende afdelingen een steeds moeizamer bestaan. Uiteindelijk ging de afdeling Leiden in 1895 ter ziele, een roemloos einde van een eens zo bloeiend genootschap.

 

Ingrid W.L. Moerman

Geraadpleegde literatuur:

Op de Vergadering van het Leydsch Genootschap Kunst wordt door arbeid verkregen, In de maand Mey van Leyden's twee-honderdjaarig Jubeljaar, tot herinnering van het in die maand begonnen Beleg dier Stad; op den Leydschen Doele uitgesprooken. [Leiden 1774].
J. van Royen A.Z., Ter Opening der Vergaderinge van het Tael- en Dichtlievend Genootschap onder de Spreuk: Kunst wordt door arbeid verkreegen. Op den twee-honderdjaerigen Gedenkdag van Leydens Verlossinge; den III. van Wijnmaend 1774. Leiden 1774.
Handelingen der Jaerlijksche Vergadering van het Tael- en Dichtlievend Genootschap, Ter Spreuke voerende: Kunst wordt door arbeid verkreegen: Gehouden te Leyden, in deszelfs Vergaderzael, op Donderdag den 12. van Bloeimaend MDCCLXXIV [Leiden 1774].
Welkomstgroet aen de Leden van het Genootschap, onder de spreuk: Kunst wordt door arbeid verkreegen; In de jaerlijksche Vergadering. Op den 12. van Bloeimaend 1774 [Leiden 1774].
Wetten van het Tael- en Dichtlievend Genootschap Onder de Spreuk: Kunst wordt door arbeid verkreegen; binnen Leyden. Opgericht op den XI. van Slagtmaend, MDCCLXVI.
Naemlijst der tegenwoordige leden van het Tael- en Dichtlievend Genootschap, Onder de Spreuk: Kunst wordt door arbeid verkreegen. 1785, 1790, 1794.
E. Pelinck, ‘De vergaderzaal van Kunst Wordt Door Arbeid Verkregen’, in: Leids Jaarboekje 48 (1956), 154-161.
B. Thobokholt, Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arheid verkreegen’ te Leiden, 1766-1800. Utrecht 1983.

prepostterug  begin  verder