terug  begin  verderprepost
[p. 8]

Vergeten leden A.J. ten Brink

Heel vaak zal het niet zijn voorgekomen, dat twee broers lid waren van de Maatschappij. Albertus Jan ten Brink (1836-1917) was dit voorrecht beschoren, samen met zijn broer Jan (1834-1901), de Leidse hoogleraar die zo'n moeizame verhouding had met de Nieuwe Gids-ers. A.J. ten Brink moet van het begin af in de schaduw van zijn broer hebben gestaan. Jan was de oudste zoon. Toen A.J. in Utrecht theologie ging studeren, was Jan hem voorgegaan. A.J. schreef in de Utrechtsche Studentenalmanak, maar Jan was hem weer vóór en schopte het bovendien tot redacteur. Waar Jan in 1857 een gouden medaille mocht ophalen in Groningen voor zijn studie over Bredero, was een dergelijke bekroning voor A.J. niet weggelegd.

Na zijn studententijd, in de jaren zestig (zijn broer was even huisonderwijzer in Indië en maakte daarna carrière in Den Haag als leraar aan de hbs), was A.J. als gouverneur en onderwijzer werkzaam bij verschillende families en instituten. Hij gaf oude en nieuwe talen, wiskunde, geschiedenis en aardrijkskunde. Van 1862 tot 1864 was Ten Brink werkzaam op Harinxmastate te Beetsterzwaag. Zijn ervaringen aldaar verwerkte hij in de roman Willem van Harpen's leerjaren. De familie Harinxma kocht zoveel mogelijk exemplaren op om ze te vernietigen.1 In 1868 werd hij waarnemend hoofd van de Latijnse school in Ootmarsum, daarna (1870) werd hij directeur van de hbs te Enkhuizen. In 1875 werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij. Zijn literatuurlijst bevatte toen gedichten, vertalingen, een Engels schoolboek, een roman en enkele blijspelen. Behalve letterkundig werk, zou hij aan deze lijst nog aardrijkskundige publikaties toevoegen.

In 1878 werd hij leraar geschiedenis, aardrijkskunde en staatswetenschappen in Semarang. Na een ziekteverlof van 1885 (het jaar waarin zijn broer hoogleraar werd) tot 1887, werd hij in 1888 leraar aan de hbs en het gymnasium Willem iii in Batavia. In 1893 werd hij gepensioneerd. Hij vertrok naar Nederland, maar verbleef van 1898 tot 1911 weer in Indië. Hij overleed in 1917 in Den Haag. Het enige waarin hij zijn broer Jan ruimschoots overtrof, was het aantal van zijn levensjaren.

Enno Zuidema, de auteur van het levensbericht van A.J. ten Brink, waaraan de meeste biografische gegevens ontleend zijn,2 waardeert de geschriften van zijn onderwerp als vogels van diverse pluimage, in nauw verband staande met de studies, de levensomstandigheden en de loopbaan van hun auteur. Diepgaand waren zijn studies niet, en ook waren ze niet even scherpzinnig als die van zijn broer Jan (wiens oppervlakkigheid tussen haakjes door een tijdgenoot als Marcellus Emants werd gevangen in de aanduiding ‘Jan Vlugpen’):

‘Maar wat hij gaf was bijna zonder onderscheid degelijk en zaakrijk, onderhoudend en wel verzorgd. Zijn stijl moge al wat minder zwierig zijn dan die van den meergenoemden broeder, zijn verbeelding wat minder rijk, al wat hij schreef laat zich gemakkelijk lezen en munt uit door eenvoud en goeden smaak. De natuurbeschrijvingen in zijn romans zijn dikwijls treffend mooi.’

Het belangrijkste werk van Ten Brink is volgens Zuidema diens vertaling van Antigone van Sophocles. Deze vertaling werd in 1862 uitgegeven door A.C. Kruseman. De uitgave dekte de kosten niet.3 Toen Ten Brink in 1887 zijn poëzie verzamelde in de bundel Uit de gouden dagen, was de Sophocles-vertaling nog steeds niet uitverkocht.4 Het is geen sinecure deze vertaling heden ten dage in handen te krijgen.

Her en der bladeren in de werken van A.J. ten Brink - voorzover voorradig in de openbare boekverzamelingen - leverde mee- en tegenvallers op. Een proefje van de ‘Hollandsch-Indische roman’ Eigen schuld uit 1897 smaakte bepaald niet naar meer. Maar de gedichten van Ten Brink laten zich met genoegen lezen. Hij offerde hoofdzakelijk in de periode 1859-1867 aan de muze. Behalve vertalingen van o.a. Longfellow, schreef Ten Brink vooral een aantal verhalende gedichten. Het vroegste is een navolging van ‘De zieke jongeling’ van Jan van Beers, onder de titel ‘Arme Dora!’ (in de Utrechtsche Studentenalmanak van 1859 heette het nog ‘Arme Lucie!’). De aan tering lijdende Dora stuurt haar zus Bertha naar een dansfeest in de hoop zo bericht te krijgen over haar vroegere geliefde Willem die niets meer van zich laat horen. De lijderes bezwijkt, als ze hoort dat tijdens het feest de verloving van deze Willem met een ander gevierd werd.

Het aardigste gedicht van A.J. ten Brink is naar mijn smaak een onvervalst staaltje studentenpoëzie: Kees Kregel's liefdesavonturen of de Noordsche Don Juan. Ten Brink schreef dit ‘episch gedicht’ na zijn studententijd, in 1866 en 1867.5 Het verscheen in 1868 bij A.W. Sijthoff te Leiden onder het pseudoniem de ‘literator Epimetheus’. Waarom hij juist dit pseudoniem koos, is mij niet bekend, maar misschien is het niet toevallig dat ook Epimetheus een beroemdere broer had (Prometheus). Waarschijnlijk is Kees Kregel Ten Brinks meest succesvolle werk geweest. Zowel de uitgave van Sijthoff, als een ongeautoriseerde herdruk raakten uitverkocht.

Omdat niet iedereen over de tekst van dit gedicht zal beschikken, zij het mij veroorloofd er een korte impressie van te geven.

De eerste zang begint uiteraard met verwijzingen naar epen van Homerus, Vergilius, Tasso en Voltaire. En ook de critici worden aangesproken:

 
O, critici en schelmsche criticasters!
 
Wat braakt uw penneschacht een zwart venijn,
 
Wat leent gij 't oor vaak aan de stem des lasters,
 
Wat wroet gij in de vuilnis als een zwijn!
 
Poëten brengt ge in aaklige desasters
 
En geeft hun hier een proef van helsche pijn;

Opmerkelijk is, dat Ten Brink zijn gedicht niet in Utrecht, maar in Leiden laat spelen. Hij bezingt de minnesmarten van Kees Kregel, een ‘student a non studendo’. Naar aanleiding van de examens die Kees Kregel niet gehaald heeft, weidt de dichter enkele strofen lang uit over de examenziekte in de verschillende schooltypen, want:

[p. 9]
 
Het is een zwak
 
Van mijn Pegaas, dat hij graag divergeert,
 
(Het goede beest is anders bijster mak)
 
En langs den weg een hapje consumeert.

Kees is wees en leeft van zijn erfenis: 20.000 gulden die jaarlijks duizend gulden rente opbrengen. Omdat zijn bestedingen dit bedrag te boven gaan, teert hij stevig in. Op een besneeuwde januaridag begeeft Kees zich in gezelschap van twee vrienden (‘likkers’) naar de Vink waar flink gebitterd wordt. Op de terugweg veroorzaakt Kees een ongeluk met zijn vierspan. Met een bloedende hoofdwond en buiten bewustzijn wordt hij in een huis gedragen bij een moeder met een mooie dochter.

 
Kees kwam weer bij en 't eerste wat hij voelde,
 
Was dat een kleine hand met zacht geweld
 
Door zijn geheel verwarde lokken woelde;
 
Hij sloeg zijn oogen op en werd ontsteld,
 
Toen hij dien blik, die alles goeds bedoelde
 
En hem toch als in boeien hield gekneld,
 
Op zich gericht zag en haar zwarte haren
 
Niet ver van zijn gelaat verwijderd waren.

In de tweede zang moet Kees aanvankelijk zijn kamer houden tijdens het genezingsproces. Hoewel zijn vertrekken van alle gemakken voorzien zijn, verveelt hij zich. Hij heeft een prachtige bibliotheek van klassieken uit alle landen, waarin hij echter niet leest. Zijn leesgedrag is dat van de typische losbol:

 
hij las geen classieken,
 
(Behalve somtijds Byron's Don Juan)
 
Geen studie-werken, preeken of critieken,
 
Noch eenig boek, dat voordeel geven kan;
 
Zijn leeslust werd gevoed door de fabrieken
 
van den demi monde- en den bloed-roman,
 
Door Paul de Kock, Xavier de Montépin,
 
Dumas, Feydeau, en wie er verder zijn.

Kees is verliefd op zijn mooie verpleegster. Hij laat alle Leidse deernen - aan wier frequente omgang hij de bijnaam van ‘Noordsche Don Juan’ dankte - links liggen. Als hij voor het eerst uit mag gaan, spoedt hij zich naar zijn Marie. Moeder en dochter moedigen de minnaar aan, temeer waar Marie al een jaartje ouder wordt en ze geen fortuin heeft. Bij zijn thuiskomst besluit Kees haar schriftelijk zijn liefde te verklaren, en wel op rijm. Hij bestudeert enkele dichterlijke voorbeelden en besluit tot de trant van Piet Paaltjens. Vervolgens brengt hij deze Paaltjens-pastiche voor de dag:

 
Zwartlokkige maagd Maria!
 
Ach, gun uw verliefden Kees,
 
Dat hij zijn hart voor u uitstort,
 
Dat hart zoo vol angst en vrees!
 
 
 
Zijn hart, dat, als gij het niet aanneemt,
 
Wegsmelten zal door geween
 
Of zich te pletter vallen
 
Op den ijslijken wanhoopsteen!
 
 
 
De bliksem-vonk uit uw oogen
 
Is lichter dan die de smid
 
Met moker-slagen doet springen
 
Uit ijzer, door 't gloeien wit.
 
 
 
De kleur uwer lokken is zwarter
 
Dan die stik-donkere nacht,
 
Waarin de hel-hond ons aanbast
 
En Charon zijn vaartuig bevracht;
 
 
 
Maar hun glans is een toover-spiegel
 
En uw tressen zijn beter gekruld
 
Dan de cirkels die eens het brein van
 
Archimedes hebben vervuld.
 
 
 
De blos, op uw wangen bloeiend,
 
Is oneindig schooner van kleur
 
Dan de roos die op de prairieën
 
De lucht vervult met haar geur.
 
 
 
Uw mond is de poort des hemels,
 
Die met purperen deuren sluit,
 
En uw tanden een wacht van englen
 
Voor uw zilveren stemgeluid.
 
 
 
Eén kus op dien mond te drukken
 
En dan in den eeuwigen nacht
 
Der vernietiging weg te zinken,
 
Is een gunst, waar ik brandend naar smacht.
 
 
 
O, laat mij dat heil genieten!
 
Maar liever nog, liefste mijn,
 
Zou ik al de jaren mijns levens
 
De slaaf uwer wenschen zijn!

In de derde zang is Kees met vakantie in Bloemendaal bij een neef die dominee is. De rijtoertjes met zijn geliefde en haar mama, de bezoeken aan de Haagse opera, de fijne soupertjes bij Van der Pijl en de kwistige consumptie van champagne hebben zijn kapitaal danig aangetast. Een vlucht naar de Kennemer dreven geeft hem enige adempauze. De met schitterende ogen en blond krulhaar toegeruste, twintigjarige domineesvrouw Jet brengt al snel Kees' hart in vuur en vlam. Terwijl Kees en Jet hun jong geluk vieren in een lommerrijk priëel, wijdt de dichter enkele strofen aan een van de beroemdste inwoners van Bloemendaal, Conrad Busken Huet:

 
O, Bloemendaal! als ik uw schoone dreven
 
Gedenk, waar 'k zooveel weelde heb gesmaakt,
 
Weet ik niet hoe daar nu een man kan leven,
 
Wiens penneschacht slechts gal en alsem braakt,
 
Een man, die van elk boek critiek wil geven
 
En als een dolend ridder altijd waakt
 
En zwoegt, om met zijn scherpe, stalen schichten
 
De poëtasters uit het zaal te lichten.

De gelieven worden betrapt door de dominee. Kees ontvlucht het huis, achtervolgd door de bedrogen echtgenoot. In een logement te Overveen laat Kees zijn achtervolger passeren. Terwijl deze naar Haarlem snelt, keert Kees terug om zijn geliefde te troosten.

In de vierde zang vinden we Kees weer in Leiden. Zijn Marie heeft inmiddels haar hart weggeschonken aan een luitenant. Kees overweegt diverse vormen van zelfmoord, maar schrikt steeds terug. Hij blijft dus leven,

[p. 10]

maar dat confronteert hem in de vijfde zang met zijn penibele financiële toestand. Hij besluit tot een wanhoopsoffensief. Met het laatste deel van zijn kapitaal betaalt hij zijn schulden en creëert hij nieuw krediet. Hij voert een grote staat. Doel daarvan is het inpalmen van een oude en lelijke, maar ook rijke nicht, Van der Scheelen geheten. Zijn plan lijkt te lukken. Vlak voor de huwelijksdag besluit Kees in de zesde zang de bloemetjes nog eens goed buiten te zetten op de Amsterdamse kermis - in gezelschap van de mooie kamenier van zijn nicht. En natuurlijk wordt hij door zijn bruid betrapt. De bruiloft gaat niet door, zijn inboedel wordt in beslag genomen om zijn schulden te betalen. Berooid vlucht hij eerst naar Den Haag, dan naar Rotterdam en dan naar Utrecht. Ten slotte besluit hij te tekenen voor de Oost.

De moraal die de dichter de lezer meegeeft is nogal mager: sla geen oog meer in boeken. Bedoeld is waarschijnlijk een parodie op de toeschrijving van een mensbedervend karakter aan de lectuur van Byroniaanse gedichten.

Kees Kregel vormt aardige lectuur, omdat het byronisme erin gemengd wordt met het hele repertoire van de humorcultus, inclusief uitweidingen en commentaar op het eigen gedicht. Maar daar moet meteen aan toegevoegd worden, dat A.J. ten Brink niet echt een groot dichter is. Daarvoor verschilt hij nu eenmaal te veel van de zanger die hij aan het woord laat in zijn vertaling van ‘Het lied des dichters’ van Johann Ludwig Heiberg:6

 
Zoo 'k goed geleefd had, zong ik slecht,
 
Maar ik ben slecht en zing nu goed;
 
Dat heeft de Muse mij gegeven!
 
Zij is 't, die steeds den zin voor recht
 
En deugd in mij ontvlammen doet,
 
Waartegen 'k zelf misdeed in 't leven.

Nop Maas



illustratie

1Ernst Huisman, Een kilometer adellijke huizen in Beetsterzwaag. [Leeuwarden 1986], p. 73.
2Handelingen (1917-1918), pp. 64-68. Zuidema schreef ook het artikel over A.J. ten Brink in het NNBW.
3J.W. Enschedé, A.C. Kruseman. Eerste deel. Amsterdam 1899, p. 569.
4A.J. ten Brink, Uit de gouden dagen, p. 213.
5Volgens zijn eigen aanduiding in Uit de gouden dagen.
6Uit de gouden dagen, p. 226.
prepostterug  begin  verder